De Rozenkrans – Info voor preek

“We hebben tegenwoordig een strijd in de wereld, die velen niet willen kennen; een geestelijke strijd. En deze is nog erger dan alle anderen. Een van de gevaarlijkste satanische aanvallen stort zich op de Kerk en op alles, dat de naam Christelijk draagt, het overvalt de wereld, en deze laatste is het slachtoffer van een duivelse bezetenheid. In het zicht van dit gevaar blijf ik, de Koningin van de Heilige Rozenkrans, zegevierend in alle grote veldslagen van de Christenheid. Gij zult mij nooit tevergeefs aanroepen.” – Zo sprak de Moeder Gods in Kerizinen op 7 oktober 1961. Zij sprak duidelijk van een strijd of oorlog, een weliswaar geestelijke strijd.

Voor een strijd zijn echter ook wapens noodzakelijk. Hoe groter en sterker de vijand is, des te machtiger, aan strijd en vijand aangepaste wapens men nodig heeft. Maria is echter niet voor niets de meest wijze en verstandigste Koningin.

Als zij ons tot de strijd oproept, en wel tot de strijd tegen Satan, dan zorgt zij ook voor passende wapens, die zij zelf uitgevonden heeft. Het gaat om een geestelijke strijd, en daarvoor hebben wij ook een geestelijk wapen nodig, dat zo sterk en machtig is, dat het alle aanslagen en aanvallen van de Satan vermag te vernietigen. Dit wapen is de Heilige Rozenkrans.

Strijd en wapen. Het is eigenlijk niets nieuws, geen nieuwe boodschap, alleen de herhaling van die in de H.Schrift staat, haast ononderbroken leert zij ons, dat wij altijd tegen de Boze moeten strijden. Zo lezen wij in het boek Job: “Strijd is het leven van de mens op aarde.” Jezus zelf heeft zeer dikwijls over deze strijd of dit gevecht gesproken.

De H.Paulus beschrijft tot in details deze strijd in zijn brief aan de Efeziërs (6.10-18). Hij schrijft: “Ten slotte! Weest sterk in de Heer en in zijn sterke kracht! Legt aan de wapenrusting Gods, om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel. Want niet tegen vlees en bloed geldt onze strijd, maar tegen heerschappijen en machten, tegen wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de lucht. Grijpt daarom naar de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden op de boze dag, en pal te blijven staan, na alles te hebben volbracht. Op dan! Uw lenden omgord met de waarheid, en het pantser der gerechtigheid om; de voeten geschoeid met bereidwilligheid voor de blijde Boodschap van vrede; het schild van het geloof steeds voor u uit, om al de vurige pijlen van de Boze te kunnen smoren; grijpt naar de helm van het heil en het zwaard van de Geest; dit is het woord van God. Blijft bidden in de Geest, te allen tijde met gebed en smeking in allerlei vorm; draagt daarbij zorg, om ook met grote volharding voor alle heiligen te blijven bidden.”

Waarom deze nooit aflatende strijd? Omdat de tegenstander, de vijand van God en onze vijand, ons geen rust laat. In de Openbaring van Johannes lezen wij: “Wee echter de aarde en de zee! Want de duivel is tot u neergedaald… Nu ontstak de Draak in woede tegen de Vrouw; hij maakte zich gereed, om de strijd te voeren tegen de rest van haar kinderen, tegen hen, die de geboden van God onderhouden, en het getuigenis van Jezus bezitten.” (12.12-18) De H.Schrift en de werken van de heilige Kerkleraren bevestigen de nooit rustende boosheid, wreedheid en arglist van de hel, die, als het mogelijk was, alle leden van de H.Kerk in de eeuwige verdoemenis zou willen sleuren. Het gaat om een strijd, die velen niet willen kennen, zoals de Moeder Gods het in Kerizinen geopenbaard heeft.

Nu bekijken wij in het kort, hoe deze strijd voor iedere afzonderlijke ziel uitgevoerd wordt.

De Strijd

Vanaf het ogenblik van de ontvangenis voeren de engelen veel en hevige strijd tegen de duivel om het hun toevertrouwde schepsel te verdedigen. De duivels beweren een recht op dat schepsel te bezitten, omdat het met de erfzonde ontvangen is en daarmee een kind van de vloek is, de goddelijke genade en vriendschap onwaardig, in één woord hun slaaf. De engel daarentegen verdedigt het. Ook al zou het kind met de erfzonde belast zijn, dan heeft het deze door de natuur opgelopen. De schuld ligt bij de eerste ouders, niet bij de wil van het kind. God heeft het ongeacht deze zonde geschapen, opdat het Hem kenne, Hem love, Hem diene en krachtens het lijden en de verdiensten van Christus de eeuwige heerlijkheid verwerven kan. Zulke bedoelingen vermogen enkel de wil van de satan geenszins te verijdelen. (Zr. Maria van Agreda. B.7. hfdst.15)

Dikwijls doen de duivels gelden, dat de ouders bij de verwekking van het kind niet de juiste bedoeling en mening gehad hebben. Gaat het om echtelijke kinderen, dan doen de engelen gelden, dat de ouders het H.Sacrament van het Huwelijk en de zegen van de Kerk ontvangen hebben. Bezitten de ouders bovendien zekere deugden; milddadigheid voor de armen, barmhartigheid, vroomheid en de verdiensten van andere goede werken, dan gebruiken de engelen deze als wapens tegen de boze geesten, om op die manier hun beschermelingen te verdedigen.

Hebben de ouders zelf generlei verdiensten of deugden, zijn zij integendeel zondig en slecht, dan voeren de engelen tot bescherming van het arme schepsel de verdiensten van zijn voorouders, grootouders, broers en zusters, de gebeden van vrienden en van de H.Kerk aan.

Al deze gevechten alsook de daarbij gebruikte wapens zijn van geestelijke aard, zoals ook de goede en kwade engelen geestelijke wezens zijn. De machtigste wapens tegen de kwade geesten zijn de goddelijke waarheden en geheimen: Gods Waarachtigheid! Het geheim van de Allerheiligste Drievuldigheid, de geheimen van Onze Heer Jezus Christus, de Verlossing (zie de geheimen van de Rozenkrans), Zijn oneindige Liefde, waarmee Hij ons bemind en verlost heeft. Verder de Heiligheid en zuiverheid van de Allerheiligste Maagd Maria. Haar geheimen (Rozenkrans) en verdiensten. Over deze geheimen verkrijgen de kwade geesten tijdens deze strijd nieuwe inzichten. Daartoe worden zij door de engelen en door God zelf gedwongen. Dan gebeurt het, dat, zoals de H. Jacobus zegt, de duivels geloven en beven. Deze waarheden verschrikken en pijnigen hen dermate, dat zij, om niet te veel daarop te hoeven letten, zich in de afgrond storten. Wegens hun haat tegen de geheimen van Jezus Christus (de geheimen van de Rozenkrans) zijn de kwade geesten door de gedachten hieraan meer gepijnigd dan door het vuur dat hen kwelt. (Zr. Maria van Agreda)

De aanvallen van de kwade geesten alsmede de verdediging door de Heilige Engelen worden na de geboorte van het kind voortgezet. De duivel wendt alle middelen aan, het H.Doopsel te verhinderen. Doch de onschuld van het kind schreit tot de Heer met de woorden van Koning Ezechias: “Heer, ik lijd geweld, sta mij toch bij in mijn nood” (Is.38.14).  Zo roepen de engelen in naam van het kind. 0p deze leeftijd waken de engelen met grote zorgvuldigheid over de kleinen, omdat zij zichzelf niet kunnen helpen en omdat zelfs de grootste waakzaamheid van diegenen die zich om hen bekommeren, de dreigende gevaren niet kunnen afwenden.

