33e zondag door het jaar A

Wij hebben talenten en gaven gekregen

gods-giftDe één kan goed praten en een ander goed luisteren; de één is goed in schilderen en een ander is goed in studeren. Ieder heeft zo zijn eigen talent gekregen.

Soms voelen wij ons minder bedeeld met talenten in vergelijking met anderen. Het vergelijken met anderen is een bron van onrust voor ons geestelijk leven. Wij zien bijvoorbeeld iemand met goede communicatieve eigenschappen. Dan zuchten wij: “Waarom heb ik dat niet?” Of wij merken op dat iemand zijn geduld niet verliest in een moeilijke situatie. “Waarom ben ik zelf zo ongeduldig”, vragen wij ons dan af. Wie steeds naar anderen kijkt en zich met hen vergelijkt kan het gevoel voor eigenwaarde verliezen. Want het lijkt of de anderen beter bedeeld zijn met talenten, dan ik zelf. Dit kan aanleiding worden voor zelfbeklag; ‘ik voel mij onderbedeeld’. Ach, ik beklaag mijzelf: arme ik!

En met dat gevoel gaat de levensvreugde naar de knoppen. Je bent op weg om een klager en een piekeraar te worden. Maar zitten wij dan niet gevaarlijk dicht bij het straatje van de knecht met het ene talent uit de gelijkenis? Ja, dat komt dan wel heel dichtbij. En hoe schildert Jezus de geestesgesteldheid van deze ene knecht? Hij schildert hem niet af als een stakker, als iemand die onrechtvaardig behandeld is. Nee, ook hij kreeg zijn talent naar de maat van zijn bekwaamheid. Zijn gemopper dat zijn Heer ‘een hard mens’ is, is een belediging van de goedheid van zijn Heer. Deze knecht leeft in wantrouwen ten opzichte van zijn Heer. En hij ziet niet in dat zijn Heer – door hem het ene talent te geven – veel in handen heeft gelegd. Hij miskent dus de goedheid van zijn Meester en verbergt zijn talent in de grond.

Wie in wantrouwen leeft, heeft het moeilijk met zichzelf, met anderen en ook met God. Hoe kun je ontkomen aan die valkuil? Dat kan alleen door God Gód te laten zijn. Wij moeten ons altijd weer bekeren tot de ware en levende God. Wij moeten in diep geloof belijden dat God goed is en ons naar de maat van onze draagkracht een aantal talenten in handen heeft gegeven waarmee wij moeten werken.

Trouwens, één belangrijk ding mogen wij hierbij niet over het hoofd zien, namelijk dat er naast talenten ook nog gaven bestaan. Een talent is ons geschonken, het is ons eigendom, en kunnen het laten groeien door er aan te werken.

Daarnaast geeft God gaven aan ons die van Hem zijn, die Hem toebehoren, zoals de genadegaven van Geloof, Hoop en Liefde.

Met ons Doopsel kregen wij het beginsel van deze gaven meegegeven, om ze tot ontwikkeling te laten komen.

Ook deze gaven moeten wij laten groeien. En zoals met een talent van onszelf, geldt ook voor de gave die God ons geeft: in de mate dat wij het gebruiken, ermee werken, in die mate groeit de gave uit tot een Godsgeschenk, tot een geloofshouding.

Laten wij daarom onze talenten en Gods-gaven niet wegstoppen maar uitdrukken door daden van geloof, hoop en liefde.


Uit; Bezinning op het Woord, Roermond, November 2017, blz. 40-41. Bewerking door pastoor Geudens

 

Advertenties

32e zondag door het jaar A

Wijsh. 6, 12-16 en 1 Tess. 4, 13-18 en Mt. 25, 1-13


The Ten Virgins Parable Be Ready“Misschien, dat ik dat later nog wel eens doe: wat meer naar de kerk gaan, meer bidden, meer over God nadenken. Als je jong bent, heb je daar niet zo’n zin in. Dan heb je het zo druk met andere dingen. Wij zijn jong; wij hebben een leuke baan. We verdienen aardig. Onze liefhebberij is reizen. Kinderen, jawel, maar nou nog niet; we willen eerst genieten. We houden ons met niemand in de buurt op. Ik ken de mensen eigenlijk niet. We werken de hele dag en s’ avonds is er ook nogal eens iets en anders zijn we blij de gordijnen dicht te kunnen trekken”.