Diegenen, die het geluk hebben, het H.Doopsel en daarna het H. Vormsel te ontvangen, ondervinden aan deze H.Sacramenten een machtige bescherming tegen de hel, krachtens het eeuwigdurend merkteken, dat deze sacramenten schenken, en ook krachtens de genade van de rechtvaardiging, door welke de dopeling als kind van God en erfgenaam van de hemel wedergeboren wordt. Daartoe behoren nog de ingestorte goddelijke en zedelijke deugden, waarmee zij gesierd en gesterkt worden. Uiteindelijk krachtens de deelname aan de overige sacramenten en aan de voorbede van de Kerk, waarin aan hen de verdiensten van Christus en Zijn Heiligen geschonken worden. (Zr. Maria van Agreda)

Heeft de mens het volledig gebruik van zijn verstand verkregen, dan wordt de strijd tussen de kwade en goede engelen nog heviger. Zodra wij namelijk een zonde begaan, zoekt de helse slang met aanwending van al haar arglist het daartoe te leiden, dat wij, voordat wij boete doen, het leven verliezen en dan eeuwig verloren gaan. Konden de mensen zien, hoeveel netten en valstrikken de satan gelegd heeft en wel terwille van hun eigen zonden, dan zouden allen bij iedere stap, die zij doen, sidderen!

Met alle macht zoekt de kwaadaardige vijand te bewerken, dat de mensen hun zonden vermenigvuldigen, zodat de maat van hun schuldenlast snel vol is en de tijd voor boete en die voor het leven voor hun ingekort wordt. De Heilige Engelen echter, die zich over de bekering van de zondaars verheugen, doen alle moeite, de kinderen van de Kerk zoveel mogelijk van het zondigen af te houden. Wanneer het hun desondanks niet gelukt, de zondaars tot bekering te bewegen, vragen zij om bemiddeling bij de Heilige Maagd Maria. Zij smeken Haar, Middelares bij Haar Zoon te zijn en haar hand op te heffen, om de kwade geesten weg te jagen.

Opdat echter de zondaar de goedige barmhartigheid van Maria zich enigermate waardig zou maken, trachten de engelen de hun toevertrouwde zielen een bijzondere vrome aandacht tot de Hemelkoningin bij te brengen en hen tot een of ander goed werk ter ere van Maria te bewegen, waarmee zij het dan aan de Hemelkoningin kunnen opofferen.

Op deze manier ontkomen talloze zielen aan de ketenen van de zonde en daarmee ook aan de klauwen van de helse Draak. Talloos zijn de zielen, die in een zo vreselijke toestand geraken, dat zij de machtige arm van de Hemelkoningin nodig hebben, om daaruit bevrijd te worden. De duivels zijn buiten zich zelf van woede, als zij zien, dat een zondaar Maria aanroept of slechts aan haar denkt. Zij weten, dat, als Maria ingrijpt, Zij de zaak van de zondaar tot de Hare maakt, en dat voor hen dan noch hoop noch een of andere kracht tot tegenstand overblijft. (Zr. Maria van Agreda)

Het Wapen

Hoe echter werkt de Rozenkrans als wapen? Zoals wij het hierboven uitgewerkt hebben, pijnigen de geheimen van de menswording van Jezus Christus en de Verlossing de Satan en alle kwade geesten het meest. Deze geheimen echter zijn niets anders dan de geheimen van de Rozenkrans. Als men dan de Rozenkrans beschouwend en met aandacht bidt, worden de kwade geesten door de H.Engelen, in het bijzonder door de engelbewaarder gedwongen, op deze geheimen te letten. Terwijl echter de beschouwing van deze geheimen voor de kwade geesten onverdraaglijk is, wijken zij direct en storten zich liever in de hel terug. Men moet bijgevolg alle moeite doen, de Rozenkrans eerbiedig en beschouwend te bidden. Dit lukt natuurlijk niet altijd, omdat wij geen engelen maar mensen zijn. Wij moeten ondanks dat in het Rozenkrans-bidden volharden, want als wij ook niet steeds aan de geheimen kunnen denken, is het bidden van de Rozenkrans tenminste nog een zich-aan-God-herinneren, iets bovennatuurlijks, zoals dat Lucia van Fatima in een brief geschreven heeft. Ook dit is voor de kwade geesten pijnlijk.

Alleen al de gebeden van de Rozenkrans, de geloofsbelijdenis, het Onze Vader, het Ere zij de Vader…, het Fatima gebed en bijzonder het zo vaak herhaalde Wees gegroet Maria, pijnigen onuitsprekelijk de Draak en alle kwade geesten, dat dit hen afkeer inboezemt.

Ik wil hier niet nader op de afzonderlijke geheimen ingaan, men zou dan over elk een artikel kunnen schrijven, wat hier te ver gaat. Gedurende de gehele Rozenkrans beschouwen wij het grootste werk van God, de Menswording van Zijn Zoon en de Verlossing van de gevallen mensheid. Heel kort samengevat kunnen wij zeggen, dat wij in de blijde geheimen de onuitsprekelijke nederigheid van Maria en Jezus beschouwen kunnen. Deze nederigheid is voor de vermetele hoogmoed van de Draak en zijn aanhang onverdraaglijk.

In de droeve geheimen kunnen wij de oneindige liefde van God beschouwen. De liefde van God de Vader, die ons zo beminde dat Hij Zijn Zoon voor ons gegeven heeft. De liefde van Jezus Christus, die zich voor ons op het kruis opgeofferd heeft; ook de liefde van de Moeder Gods, die Haar Zoon voor ons gegeven en met Hem alles meegeleden heeft. Omdat de wrede geesten vol van haat zijn, worden zo deze geheimen van Gods oneindige liefde voor hen tot een onverdraaglijke kwelling.

In de glorievolle geheimen beschouwen wij de overwinning van Jezus Christus over de dood en de zonde, de triomf en de verheerlijking van Maria en de nederlaag van Satan. Het zijn opnieuw geheimen, welke de kwade geesten zodanig pijnigen, dat zij zich liever in de hel storten, dan deze verdragen.

Hopelijk begrijpen wij tenslotte, wat voor een machtig wapen wij in handen hebben, als wij de Rozenkrans bidden, bijzonder echter, wanneer wij hen eerbiedig bidden. Zouden alle gelovigen de Rozenkrans met eerbied bidden, dan zouden in weinig minuten alle kwade geesten van de aarde verdreven zijn en een onvoorstelbare vrede zou op de gehele aarde zijn intrek doen.

We hebben begrepen, hoe verschrikkelijk en onverdraaglijk de Rozenkrans voor de kwade geesten is. Daaruit volgt, dat, als iemand tegen het Rozenkransgebed is, hetzij een bisschop, priester of leek, hij een dienaar van Satan en een vijand van God is.