Zomaar wat uitlatingen van mensen, die je nogal eens hoort. Dat is het wat het leven van veel mensen in hoofdzaak bepaalt: werk, geld, feest, plezier, vakantie kleding. Daar draait het om. En zelfs bij de mensen, die wel tijd inruimen voor God en de medemens, lijkt die tijd ook steeds minder te worden. Wie besteedt er nog extra tijd door de dag aan gebed. Een keer in de week naar de kerk vinden we al een hele prestatie. Vrijwilligers die zich echt in willen zetten, zijn er nog moeilijk te vinden.

En allemaal noemen we ons christenen. Is dan elk leven even goed? Kan ieder leven de toets van de kritiek doorstaan; en dan bedoel ik niet de toets van de menselijke kritiek die heeft maar een heel betrekkelijke en soms zelfs helemaal geen waarde; nee, ik bedoel de toets van de goddelijke kritiek. Of God ons leven goedkeurt, daar gaat het om. Niet om wat ik of de buurman vindt. God oordeelt. Jazeker God oordeelt, zegt Jezus.

De mensheid lijkt op tien meisjes. Zij zijn op weg naar het bruiloftsfeest. Ze zijn op weg naar de hemel. Alle mensen willen best in de hemel komen. Maar niemand weet wanneer het bruiloftsfeest zal beginnen. Plotseling, jong of oud kun je voor Christus komen staan. En dan moet je lamp brandend zijn, zegt Jezus. Dan moet je leven de moeite waard zijn bij God. Je moet voldoende reserves hebben. Als je die niet hebt, dan is er niets meer aan te doen. Dan ben je te laat, dan klinkt zelfs het harde woord van Jezus: je komt er niet in, want ik ken je niet.

Wat is dan die brandende lamp, wat is dan die olie? In feite is dat de liefde tot God en de liefde tot de mensen. Heb je daar in je leven voldoende reserves in opgebouwd. Als je alleen maar kunt zeggen: “Ik heb heel de wereld gezien; ik heb genoten van het goede der aarde; ik heb feest gevierd en ’s avonds televisie gekeken. Naar de kerk gaan, bidden, vrijwilligerswerk, kinderen krijgen, zieken bezoeken, daar ben ik nog niet aan toe gekomen”; dan sta je met lege handen voor Christus. Dan zegt Hij: ik ken u niet. Dan onderga je het lot van die rijke, die dacht dat het leven bestond in volle graanschuren en die stierf toen hij ze volgestouwd had of de rijke vrek, die de arme Lazarus niet eens zag liggen. Dat zijn de vijf onverstandige meisjes.

Er zijn echter ook mensen, die wel reserves opbouwen: voor wie het geloof een serieuze zaak is waar men voor kiest en tijd in investeert. Die God en de medemens het zwaarst laten wegen: die uit liefde tot God tijd vrijmaken voor gebed en sacramenten; die een open oog hebben voor de nood van hun medemensen. Voor wie een huwelijk en een gezin belangrijker zijn dan werk. Voor wie de zorg voor de kinderen boven geld en plezier gaat. Mensen die offers durven brengen voor de dingen die het belangrijkste zijn in het leven. Die mensen hebben hun lamp brandend en die hebben genoeg reserve. Zij zijn rijk bij God. Zij kunnen gerust slapen. Want ze zijn steeds klaar om voor Christus te verschijnen.

Belangrijke dingen in je leven uitstellen ter wille van oppervlakkiger dingen of er gewoon niet aan toekomen, omdat je opgaat in de voorbijgaande dingen, dat is levensgevaarlijk, zegt Jezus. Want gij weet niet op welk uur de afrekening komt. En dan is het te laat. Het evangelie is een oproep tot bekering voor ons allemaal. Sluit je aan, opnieuw, bij de verstandige meisjes. Zorg dat je rijk wordt bij God, dat je lamp brandend is, als de bruidegom komt, zodat je gerust kunt leven en gerust kunt sterven, omdat je weet, dat Christus jou kent en herkent als zijn leerling, die metterdaad in zijn voetstappen getreden is. Amen.

Bron


 

 

30e zondag door het jaar A 2017

GOD ONTMOETEN EN DE NAASTE

Niemand twijfelt eraan dat de liefde tot God het eerste en het hoogste gebod is en elke eerlijke mens zal ook aanvaarden dat hij zijn naaste moet liefhebben, zoals zichzelf. De moeilijkheid begint pas, wanneer je zoals deze wetgeleerde, de vraag gaat stellen: welk is het voornaamste gebod van de wet?

Jezus kan dingen die in de praktijk schijnbaar heel moeilijk op te lossen zijn, door een heel eenvoudig woord verhelderen, waardoor de dingen teruggeplaatst worden op hun diepste fundament. Wij denken b.v. aan zijn meesterlijk antwoord op de vraag: “Wie is mijn naaste?” Zo geeft Jezus ook hier weer een meesterlijk eenvoudig antwoord, door het tweede gebod gelijkwaardig te verklaren met het eerste gebod. De twee geboden stonden reeds in de Schrift, maar ze stonden wel apart, in een ander boek, op een andere bladzijde, zou je zeggen. Het gebod van de naastenliefde staat maar één keer op een tamelijk onbekende plaats in het Oude Testament (Lev.19,18) en dat koppelt Jezus hier onverbrekelijk met het gebod van de liefde tot God, zodat deze twee niet meer te scheiden zijn. Als je tegenwoordig een openbaar gebouw binnengaat, zijn daar vleugeldeuren, die ofwel samen open, ofwel samen dichtgaan, maar altijd samen. Zo is het ook met het gebod van de liefde tot God en de liefde tot de naaste, die twee komen samen in beweging. Als je tekort schiet in je liefde tot de naaste, schiet je ook tekort in je liefde tot God en als je tekort schiet in de liefde tot God zul je het gebod van de liefde tot de naaste nauwelijks nog kunnen vervullen. De rechten van de mens en de rechten van God zijn niet te scheiden.

In theorie zullen wij als gelovigen deze gelijkwaardigheid van de twee geboden wel aanvaarden, maar in de praktijk zullen wij vaak ertoe altijd toe neigen ze van elkaar te scheiden. Johannes zou daarop de vraag stellen: Hoe kun je zeggen dat je God liefhebt als je je broeder haat? Dan ben je een leugenaar. Want als je je broeder, die je ziet, niet liefhebt, hoe kun je dan God liefhebben, die je nooit gezien hebt?

En voor die mensen die in hun gebeden de liefde tot de naasten vergeten -gewoonlijk zullen zij dat zelf niet weten of zeker niet toegeven – kan dit evangelie een waarschuwing zijn. Door een gebed, dat los staat van de zorg om de naasten, kun je God niet bereiken. God zul je het gemakkelijkst ontmoeten door je liefde tot je medemens, hetzij dit je man, je vrouw, je kinderen of je buren zijn, hetzij dit de armen in ons midden, of de noodlijdenden in de wereld zijn. Maar een gebed zonder daad is leeg. De H. Jacobus zegt: «Zoals het lichaam dood is zonder ziel, zo is het geloof zonder de daad dood. Wat heeft het immers voor zin als je tegen een arme zegt: geluk ermee, houd je warm en eet maar goed, als je niets zou doen om hem in zijn stoffelijke nood te helpen?»
Het gaat niet over God òf de mens, over gebed òf actieve naastenliefde, maar over God èn mens, gebed èn naastenliefde. Deze twee zijn onafscheidelijk, gelijkwaardig zegt de Heer. De liefde tot God moet zich uiten in daden van liefde. De liefde tot de evennaaste moet zich steeds weer voeden door de liefde tot God.

PJ Lammers, Woord en leven, blz. 180-182.

A. Penne: H. Hubertus

HEILIGE HUBERTUS – ZEGENING VAN BROOD –

Op heel veel plaatsen in België en Nederland wordt begin november de Heilige Hubertus gevierd. De heilige Hubertus leefde in de zevende eeuw. Vooral het verhaal wat aan zijn bekering verbonden is, spreekt tot de verbeelding. De adellijke jonge kerel leidt aanvankelijk een heel werelds leven. Zelfs op Goede Vrijdag, een dag waarop iedereen denkt aan het verlossende lijden van onze Heer Jezus Christus, ging Hubertus jagen. Hij kwam een groot hert op het spoor en ging er achteraan met zijn honden. Net op het moment dat hij het dier wilde neerschieten, keerde het dier zich naar hem toe en zag hij een lichtend kruis tussen het gewei van het hert. Hij hoorde een stem die hem zei: “Hubertus, waarom verdoe je je tijd met dit soort bezigheden ? Van nu af zul je niet meer dieren vangen maar mensen”. De stem zei hem naar de heilige Lambertus van Maastricht te gaan. Het zou het begin zijn van een compleet nieuw leven. Hubertus zal uiteindelijk zijn leven omkeren, hij zal priester en bisschop worden van Maastricht. Hij zal de geschiedenisboeken ingaan als de bisschop die de bisschopszetel van Maastricht naar Luik heeft gebracht. Hij verkondigde het geloof in Brabant en in de Ardennen, in het zuiden van Nederland en in België dragen heel wat kerken zijn naam. Dat bijzondere verhaal is voor mij een mooi teken dat God elke mens graag in Zijn Liefde laat delen en daar ook bijzondere tekens in doet. Misschien zijn de tekens in de meeste mensenlevens minder spectaculair dan bij de heilige Hubertus maar toch geloof ik dat God enkele keren in elk mensenleven een bijzonder teken doet opdat we met Hem een levende relatie zouden aangaan. Elk mag zich met dit verhaal ook even afvragen op welke momenten ik Jezus in mijn leven dicht bij mij heb gevoeld.