Groot is de kracht van het leger, die niet de degen, maar de Rozenkrans in de hand heeft.” (Pius IX)

Het grote reddingsmiddel, dat dieper ingrijpt dan alle diplomatie, geweldiger werkt dan alle organisaties, is de Rozenkrans. De bidders verrichten meer voor het welzijn van de mensheid dan de redenaars, de organisatoren, de stichters, de secretarissen, de afgevaardigden.” (Leo XIII)

Wij moeten iedere dag de Rozenkrans bidden, het is het gebed, dat Onze Lieve Vrouw op speciale wijze aanbevolen heeft, als het ware als wilde Zij ons voor deze dagen van de duivelse veldtocht daartegen voorbereiden.” (Lucia van Fatima)

De Rozenkrans is voor velen een onbekende. Ook voor hen, die hem bidden. Want men kan hem bidden, zonder hem te kennen. De rozenkrans is niet op de eerste plaats de veelvuldige herhaling van enige gebeden. Hij is voor alles werkelijke beschouwing. Als de tirannen wisten, wat voor een macht wij Rozenkransbidders in de hand hebben, zij zouden de rozenkrans met bedreiging van gevangenis en landuitwijzing verbieden.” (prelaat Robert Mader)

Pater Johannes Dlustusch, SDB, feestdag van de Heilige Rozenkrans, 7 oktober 1980.

Van de Goede Week naar Pasen

WAT AAN JEZUS’ LIJDEN EN STERVEN VOORAFGING

Samenzwering tegen Jezus

Afscheid mei 2011Tijdens zijn aardse leven had Jezus verschillende malen aangekondigd, dat Hij veel zou moeten lijden (zie Mt.15,21-23 en 17,21-22; Mc.8,31-33 en 9,30-31; Lc.9,23-27 en 44-45). Dit lijden zou Hem worden aangedaan door de oversten van de joden, terwijl Hij op de eerste plaats voor het joodse volk gekomen was. De oorzaak zou liggen in het feit dat men Hem niet zou aanvaarden. Al snel bleek tijdens Zijn openbaar leven dat men naar mogelijkheden zocht om Hem uit de weg te ruimen.

De grootste samenzwering tegen Jezus Christus door de geestelijke leiders van de joden begon, toen Hij Lazarus ten leven gewekt had. Géén enkel ander wonder was zó opzienbarend geweest. Aan een man die al vier dagen in het graf lag – en in die warme landen is een lijk al binnen vier dagen in staat van ontbinding – had Jezus het leven teruggegeven. Zo wilde Jezus tonen dat Hij de Heer van het leven is.

Vele joden bekeerden zich door dit wonder. De geestelijke leiders van het volk waren bezorgd, of men echt ging geloven dat Hij de Zoon van God – de Messias – was. De hartstocht had deze leiders overmeesterd; nu wilden ze Jezus doden om zelf de macht te behouden, want zij zagen dat de mensen steeds meer in Jezus gingen geloven. De nijd stak bij hen de kop op. Uit nijd, jaloezie en woede wilden zij een mens doden.

Zij gaan zoeken op welke gronden zij Jezus ter dood kunnen brengen. Want Jezus had alleen maar goede werken gedaan en aan iedereen welgedaan. Men kan toch geen mens vonnissen op grond van zijn goede werken. Het enige wat tegen Jezus ingebracht kan worden, is dat allen in Hem zullen gaan geloven, als Hij in leven blijft!

De geestelijke leiders komen tot het besluit dat men geen rekening moet houden met Zijn onschuld, noch met Zijn rechtvaardigheid, noch met de wet, máár men heeft slechts te doen wat dienstig is voor het algemeen welzijn. De geestelijke leiders van de joden zijn het met elkaar eens en zo, onder mooie voorwendselen, komt men tot de noodlottige samenzwering om Jezus ter dood te brengen.

Men kwam tot de conclusie dat het goed was, als een mens stierf voor het heil van de wereld. Echter daartoe was Jezus op aarde gekomen om voor ons allen te sterven, opdat wij zo het goddelijk leven, dat door Adam en Eva verloren was gegaan, weer terug zouden krijgen. Na de opwekking van Lazarus gaat Jezus naar Jeruzalem, de plaats waar alles voltrokken zal worden.

Het Paasmaal

Het begon zo glorievol. Mensen juichten Hem toe, legden hun kleren op de grond, zwaaiden met palmtakken. Het leek op een feest, waaraan nooit meer een einde aan zou komen. Toch eindigde alles dramatisch…

Daar in Jeruzalem wilde Jezus het Paasmaal vieren met zijn leerlingen. Echter onder zijn leerlingen zat een Judas, de verrader. In Betanië had Maria Magdalena de voeten van Jezus gezalfd met kostbare balsem. Judas was opstandig geworden en had gevraagd, waarom die balsem niet verkocht was om de armen te helpen. Hij vroeg dat niet, omdat hij medelijden met de armen had, maar om zichzelf te verrijken. Judas bewaarde het geld en was een dief. Jezus gaf hem als antwoord: ‘Armen zullen jullie altijd hebben en jullie zullen altijd voor ze moeten verzorgen, maar Ik zal niet altijd lichamelijk bij jullie blijven’.

Judas wilde zich daarvoor wreken. De duivel nam bezit van hem. Hij ging naar de geestelijke leiders en vroeg hoeveel geld zij wilden geven, als hij Jezus aan hen overleverde. Zij boden hem dertig zilverlingen. Van toen af zocht Judas een gunstige gelegenheid om Jezus over te leveren.

Ondanks het feit dat Jezus wist wat er gebeuren gaat, raakte Hij niet ontstemd. In alle rust wilde Hij het Paasmaal vieren. Voor ons het grootste geluk, want met dit Paasfeest wil Jezus gedenken, dat we verlost zijn van de zonde en in staat van genade zijn gekomen. We zijn van straf ontslagen en overgebracht naar de genade. Jezus wil ons geluk, want daarvoor is Hij bij ons gekomen.

Jezus’ voorbeeld van liefde en dienstbaarheid

Jezus verlangt er vurig naar dit Paasmaal te vieren. Dat vurige verlangen komt voort uit Zijn liefde voor ons, voor onze onsterfelijke zielen.

Als zij aan tafel gaan om dit te vieren, legt Jezus Zijn bovenkleed af en omgordt zich met een lendendoek. Hij gaat het nederigste werk verrichten, wat normaal een slaaf doet. Hij schaamt zich niet om de voeten van Zijn leerlingen te wassen. Hij wil ons een voorbeeld geven van dienstbaarheid. Zo komt Jezus ook bij Petrus. Nog maar pas kortgeleden had Petrus beleden dat Jezus de Zoon van de levende God was. Nu knielt Jezus neer voor Petrus om hem de voeten te wassen. Petrus ziet verontwaardigd toe en zegt dan dat Jezus hem in de eeuwigheid niet de voeten zal wassen, want een Zoon van de levende God kan toch geen slavenarbeid verrichten. Als Petrus daaraan blijft vasthouden, zegt Jezus dat hij dan niet bij Hem kan horen. Petrus wil echter niets liever dan bij Jezus te horen. Daarom zegt hij: ‘Dan niet alleen mijn voeten, maar dan helemaal!’ Als Jezus klaar is, zegt Hij: ‘Ik heb jullie een voorbeeld gegeven, ook jullie moeten dienstbaar zijn.’