In onze streken is het een oud gebruik om brood te zegenen op het feest van de heilige bisschop Hubertus. Het verhaal gaat terug op een legende dat de heilige Hubertus eens een kluizenaar had genezen van hondsdolheid door hem een brood te geven. Het brood wat gezegend werd en wordt op de feestdag van de Heilige Hubertus eten mensen niet alleen zelf maar geven het ook aan hun dieren, opdat ook de dieren geen hondsdolheid of razernij zouden krijgen. Sommigen zullen dit zien als een soort bijgeloof, anderen zullen zich afvragen of dat nog iets is voor deze tijd. Het zegeningsgebed over het brood wijst ons naar Jezus die het echte Brood voor ons leven is, die brood heeft uitgedeeld bij de wonderbare broodvermenigvuldiging en die op het Laatste Avondmaal ook brood heeft genomen en aan Zijn leerlingen heeft gegeven. Er wordt in dat zegeningsgebed gebeden dat door onze levende relatie met Jezus, het Levende Brood, onze echte honger mag gestild worden, dat we sterk mogen staan om te kiezen voor alles wat Hij van ons verlangt en dat we beschermd mogen zijn tegen alles wat ons kwaad kan doen. In dat gebed wordt ook gebeden dat we niet alleen voor onszelf zouden leven maar ook delende mensen mogen zijn. Als christen, als priester en bisschop heeft de heilige Hubertus op die manier getuigd van Jezus, het echte voedzame Brood voor ons leven en daarom is het goed om dat oude teken van die broodzegening te blijven stellen.

Het zegenen van het brood gebeurt in de Kerk met dit gebed: “Heer onze God, Schepper van de wereld, wij danken U voor het brood, de vrucht van de aarde en van menselijke arbeid. Uw Zoon heeft het brood gezegend en aan hongerigen te eten gegeven.

In Jezus Naam vragen wij U: zegen dit brood, stil onze honger en geef ons uw kracht, behoud ons voor alle gevaren en ziekten en leid ons op de weg naar het heil. Help ons niet alleen aan onszelf te denken, maar maak ons bereid anderen te helpen en onze eigen gaven te delen met onze medemens. Laat ons in gemeenschap met alle mensen uw goedheid prijzen, vandaag en alle dagen tot in eeuwigheid. Amen.”

A. Penne.

2017

29e zondag door het jaar, A, 2017.

WIJ WETEN NIET MEER WAT GOD TOEKOMT

Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en geef aan God wat God toekomt! De Joden hadden moeite met hun verplichting om aan de keizer de belasting te betalen. Zij beschouwden de keizer als een onrechtmatige bezetter van hun land.

Wij zijn meer in de tegenovergestelde richting terecht gekomen. Wij geven aan de Staat, vrijwillig of niet, wat de Staat van ons vraagt. Tegenover God staan we heel wat meer bevangen, zijn we heel wat meer geremd. Veel mensen weten eenvoudigweg niet meer wat aan God toekomt. De statistieken over geloofspraktijk liegen er niet om: veel mensen geven God niets meer. De belastingpenning was eigendom van de keizer, omdat hij de beeltenis en het opschrift van de keizer droeg. Op dezelfde wijze zijn de schepping en de mens eigendom van God, want heel de schepping is het werk van zijn handen, zij draagt het zegel en het opschrift van God. En de heilige Schrift zegt heel uitdrukkelijk dat de mens geschapen is naar het beeld en de gelijkenis van God. Zo behoort alles aan God toe. Alles moet dan ook terugkeren naar de Schepper.

Wij weten heel duidelijk wat de Staat toekomt, het is door de wetten geregeld en de Staat controleert het onderhouden van die wetten. Als wij de wetten vervuld hebben dan is de Staat tevreden.

Wat God toekomt, is veel moeilijker te bepalen, want God vraagt niet iets van de mens, Hij vraagt de hele mens. Wij mensen behoren God toe. Wij zijn zozeer Gods eigendom dat wij in Hem leven, bewegen en zijn. Elke slag van ons hart, elke ademhaling, elke goede gedachte komt van God.

Als wij eens ziek zijn geweest, zullen wij wel weer beter beseffen wat het zeggen wil: ik krijg weer een nieuwe dag om te leven, ik mag weer gaan werken, ik kan mijn handen en mijn voeten weer bewegen, God zij dank. God vraagt meer van ons dan elke dag een gebed zeggen, dan ’s zondags naar de Mis te gaan. Jezus moet in alles onze Heer zijn. Ook in ons gezin, in ons beroep, in onze vrije tijd moeten wij God geven wat Hem toekomt.
Heel het maatschappelijk leven behoort God toe. Het rijk van gerechtigheid en vrede, van waarachtigheid en liefde moet als gist werken in onze samenleving. Daarom is het onze plicht de hongerigen te spijzen, de naakten te kleden, de zieken te bezoeken, de gevangenen te verlossen.

Waar het erom gaat de onrechtvaardige structuren in deze wereld te veranderen, sluit ons geloof ook zeker een politiek engagement in. Zeker, wij mogen ons geloof niet vermengen met politiek. Maar ook in de politiek mag en kan de christen nooit zijn geloof vergeten. Wij kennen niet de tegenstelling òf God òf de keizer, wij hebben als geloofshouding èn God èn de keizer.

De christen is in twee werelden thuis, in de wereld van de maatschappij en in de wereld van de godsdienst. Hij moet de wetten van God en van de Staat eerbiedigen, natuurlijk in die zin dat men altijd meer aan God moet gehoorzamen dan aan de mensen.
Ook wij, christenen, moeten erom bekommerd zijn dat de goederen van de aarde eerlijk verdeeld worden, de aarde moet immers bewoonbaar worden voor elke mens, die erop leeft.

Ook heel de schepping hoort God toe. God geven wat Hem toekomt wil dan ook zeggen: zich inzetten voor het welzijn van de wereld, Gods schepping. Wij hebben als mens de opdracht Gods schepping te voltooien en de geschiedenis naar haar einddoel te brengen. De atoombom, de milieuvervuiling, de plantenvergiftiging zijn waarschuwingstekens voor de mens, van wat er kan gebeuren als hij zelf het lot van de schepping in handen wil nemen.

Wie bewust God geeft wat God toekomt, zal ook als het ware vanzelf aan de keizer geven, d.w.z. aan de wereld, de samenleving, de schepping; wat hun toekomt.

Bron: P.J. Lammers, Woord en leven, blz. 177-178.

14-de zondag door het jaar A

Zach. 9, 9-10 en Rom. 8, 9.11-13 en Mt. 11, 25-30

Een kenmerk van de christen, zegt Paulus in zijn brief aan de Romeinen, is dat zijn leven beheerst wordt door de heilige Geest, door de Geest van God. En die heilige Geest is een geest van liefde, van jezelf vergeten en gericht zijn op God en de naaste. Het is de Geest die Jezus totaal bezielde. De Geest waarvan Hij helemaal vol was. Daarom is het evenzeer de Geest van Jezus als de Geest van de Vader. Het is die heilige Geest die Jezus van de doden heeft opgewekt, zegt Paulus. Het is die Geest die eeuwig leven schenkt, ook aan ons, als wij die Geest toelaten in ons leven.

Daartegenover staat de geest van zelfgenoegzaamheid en egoïsme. De geest van de mens die op zichzelf betrokken is, die voornamelijk aan zichzelf denkt. Dat is de onheilige geest van deze wereld. Als je die geest je leven laat beheersen, dan ben je even vergankelijk als deze wereld, dan wordt je dood voor God. “Als gij zelfzuchtig leeft”, zegt Paulus, “zult gij zeker sterven. Maar als gij door de Geest de praktijken van de zelfzucht versterft, zult ge leven.” Het is het steeds terugkerend refrein in het nieuwe testament: als je kiest voor het voor de hand liggende, voor zoveel mogelijk naar je toehalen, het zoveel mogelijke bevredigen van behoefte, al die dingen waar we van nature toe geneigd zijn, dan zullen we alles verliezen in de dood (wie zijn leven wil winnen, zal het verliezen).

Maar als je kiest voor wat Jezus vraagt; voor geven in plaats van naar je toehalen, vergeven in plaats van altijd je gelijk halen, voor de ander in plaats van voor je zelf, voor God in plaats van voor de wereld, dan lijk je een hoop op te moeten geven, maar dan win je in feite alles (wie zijn leven verliest, zal het vinden).