Instelling van de heilige Eucharistie

Klaar om de maaltijd te gaan vieren, legt Jezus de leerlingen uit dat dit de laatste keer is dat zij zo samen aan tafel gaan. Dit zal pas weer gebeuren, als zij het doen in het Koninkrijk Gods. Toch wilde Jezus ons niet verweesd achterlaten, daarom geeft Hij Zichzelf uit handen en levert Zich over aan ons.

Tijdens de maaltijd neemt Hij brood in Zijn handen, spreekt de dankzegging uit, breekt het en geeft het Zijn leerlingen met de woorden: ‘Neemt en eet hiervan gij allen, want dit is Mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt’.

Zo neemt Hij ook de beker met wijn gevuld en zegt: ‘Neemt en drinkt allen hiervan, want dit is de beker van het nieuwe altijddurende Verbond. Dit is Mijn Bloed, dat voor u gegeven wordt tot vergiffenis van de zonden. Blijft dit doen om Mij te gedenken’.

Zo levert Jezus Zichzelf aan ons over. Aan ons hoe wij met Jezus omgaan – tot vreugde of tot lijden. Om Judas nog op andere gedachten te brengen, mag hij bij de instelling tegenwoordig zijn, ondanks zijn onwaardigheid. Een tweede poging van Jezus ten opzichte van Judas is dat Hij openbaart dat een van de twaalf Hem gaat overleveren. Misschien door de schok van het bekend zijn van het verraad zal Judas andere gedachten krijgen. Een derde poging komt, nadat de leerlingen vragen wie het zijn zal. Jezus zegt dan: ‘Hij is het aan wie Ik het stuk brood zal geven dat Ik ga indopen’. Vervolgens neemt Jezus een stuk brood van de schotel, doopt het in en reikt het toe aan Judas.

De pogingen van Jezus om Judas te bekeren lukken niet. De duivel heeft Judas in zijn macht. Judas staat op en gaat weg. Hij verontreinigt het Allerheiligste niet. Jezus zegt dan nog liefdevol: ‘Wat je te doen hebt, Judas, doe dat snel’.

Laatste woorden en opdracht

Jezus viert de Eucharistie met Zijn leerlingen en zij ontvangen voor de eerste maal onder twee gedaanten de heilige Communie. Nadat zij de Eucharistie gevierd hebben, zegt Jezus: ‘Laten we gaan, mijn verrader is nabij’. Nadat alles zo glorievol was begonnen, komt nu de angst en het lijden nabij. De vreugde is weg en de dood dichtbij. Voordat zij naar de hof van Olijven gaan, spreekt Jezus zijn afscheidsrede:

‘Nog veel had Ik u te zeggen, maar er is geen tijd meer voor. Vader, mogen allen één zijn, zoals Wij één zijn. Kinderen, hebt elkander lief, want daaraan zal de wereld zien dat jullie Mijn leerlingen zijn.’

Na de opdracht van het één-zijn en het gebod van de liefde gaat Jezus naar de hof van Olijven. Daar zal zijn lijdensweg beginnen.

Gedachten ter overweging

*  Na de opwekking van Lazarus geloofden vele joden in Jezus. Geloven ook wij werkelijk in Jezus en laten wij dat zien door onze werken?

*  De afgunst, jaloezie, haat en nijd deden de geestelijke leiders Jezus overleveren. Trachten wij deze ondeugden te voorkomen in ons leven?

*  Het uit zijn op geld en rijkdom deed Judas Jezus overleveren. Is ons leven gericht op rijkdom of om boven alles Jezus te dienen?

*  Petrus wil zich geheel door Jezus laten wassen om bij Hem te horen. Door het heilig Doopsel heeft Jezus ons rein gewassen en behoren wij Hem toe. Leven wij echt vanuit ons Doopsel, vanuit ons Kindschap Gods?

*  Jezus heeft een voorbeeld gegeven van dienstbaarheid. Willen wij ook echt Jezus dienen ten bate van onze naasten?

*  In de Eucharistie geeft Jezus Zichzelf aan ons. Gaan wij altijd heilig om met Jezus in de heilige Communie?

*  Jezus probeerde om Judas uit de macht van de duivel te verlossen. Laten ook wij ons door Jezus verlossen in het sacrament van de Biecht of verharden wij ons in het kwaad?

*  Jezus heeft opdracht gegeven om één te zijn en elkaar lief te hebben. Trachten wij in ons leven deze opdracht in het leven van elke dag waar te maken?

*  Jezus heeft gaarne voor ons geleden om ons te verlossen. Zijn wij Hem daar wel altijd dankbaar voor en proberen wij door Zijn lijden te overwegen kracht naar kruis te krijgen?

Opwekking

Laten we in de komende dagen het lijden van onze Heer Jezus Christus overwegen om steeds beter te begrijpen wat Hij voor ons geleden heeft. Wij zullen hieruit kracht krijgen om ons eigen kruis dagelijks te kunnen dragen. Wij zullen steeds dankbaarder worden voor wat Hij voor ons gedaan heeft. Deze dankbaarheid zal mij er steeds weer toe aanzetten om beter kind van God te worden. De band met Hem zal hechter worden. Zo zal ik zelf waakzamer zijn om mijn eigen leven te heiligen. Ook mogen we nadenken over de sacramenten, die Christus ons door de Kerk schenkt. De grote gave van heiligmakende genade wordt ons in deze sacramenten geschonken. We zullen ze met steeds grotere eerbied ontvangen en zo zullen ze vrucht dragen in ons leven.

Van harte hoop ik dat de Goede Week ons tot het gezegende Paasfeest zal brengen.

Reclame website Rachel’s Vineyard Nederland


cropped-rachels-vineyard-poster-a4-page-001-1-1.jpg

Rachel’s Vineyard is een veilige plek om je leven te vernieuwen en opnieuw op te bouwen na het trauma van abortus. De genezingsweekenden bieden een ondersteunende, vertrouwelijke en niet-veroordelende omgeving waar vrouwen en mannen de pijnlijke post-abortieve emoties kunnen verwerken. 

Rachel’s Vineyard kan helpen om Gods liefde en barmhartigheid op een diep niveau te ervaren. Het is een plaats waar mannen en vrouwen, vaak voor de eerste keer, hun diepste gevoelens over abortus kunnen uiten en delen.

Rachel’s Vineyard is een plaats van verzoening. Deelnemers die een diepe boosheid ten opzichte van zichzelf of anderen hebben gevoeld, ervaren er vergeving. Vrede wordt er gevonden. Levens worden hersteld. Hoop en betekenis voor de toekomst worden er ontdekt.

Een Rachel’s Vineyard Weekend is een kans om even weg te zijn van de dagelijkse beslommeringen van werk en familie om te kunnen focussen op deze pijnlijke tijd in je leven met behulp van een ondersteunend en niet-veroordelend verwerkingsproces.

Deze tijd weg geeft je de gelegenheid om het diepe rouwproces aan te gaan en alle manieren waarop abortus je heeft geraakt aan te wijzen. Rachel’s Vineyard bevat een aantal krachtige oefeningen die je in staat stellen je verdriet en pijn uit te spreken. De oefeningen helpen een verbinding tot stand te brengen tussen de deelnemers, en tot de liefde van God.