Dat grote geheim van het evangelie, die omkering van alle waarden, die blijft verborgen voor de groten en de machtigen, die zo druk bezig zijn met hun carrière, met de opbouw van hun vermogen, met een positie verwerven in de maatschappij; ze blijft ook verborgen voor de wijzen en verstandigen van deze wereld, die geleerde boeken schrijven of verhandelingen houden vanuit de wijsheid van deze wereld die geen rekening houdt met God. Die wijsheid van het evangelie wordt geopenbaard aan kinderen, dat wil zeggen aan de eenvoudigen die niet vol zijn van zichzelf en dus nog openstaan voor God. Alleen die kennen God en zijn geboden via Jezus, de Zoon van God, de enige die God echt kent.

Het leven van een mens is niet altijd gemakkelijk. De lasten van het leven drukken soms zwaar. Het lijkt op een zwaar juk waaronder mensen soms gebukt gaan. Jezus zegt: kom bij Mij en Ik zal u rust en verlichting schenken. Jezus belooft ons juk mee te dragen als we bij Hem blijven. Immers zijn woord geeft troost en uitzicht, zijn sacramenten geven kracht.

Als Jezus zegt: neemt mijn juk op uw schouders, dan denkt Hij waarschijnlijk aan het feit dat de rabbijnen de Joodse Wet, de Thora; het juk van God noemden. De schriftgeleerden en Farizeeën hadden met hun vele bepalingen de Wet zo ingewikkeld gemaakt, dat het een ondraaglijke last was voor de gewone gelovige.

Daartegenover zet Jezus het juk van het evangelie, het juk van de heilige Geest, het juk van de liefde tot God en de liefde tot de naaste. Dat juk, zegt Jezus, is zacht en licht. Want de liefde weegt niet zwaar. Zelfs pijn en verdriet gedragen in liefde, worden lichter. Jezus leert ons zachtmoedigheid en nederigheid. Als we die zachtmoedigheid, die nederigheid van Hem overnemen, dan ruimen we plaats in voor de heilige Geest die rust geeft aan onze ziel. Amen.

www.mennenpr.nl

De liefde voor God is de norm

Dertiende zondag door het jaar A

2 Kon. 4,8-11.14-16a en Rom. 6,3-4.8-11 en Mt. 10,37-42

Gastvrijheid staat in het Oosten en dus ook in Bijbel hoog aangeschreven. Maar toch gaat het deze zondag om meer dan eenvoudige gastvrijheid. Elisa wordt door de Sunamitische vrouw gastvrij gehuisvest, omdat Hij een man Gods was. De gastvrijheid aan Elisa bewezen is zo een daad van gastvrijheid en liefde tegenover God zelf.

Dat wordt onderstreept door het evangelie, we lezen; “wie een van deze kleinen al was het maar een beker koud water geeft, omdat hij mijn leerling is, voorwaar, Ik zeg u: zijn loon zal hem zeker niet ontgaan.” Ook hier wordt de beloning gegarandeerd aan iemand die iets goeds doet aan iemand die een leerling van Jezus is: het is dan een daad van gastvrijheid en liefde tegenover Jezus zelf.

Elders in het evangelie zegt Jezus in het algemeen; “al wat gij aan de minsten der mijnen gedaan heb, hebt gij aan Mij gedaan”. Daar zegt Hij: zelfs wat je zonder aan Jezus te denken aan de armen doet, doe je feitelijk aan Hem, zonder dat je het in de gaten hebt.

Hier is het meer bewust: de welgestelde vrouw bewijst eer aan Elisa omdat hij een man Gods is; die een beker water geeft doet het omdat het een leerling van Jezus is die dorst heeft. Daarmee zegt de Schrift: eerbied en liefde voor mensen die nauw met God, met Jezus verbonden zijn, wordt beschouwd als eerbied en liefde jegens God, jegens Jezus. Dat wordt beloond.

God moet immers altijd in het middelpunt staan, ook in de omgang met je medemensen. En dan staat er heel scherp aan het begin van het evangelie van vandaag; “wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij is Mij niet waardig.” Betekent dat dat Jezus je zou dwingen in bepaalde omstandigheden op te houden van je vader of moeder, of van je zoon of dochter te houden? Nee, dat betekent het niet. Kinderen moeten onder alle omstandigheden van hun ouders blijven houden en ouders van hun kinderen. Dat staat buiten kijf.

Maar liefde is niet zomaar een gevoel, een emotie. Christelijke liefde is altijd de bezorgdheid en de inzet voor het echte geluk van de ander. Het houden van je kinderen, het houden van je ouders moet voor een gelovige gemotiveerd worden door de liefde voor Jezus. De liefde tot Jezus en dus ook tot God moet de liefde tot de naaste bepalen. Te vaak laten we ons echter leiden door natuurlijke emoties en noemen dat liefde. Van nature, en we zien het in de dierenwereld ook, heeft de ouder de neiging zijn kind altijd in bescherming te nemen. Dat doet een kloek met haar kuikens, een leeuw met haar welp.