De oefeningen in dit weekend helpen deelnemers vergeving te aanvaarden voor zichzelf en naar anderen toe. Er is ook de gelegenheid de band met de kinderen die geaborteerd zijn te herstellen, en hen te herdenken.

Het is een weekend van hard werken, maar voor degenen die bereid zijn de reis door hun verdriet te maken, zal er genezing zijn. Zij zullen betekenis kunnen vinden in wat er is gebeurd en zullen God toestaan die ervaring te veranderen in iets dat hoop, vrijheid en vrede schenkt.

Rachel’s Vineyard wordt gegeven door mensen die intuïtief aanvoelen dat het leven kostbaar is. Wij erkennen het verlies van dit onvervangbare leven en het verdriet dat veroorzaakt wordt door het verlies van iemand die zo intiem met ons verbonden was.

Rachel’s Vineyard is bedoeld om diegenen te helpen die hun weg proberen te vinden in de heel normale manifestatie van verdriet. Rouwen en verdriet hebben zijn zeer belangrijke fases waar we doorheen moeten om door te kunnen gaan met ons leven. Wanneer dit proces voltrokken is, is er een nieuw begin.

Info: www.RachelsVineyardNederland.com

Info: facebook


Moeder (muziekvideo)


 

Brandde ons hart niet in ons…?

Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus

”BRANDDE ONS HART NIET IN ONS…?”

Door Proost Pastoor J. Burger

supper-at-emmaus-by-RembrandtRembrandt, Emmaüsgangers aan tafel met de verrezen Heer, Louvre, Parijs, 1648, 68 x 65 cm. De tedere tegenwoordigheid van de opgestane Heer, met de glans van Zijn gelaat, vullen de ruimte; er heerst een grote rust en sacrale sfeer. We worden meegetrokken in de heilige stemming van die twee leerlingen precies op het moment waarop ze Hem herkennen. 

Ik kan me herinneren hoe ik als tiener las uit de Boodschap van de Barmhartige Liefde. Het was een tijd van een pratende Kerk; veel praten, praatgroepjes, discussie. En een tijd van een mopperende Kerk; toch veel gemopper. Zo voelde het aan als tiener. Een bedrukte sfeer met discussie, polemiek en gemopper. Het doet me denken aan het evangelie van de twee leerlingen van Emmaüs, die twee pratende leerlingen: ”Ze praatten met elkaar over alles wat was voorgevallen” (Lc. 24,14). Door…

View original post 528 woorden meer

21ste zondag door het jaar C 2019

Inleiding:

Worden we gered? Gaan we er bij horen als Jezus wederkomt om te oordelen? Mensen zijn vaak erg geïnteresseerd in het lot van anderen, maar als we nu eens net zo geboeid waren door wat wij zelf gaan krijgen? In het evangelie van deze zondag wijst Jezus een duidelijke weg: “Spant u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen.” Hij vraagt van ons geloof en goede daden. Zonder inspanning is de hemelpoort niet open. Maar aan de andere kant geeft Jezus zelf ook de kracht om die inspanning waar te kunnen maken. Hij heeft zijn leven gegeven aan het kruis, is Zelf door een zeer nauwe poort van lijden binnengegaan en opent ons de deur, die Hij zelf is. Wij moeten ons best doen, maar niet vrezen.

Wij denken te gemakkelijk dat iedereen wel gered wordt en sommigen zijn zelfs lui en gemakzuchtig geworden. Dat mag anders en daar roept het evangelie ons toe op. Worden we weer ijverig voor de Hemel, laten we ons door Jezus redden van de zonde.

Verdieping:

”Heer, zijn het er weinig die gered worden?” Een nieuwsgierige vraag. Als je leest wat allerlei verschijningen en profetieën vandaag de dag daarover vertellen en de gretige markt ziet die ze bedienen, dan zie je dat het toch interessant blijft voor veel mensen. Maar blijft het vaak niet te veel aan de buitenkant, net als deze vraag van iemand uit de toehoorders?

Jezus gaat niet echt op de vraag in, zoals u hoort. Hij is zelf op weg naar Jeruzalem en u weet: daar zal Hij zijn doopsel ondergaan: de dood aan het kruis. Een bloedserieuze zaak. Hij wil redding brengen aan alle mensen, mits ze in Hem geloven. Als we zien wat Jezus in Jeruzalem gaat doen, is het antwoord op de vraag natuurlijk heel simpel: Welnu, in principe wordt aan alle mensen redding aangeboden. Wil jij daar ook bijhoren? Daarom geeft Hij ook het antwoord dat we vandaag horen: “Spant u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen.”

De lege interesse van een buitenstaander over de hoeveelheid geredden wordt op meesterlijke wijze omgebogen naar de interesse in één enkele geredde: jijzelf. Denk je dat Ik iets met redding te maken heb, want daar vraag je toch naar? Sluit je dan aan bij Mij en de Kerk en laat je redden.”Spant u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen.” Wie is die deur? Als we lezen in het Johannes-evangelie, dan horen we Jezus zeggen: “Ik ben de deur van de schaapsstal, als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered.” (10,9) De oproep om door de nauwe deur binnen te gaan is dan ook een rechtstreekse oproep om Jezus te volgen en door Hem en met Hem en in Hem binnen te gaan in het Rijk Gods.

U weet het: buiten de schaapsstal is geween en tandengeknars en niet een uurtje, maar een eeuwigheid lang. We kunnen de eeuwige straf niet ontlopen door er niet meer in te geloven, maar wel door te geloven in Degene die ons er uit kan houden. Wij willen ons natuurlijk niet van de wijs laten brengen of angstig laten maken door deze straffe woorden van Jezus.

Wij stellen maar één vraag: “Zal ik gered worden?” We kennen de weg: Jezus, “de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14,6). Wij worden door Hemzelf uitgenodigd; om ons dagelijks te bekeren. Om met heel ons verstand, hart en wil van Hem te houden. Hij zal ons de genade geven die we nodig hebben, zoals vandaag weer de gave van zijn Lichaam en Bloed. Daarom vieren wij de H. Mis, de Eucharistie. Redding is niet goedkoop.

Het is niet belangrijk om te weten of er vélen gered worden. Wij hoeven slechts te geloven in Degene die de hoge prijs betaalt… en te geloven dat wij dankzij Hem bij de geredden zullen horen.

Bron: Bezinning op het Woord, Bisdom Roermond, Augustus 2019, blz. 50-51.

 

19de zondag door het jaar – C – 2019

Waken en wachten

Wie waakt bij een ziek kind weet het wel; waken vergt veel van je krachten.

De nacht is koud en donker, het wachten duurt lang, en de eenzaamheid kan zwaar zijn. En toch is waken en wachten een zinvol gebeuren. In het wachten kondigt zich de morgen al aan. Er is geen nacht zo donker, of er volgt een nieuwe morgen op. Het komt er wel op aan, zegt ons Jezus vandaag, altijd klaar te staan. Zo zeker als de dag volgt op de nacht, zo zeker is het dat de Heer zal komen.

De nacht van ons ongeloof, van geweld en ledigheid mag ons niet beangstigen. Hij moet ons aanzetten tot nog grotere waakzaamheid, wetend dat de Meester komt, en dat Hij ons zelf zal bedienen als wij Hem trouw zijn gebleven.