Maar wat Jezus vandaag in het evangelie wil zeggen, is: als je je in de liefde tot je ouders, tot je kinderen alleen laat bepalen enkel door natuurlijke emoties, zonder daarbij je gevoelens te laten leiden door de liefde voor Christus, de liefde voor God, door de normen van hun liefde, dan mag je je eigenlijk geen christen noemen.

Wij zijn gedoopt, wij hebben de oude mens met zijn zonde afgelegd! Die is sacramenteel in het doopwater gestorven en wij zijn met Christus verrezen. Daarom moeten we onszelf beschouwen en gedragen als mensen die leven voor Gods liefde in Jezus Christus. Onze Heer. Amen.

Cor Mennen,  vgl. http://www.mennenpr.nl/zondag_13a.html

100-jarig jubileum parochie ‘H. Hart van Jezus te Nieuwenhagerheide’ op 2 juli

OPENINGSWOORD
Beste mensen, wij vierden afgelopen vrijdag het hoogfeest van het Heilig Hart van Jezus. In aanloop naar het 100-jarig jubileum van onze parochie ‘H. Hart van Jezus te Nieuwenhagerheide’ op 2 juli a.s. wil ik een overdenking uitspreken ter ere van het H. Hart van Jezus.
Wij kennen allemaal wel die uitspraak van Jezus in het evangelie: “Komt allen tot Mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt.” Wij mogen met al onze problemen bij Hem komen. En wij hebben allemaal wel wat. Geen mens is vrij van grote of kleine problemen. Ieder huisje heeft zijn kruisje.
Wij weten natuurlijk niet precies hoe en wanneer God ons zal helpen. Zijn wegen zijn wonderbaar en ondoorgrondelijk.
Wij weten in ieder geval allemaal zoveel van God af, dat wij ervan doordrongen zijn, dat Hij een heel grote liefde voor ons heeft, een groot Hart. Proberen wij in dat vertrouwen deze heilige Eucharistie te vieren. Belijden wij eerst ons eigen gebrek aan liefde.

OPENINGSGEBED
Laat ons bidden. God, wij hebben geen woorden om te zeggen hoe groot en hoe diep de liefde is, die Gij ons hebt betoond in het Hart van Jezus, uw Zoon. Leer ons verstaan dat wie bemint, zichzelf moet geven en dat uw liefde de kern moet worden van ons bestaan. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon, die… . Amen.

PREEK
“Komt allen tot Mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt.” We kennen deze tekst wel. En juist daarom bestaat het gevaar, dat wij de diepe inhoud van deze woorden over het hoofd zien. Laten wij daarom eens een stukje bijbelstudie verrichten.
“Komt allen,” staat er. Dat woord drukt een beweging uit. Een gaan van de plaats waar je bent naar de plaats waar Jezus is. We kunnen dat op twee manieren opvatten. Een lichamelijke tocht: je gaat naar de kerk waar Jezus lichamelijk aanwezig is onder de gedaante van brood en wijn.
En wij kunnen het zien als een geestelijke reis: je nadert tot Jezus, die leeft in de diepte van je eigen hart, in het hart ook van je naaste.
Wie zijn nu die “allen” die tot Hem mogen komen? Dat zijn de mensen, die “uitgeput zijn” en de mensen, die onder “lasten gebukt gaan.” Daar zit verschil tussen.
Het “uitgeput” zijn wijst meer op een innerlijk, een psychisch lijden. Een mens is als het ware een put met water. Bijvoorbeeld, andere mensen kunnen zo vaak een beroep doen op jouw goedheid, dat je op een gegeven moment jezelf helemaal gegeven hebt. Je bent leeg-geput, uitgeput. Je bent jezelf voorbijgelopen. Je energie is op.
Het “onder lasten gebukt gaan” zou kunnen duiden op een lichamelijk of materieel lijden. Mensen zijn hun leven lang gehandicapt, ziek. Zij gaan gebukt onder werkeloosheid. Zij dreigen hun huis uitgezet te worden vanwege niet meer af te betalen schulden. Maar vaak is het zo, dat geestelijk en lichamelijk lijden samengaan.
Wat zegt Jezus nu verder? “Komt allen tot Mij … en Ik zal u rust en verlichting schenken.” De rust is voor degenen, die uitgeput zijn. De verlichting voor hen, die onder lasten gebukt gaan. Beide soorten van “zieken,” zieken tussen aanhalingstekens, wil Jezus genezen.
Dan komen we toch weer even terug bij de vraag hoe God ons dan zal helpen. Het antwoord is: Hij doet het niet zonder onze medewerking! Hij zei immers: “Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.”