De nacht

De nacht kan zeer verschillende stemmingen oproepen bij de mens, naargelang zijn gesteldheid en levenswijze. Voor de enen is het een tijd van zorgeloosheid, ontspanning en ongebreideld genot. Voor anderen is het een tijd van vrees waarin men, in de voorsteden vol dreiging, langs de muren loopt om zo vlug mogelijk thuis te zijn, en de deur op dubbel slot doet uit vrees voor inbrekers. Nog voor anderen is de nacht een tijd van rust, ontmoeting, bezinning en gebed, een tijd om zich in de stilte toe te vertrouwen aan de grote krachten van lichamelijke en geestelijke vernieuwing die in de nacht geborgen zijn. De nacht wordt gevreesd, verlangd, en is geheimvol.

Meerdere generaties gelovigen hebben geleefd in de overtuiging dat Christus snel zou terugkomen midden in de grote Paasnacht, beeld van de lange tijd van wachten waarin de Kerk waakt bij het licht van de H. Schrift. Men geloofde dat Christus’ wederkomst niet zou uitblijven; snel zou gebeuren. Maar de loop van de geschiedenis wees weldra uit dat de wake langer zou gaan duren.

De Evangelieschrijver Lucas reeds legt er de nadruk op dat de wederkomst van Christus op zich laat wachten en dat wij in onwetendheid verkeren over het uur en de dag van zijn Komst. Jezus zal komen als een dief in de nacht, tot verrassing van iedereen, zodat Hij bij zijn onvoorziene komst ons wellicht onvoorbereid aantreft! Daarom zegt Hij: “Weest ook gij bereid”.

De wake is geen lege tijd waarin het vertrouwen verslapt. Het belang, en de nabijheid van de wederkomst van de Heer, zou ook het bestaan van ons, gelovigen van de 21ste eeuw, blijvend moeten beheersen. Dit huidige leven gaat immers voortdurend voorbij aan het Leven (Leven met een hoofdletter) dat nooit voorbijgaat. Wanneer duisternis het geloof op de proef stelt, zelfs wanneer de nacht van het ongeloof zich lijkt uit te breiden in de wereld om ons heen en de ‘kleine kudde” zienderogen slinkt, moeten wij blijven waken, actief en zonder vrees, uitziend naar de Meester die Zichzelf bij ons zal uitnodigen om ons te bedienen.

Uit; Gemeenschapsmissaal, Postel, blz. 992-993.

 

Preek en Artikelen Legioen Kleine Zielen

Preken en Artikelen op website Legioen Kleine Zielen Nederland

Mgr J.P. Delville: Brief aan de kleine zielen
Pater Marcel: Wij gaan binnen in het heilig Jaar van de Barmhartigheid
Mgr. E. de Jong: De Barmhartige liefde kwam opeens mijn leven binnen
* Mgr. E. de Jong: Jaar van Barmhartigheid
* Mgr. E. de Jong: Wie herinnert zich Marguerite niet?
J. de Coster: Het kruis: openbaring van Gods Liefde
J. de Coster: Inhoud van de Boodschap – deel 2
Pastoor M. Magnus: Het Eucharistisch Offer: centrum van heel ons gebedsleven
* Pastoor M. Magnus: Eucharistie als omvorming
Pater Hardon SJ: De Werkelijke Tegenwoordigheid van Jezus Christus in de H. Eucharistie
* Prof. Mag Dr. J.P.M. van der Ploeg O.P.: De H. Eucharistie
* Z.E.H. Luc Vanstraelen: H. Maagd Maria: ‘Ster van Hoop en Vertrouwen’

Pastoor A. Ory
Als gij niet opnieuw wordt als kleine kinderen
Wolven… binnen de omheining
De Boodschap lezen is bidden
Tekenen van Hoop 
De teloorgang van het geloof
De priester in het gedrang
De deugd van zuiverheid
De sleutel van het Rijk der Hemelen

Proost van Nederland Pastoor Burger
* Nationale Proost van Nederland: Pastoor Burger
‘Het zit in het bloed’ – bij Maria zit het níet in het bloed 
* Kindlief, ontvang de zalving van Mijn Geest
* Vaste Hoop, vrucht van geloof
* Ik geloofde in Gods liefde
* Zie, de dienstmaagd des Heren
* De kleine ziel en de Heilige Communie
* De Goddelijke Barmhartigheid
* Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt
* De Heilige Familie met de engelen. Rembrandt van Rijn, 1645
“Zalig de armen…” (Lc. 6,20)
* Pater Pio: Wees goed – wees ootmoedig – wees eenvoudig – wees zuiver

Marguerite
* Rouwbrief Marguerite z.g.
* Toespraak van Marguerite te Chèvremont

R. Jaouen 

* De Barmhartige Liefde zal zegevieren met medewerking van kleine liefde-kinderen
Wie is verantwoordelijk voor het goed of het kwaad?
* Uitspraken van Jezus over de kapel van de Barmhartige Liefde te Chèvremont
Boodschap: Priesters zorgt voor de zielen!

Sprokkels uit de Boodschap: 12 augustus 1965
Sprokkels uit de Boodschap: 24 april 1969
Sprokkels uit de Boodschap: 2 mei 1971
Sprokkels uit de Boodschap: 17 maart 1977  en  8 april 1977
Sprokkels uit de Boodschap: 29 maart 1979

Zestiende zondag door het jaar C 2019

Inleidend woord 

Er zijn heel wat quasi-gebeden, waarin men klaagt over de tekorten van anderen. Zoiets maakte Jezus mee, toen Hij te gast was in het huis van Martha en haar zus Maria. Martha stelde zich nogal dwingend en verwijtend op. Geïrriteerde mensen spreken al snel en bij herhaling over hun eigen gevoelens, en delen bevelen uit: “Mijn zuster laat mij alleen bedienen; zeg haar dat ze mij moet helpen”. Jezus laat zich niet voor het karretje van Martha spannen, maar spreekt haar aan op haar ongeordendheid: “Wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen.” De zorgen voor het voorbijgaande niet zo op ons laten inwerken, dat we het beste deel, het enig noodzakelijke, uit het oog verliezen: het luisteren naar het Woord van de Heer.

Preek

Gastvrijheid is een mooi woord. Het is prachtig, als je weet, dat je ergens altijd welkom bent; dat er mensen voor je gereed staan en je nemen zoals je bent; als je een plek hebt waar je eens je verhaal kwijt kunt. Gastvrijheid kan men echter niet afdwingen. Het is een geschenk en men moet er voorzichtig mee omgaan. Op deze zondag mogen wij twee verhalen over gastvrijheid beluisteren. Twee bijzondere verhalen omdat in beide verhalen God Zelf de Gast is. In de regel van vele kloosters staat, dat zij een vreemdeling minstens één dag kost en onderdak moeten aanbieden, want stel dat het God zelf is die in de gedaante van de vreemdeling aan de kloosterpoort aanklopt.

In vele culturen neemt de gastvrijheid een belangrijke plaats in. Zo ook al ten tijde van Abraham. De eerste lezing vertelt, hoe drie mannen bij de tent van Abraham aankomen. Meteen liep hij van de ingang van zijn tent naar hen toe. Hij boog diep en zei: “Wees zo welwillend uw dienaar niet voorbij te gaan. Ik zal water laten brengen; was uw voeten en rust uit hier onder de boom. Ik zal brood voor u halen om u te sterken voor uw verdere reis; gij zijt niet voor niets bij uw dienaar langs gekomen.” Abraham buigt voor zijn gast. Hij geeft zijn gast een blijk van eerbied. Onbekend en toch zo met eerbied behandeld. Het zijn heel bijzondere gasten vandaag en zij hebben voor Abraham en Sara een bijzondere boodschap.

martha-en-maria

Gastvrij zijn ook Martha en Maria. Ook over hen is veel geschreven en gedacht. Het evangelie van deze zondag corrigeert ons als praktisch ingestelde mensen. Wij willen wat doen, wat iedereen kan zien en wat indruk maakt op de ander en zoden aan de dijk zet. Zo is Martha bezig om haar gast Jezus van eten en drinken te voorzien. Dat is belangrijk werk. Daarover dus geen misverstand. Aan mensen als Martha en de barmhartige Samaritaan zal de samenleving steeds behoefte hebben. Jezus vraagt deze inzet van ons voor de ander. Maar vandaag wil Hij verhelderen, dat niet alleen drukke activiteit, maar dat ook rustige, persoonlijke aandacht voor de gast behoort bij de zorg voor onze naaste. Luisteren naar iemands woord, ontvankelijk zijn voor zijn verhaal horen ook bij de gastvrijheid, maar het kan op sommige mensen de indruk maken van niets doen en luiheid. Terwijl Martha in beslag genomen wordt door de drukte van het bedienen, zit Maria aan de voeten van de Heer en luistert naar Hem. Maar juist dat stoort Martha. Haar zus doet niets. Zou Maria haar niet beter kunnen helpen? vraagt zij op een verwijtende toon.

Vorige week werd de vraag gesteld: ‘Wie is mijn naaste?’ Deze week staat de gedachte centraal: “Op welke manier besteed ik aandacht aan mijn naaste? In het evangelie van vandaag is Jezus de naaste. Hij is de gast van Martha en Maria. Maar Martha krijgt van Jezus te horen: “Martha, Martha, wat maak je je druk.”

Jezus geeft nooit alleen een gewoon lesje in omgang met elkaar. Jezus graaft steeds dieper. Wij moeten daarom het evangelieverhaal ook toepassen op ons gelovig leven, want het is Jezus die gast is. Ons gelovig leven kent zijn activiteit; onze inzet voor de naaste, onze goede werken, maar men zou kunnen vergeten om wie het gaat? En Wie ons daartoe inspireert en de opdracht geeft? Want Jezus is het die ons vraagt om van tijd tot tijd gewoon naar Hem te luisteren. Op menigeen maakt bidden – het verblijven bij Jezus in gebed – de indruk van niets doen. Wat levert ons dat op?

Jezus berispt Martha, niet omdat zij Hem goed en gastvrij ontvangt op zijn vermoeiende tocht. Jezus zal zeer zeker dankbaar geweest zijn voor Martha’s zorg, maar hij merkt dat haar werk belangrijker geworden is dan Hij als haar gast. Jezus daarentegen prijst Maria, want zij heeft aandacht voor de gast. Zij luistert. Maria heeft de Heer Jezus Christus gekozen als het middelpunt van haar leven. Bij Hem vindt ze bezieling. Bij Hem vindt ze kracht.

Ora et labora, bid en werk. Zo staat er in vele kerken en kloosters te lezen. Welnu, laten wij Jezus de plaats geven die Hem toekomt. Amen.

Vgl. Bid24uur


 

15de zondag door het jaar – C

loveInleidend woord

God beminnen en de naaste om het eeuwig leven te verwerven. Op de vraag van de wetgeleerde; “Wie is mijn naaste?” antwoordt Jezus met een gelijkenis over de barmhartige Samaritaan, waaruit blijkt, hoe men zelf moet zijn om een naaste genoemd te kunnen worden. Niet voorbij gaan aan de mens in nood. Terwijl de vertegenwoordigers van het uitverkoren volk – priesters en levieten – in een boog om de lijdende mens heen gingen, kreeg de Samaritaan medelijden. Het Griekse woord voor ‘medelijden’ wordt in het Evangelie alleen gebruikt om de barmhartigheid van God en van Christus aan te geven. Jezus, door medelijden bewogen, wordt de redder van de mens in nood. Men moet niet alleen de naaste liefhebben als zichzelf, maar ook God beminnen en van de naaste houden, zoals God van ons houdt in Jezus Christus.

Preek

Wie is mijn naaste? Zo luidt de vraag aan Jezus. Als antwoord hoorden wij de parabel van de barmhartige Samaritaan. Het is geen waar gebeurd verhaal, maar een gelijkenis. Je zou zo’n verhaal ook kunnen beginnen met de zin: “Stel je voor dat…”. “Stel je voor dat er een man op weg gaat van Jeruzalem naar Jericho.”

Zovelen van ons gaan op vakantie. Waarschijnlijk wel wat verder dan deze voetreis van Jeruzalem naar Jericho. Misschien gaat de reis naar verre en exotische landen. Er moet dan een goede voorbereiding plaats vinden. Je moet je verdiepen in de risico’s, die zo’n reis met zich meebrengt. Waarop moet ik me voorbereiden? Hoe zijn de wegen, hoe de hotels? Kan het er gevaarlijk zijn? Moeten er inentingen plaats vinden tegen enge ziektes zoals malaria of insectenbeten? Waarom ga je op reis? Is het gewoon om eens lekker ver weg van huis te zijn? Is het vanwege zon, zee en strand? Is het vanwege de bergen of is het vanwege de mensen die er wonen? Zijn wij in mensen geïnteresseerd? De wereld is klein geworden.

We ontmoeten in onze eigen omgeving en elders steeds vaker kleurlingen van vreemde herkomst. Wij kunnen natuurlijk aan deze mensen voorbij lopen. Maar mogelijk raken wij in hen geïnteresseerd, want iedere mens heeft een levensverhaal van vreugde en verdriet. Bij iedere mens hoort een familie: vader, moeder, maar ook eigen kinderen. Wij stellen de vraag: Wie zijn zij en waar komen zij vandaan? Gaat ons hun leven ter harte? Zien wij de vraag op hun gezicht: Wil jij hier mijn naaste zijn?

“En wie is dan mijn naaste?” vroeg de schriftgeleerde in het evangelie. Hij stelt deze vraag, omdat hij zich uit de verlegenheid wil redden, nadat Hij aan Jezus de vraag gesteld had: “Waar komt het in het leven op aan?” Jezus had daarop gezegd: Heel eenvoudig: “Gij zult de Heer, Uw God, beminnen met hart en ziel en verstand en de naaste als jezelf.” Het ons zo vertrouwde antwoord heeft deze vrome jood zeer verbaasd, want hij had een antwoord verwacht over het naleven van voorschriften en wetten, die het joodse geloof in zo grote getale kende. Zeker de schriftgeleerden kenden deze voorschriften en hielden ze met grote toeleg aan de mensen voor als de weg naar het heil. Die andere benadering van de liefde door Jezus roept daarom begrijpelijkerwijze vragen op: wie is dan mijn naaste? Ik kan toch onmogelijk met iedereen rekening houden? Ik kan toch onmogelijk mij voor iedere mens verantwoordelijk voelen? Ik kan toch onmogelijk de naaste even lief hebben als ik mijzelf lief heb. Eerst ik en daarna de ander.

De gelijkenis is een bekend verhaal. Voor ons misschien een versleten verhaal. Het vertelt van de huichelachtige priester en tempeldienaar en van een oprechte Samaritaan. Wij hebben dit verhaal waarschijnlijk te pas en te onpas op anderen toegepast om zelf buiten schot te blijven. Maar Jezus vraagt steeds: “Wie beschouw jij nu als je naaste?” En waarschijnlijk zou Jezus óók óns een lastig verhaal vertellen, dat ons waarschijnlijk zou doen blozen.

God beminnen en de naaste, dat is kort samengevat wat ons in deze wereld te doen staat. Als wij oprecht in God geloven, dan worden daardoor onze zintuigen extra gevoelig gemaakt voor de nood van onze medemensen. Dan raken wij geïnteresseerd in het verhaal dat bij elke mens hoort. Zeker als wij het eigen land verlaten en naar de vreemde trekken en er onbekende mensen ontmoeten. Het is de kans om te laten zien, dat we christen zijn: mensen die geïnteresseerd zijn in andere mensen. Want wie oprechte liefde heeft tot Jezus, zal Hem ook dienen in de naaste. In die beroofde en uitgeschudde mens langs de weg, zoals in de parabel of in de mens uit den vreemde.

De vraag van de schriftgeleerde was: Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven? Wat is voor ons belangrijk om als gelovige te leven? Het antwoord is hetzelfde: Gij zult God beminnen en de naaste als uzelf. Amen.

Vgl. Bid24uur

 

Veertiende zondag door het jaar C

Inleidend woord

Jezus had zijn leerlingen uitgezonden met een bijna onmogelijke opgave. “Ik zend u als lammeren tussen de wolven. Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel”. Het leek op voorhand een ongelijk gevecht. Maar ze keerden van hun gevaarlijke tocht terug – op zich al een wonder – en nog wel vol blijdschap. Ze klagen niet over tegenwerking of gevaren onderweg, maar rapporteren alleen, hoezeer Jezus werkzaam was in hun handelen op hun tocht. Een aansporing voor ons, om met zulke ogen onze levenstocht te beleven: niet treuren over wat ons is aangedaan, maar ons verheugen over wat de Heer in en door ons aan goeds tot stand brengt. Brengen wij Hem nu dan dank in deze viering van de Eucharistie.

Homilie

“Ik zend u als lammeren onder de wolven”

De lezingen van deze zondag spreken tot ons over het vertrouwen in God en tevens over onze plicht om het evangelie te verkondigen.
In de eerste lezing van de profeet Jesaja hoorden wij: “Zoals een moeder haar kind troost, zo zal ik u troosten. Gij zult gedragen worden op de arm, vertroeteld op de schoot!” (Jes. 66, 10-14).
Is ons vertrouwen in God, zoals dat van een kind in de armen van zijn moeder? Dat is niet gemakkelijk.
In het evangelie hebben we geluisterd naar het verhaal van de 72 leerlingen die door Jezus worden uitgezonden om zijn weg voor te bereiden. Twee aan twee. Er is veel werk voor weinig arbeiders. En zij gingen allemaal erop af.
Op het eerste gezicht kan het lijken dat dit niet veel te maken heeft met vertrouwen in God. Als je het nader bekijkt zie je hoe Jezus zijn leerlingen vraagt om een absoluut vertrouwen te hebben in Gods macht.
“Ik zend u als lammeren onder de wolven” (Lc. 10, 1-19).
Als lammeren onder de wolven, is een sterke uitdrukking. Dat betekent gevaren. Kunt u zich voorstellen wat het is een aantal lammeren tussen wolven op een open veld?
En wat hebben ze meegemaakt? Zij keerden vol blijdschap terug. Zij hadden wonderlijke dingen zien gebeuren. Als de apostelen enig succes hebben in hun werk dan ligt het niet aan hen, maar aan de macht van God.
Ook wij al christenen in de 21e eeuw zijn door God geroepen om bij te dragen aan de verkondiging van het evangelie. Veel van onze vrienden en kennissen hebben misschien wel over Jezus gehoord, maar zij doen daar verder niets meer mee. Sommigen zoeken hun heil in horoscopen, in spiritistische sessies, in vreemde geloven. Kunnen we hen niet helpen om te ontdekken dat alleen maar Christus de verlosser is?
Christus is God. Na de Franse revolutie rond het jaar 1800 probeerde men allerlei christelijke waarden naar de achtergrond te schuiven. Er was iemand die probeerde en eigen godsdienst te ontwerpen. Op een dag had deze man een ontmoeting met Napoleon en vertelde hem dat. Dat hij teleurgesteld was dat zijn godsdienst geen wortel wilde schieten. Napoleon zou tegen hem gezegd hebben: wilt u concurreren met Jezus Christus? – Dan zou u zich kunnen laten kruisigen en drie dagen later weer opstaan uit de dood.
Alleen Christus is werkelijk God en daarom kan hij ons uitnodigen om zijn leer over de hele wereld te verkondigen. Hoe zullen we dat doen? Om de boodschap van Jezus te verkondigen dienen we zelf vol van Hem te zijn. Door te bidden, door het regelmatig ontvangen van de sacramenten: vooral de biecht en de eucharistie.
Wij zullen ook wonderen zien: dat wij zelf meer van God gaan houden, dat andere mensen besluiten open te staan voor God en zijn Kerk.
Welke weg heeft Jezus voor ons uitgestippeld? Dat wij God liefhebben en de naaste uit liefde tot God. Alleen als Hij ons helpt kunnen we in alle omstandigheden liefhebben.
Liefde betekent dienen. Liefde is geven en zichzelf geven. We geven wat we zijn en wat we hebben: tijd, geld, talenten, vaardigheden, al uw energie, bezit… Wat zou van onze kerkgemeenschap zijn zonder zoveel mensen die dit doen?
En wat nog meer? De werken van barmhartigheid zijn een goede samenvatting van onze inzet voor het evangelie. Aan armen te eten en te drinken geven door geld aan goede doelen te schenken. Aandacht voor de ontheemde, voor de dakloze. Als ik met hen te maken krijg: probeer ik ze met respect en liefde te bejegenen? Zieken en bejaarden bezoeken. Dat we de nood van de mensen niet onverschillig toeschouwen. Het verdragen van de fouten van onze naaste wetend dat we die zelf ook hebben. Bidden voor levenden en overledenen. Als wij dat doen zal het evangelie spreken uit ons handelen.
Dit is een heel programma dat ons hele leven nodig heeft om te bereiken. We moeten voortdurend blijven leren. Besteden we tijd aan het lezen van het evangelie? Hebben wij thuis de catechismus van de Kerk om antwoord te vinden op levensvragen? Boeken of tijdschriften, goede websites met correcte informatie… Dit zijn middelen die ons zullen helpen om “verantwoording te geven aan wie ons rekenschap vraagt van de hoop die in ons leeft” (1 Pet. 3,15). Zonder te vergeten dat de evangelisatie alleen maar mogelijk is als Jezus in ons leeft. En erop vertrouwend dat wij een opdracht van Jezus zelf vervullen.

Bron: Rojeda