Wij zullen er zelf toe moeten besluiten zijn juk te willen nemen; dragen, en dan zullen wij het natuurlijk nog moeten doen ook! Wijzelf zullen moeten proberen te leren, inzicht te krijgen in wie Jezus is: een zachtmoedige en nederige God.
En dat is dan ook tegelijk het medicijn, dat Jezus ons geeft, het geneesmiddel, waardoor wij rust en verlichting zullen kunnen ervaren. Wij zullen in navolging van Hem moeten proberen zachtmoedig en nederig te zijn tegenover onze naasten, ja, ook tegenover onszelf!
Beste mensen, zoals gezegd, ieder huisje z’n kruisje. Wij hebben bijvoorbeeld mensen in onze omgeving, die ons – hoe dan ook – het leven behoorlijk zuur maken. Jezus zegt: neem dat juk op je schouders en wees zachtmoedig. Dat wil niet zeggen, dat je het maar allemaal goed moet vinden, zeker niet, maar wij zouden er niet opstandig onder moeten worden. Wij moeten de problemen niet met geweld te lijf gaan.
Wij hebben bepaalde talenten, die wij niet hebben kunnen ontwikkelen zoals wij eigenlijk wilden. Wij hebben bepaalde eigenaardigheden, waar wij ook zelf last van hebben, en wij kunnen er maar niet los van komen. Dan toch zachtmoedig zijn, d.w.z. niet kwaad worden op jezelf, op andere mensen en omstandigheden, die er de oorzaak van zijn. Proberen te aanvaarden dat je nu zo bent. Beseffen, dat God je wel tot iets beters roept, maar ook weten, dat Hij je aanvaardt zoals je nu nog bent.
Beste parochianen, een goede manier om vandaag het heilig Hart van Jezus nog eens te vereren is het bidden van de litanie van het heilig Hart van Jezus, een toewijding tot het heilig Hart te bidden, maar de mooiste manier van verering is zelf “hart hebben voor” God en voor mensen. Hart hebben voor, bij Jezus betekent dat: zachtmoedig en nederig zijn. Twee termen, die misschien helemaal uit de tijd zijn. We mogen het ook anders noemen, bijvoorbeeld: vriendelijk zijn en jezelf en anderen aanvaarden, maar hoe wij het noemen is niet zo belangrijk. Laten wij het in praktijk proberen te brengen en wij weten allemaal dat dat soms heel moeilijk is.
Laten wij echter deze twee deugden in onszelf proberen te verbeteren. Dan zullen wij inderdaad “rust en verlichting” ervaren.

De drie monniken en de H. Drie-eenheid

Naar een hoogfeest zoals Kerstmis of Pasen kunnen we lang uitkijken. Maar wie van ons kijkt verlangend uit naar het feest van de Drie-eenheid? Heeft het enige invloed op ons geloof en ons leven? In de oosterse kerken, vooral de Russische kerk, is dat anders. Het mysterie van de drie-ene God speelt daar een centrale rol. Ook in het gebed en het leven van alledag bij eenvoudige gelovigen. Ik las in het Nederlandse tijdschrift Kerugma een mooie legende uit de oosterse kerk in verband met de Drie-eenheid.

Drie eenvoudige monniken gingen op een onbewoond eiland een klooster stichten. Het waren natuurmensen. Ze hadden een primitieve boerderij. Ze konden lezen noch schrijven. Ook de meest bekende gebeden kenden ze niet. Dat kwam de bisschop ter ore en hij maakte zich zorgen over hun geestelijk leven. Hij charterde een boot en ging hen opzoeken. Met veel geduld besteedt hij een hele dag om hen te helpen het ‘Onze Vader’ van buiten te leren.

Met een goed gevoel vaart hij ‘s avonds terug. Hij geniet van de mooie avond op zee. Plots ziet hij tot zijn verbazing drie gestalten komen aanwandelen. Zomaar wandelend op het water! Toen ze dichterbij kwamen zag hij dat het de drie monniken waren. Ze klommen aan boord en vroegen: “Hoe was dat ook alweer, dat Onze Vader?” Vertwijfeld riep de bisschop uit: “Maar wat bidden jullie dan als monniken in godsnaam?” “Oh… gewoon”, zeiden ze. We zeggen: “God U bent met z’n Drieën, wij zijn ook met ons drieën, Heer ontferm U over ons.” Dat antwoord ontroerde de bisschop zozeer dat hij zei: “Ja, bidden jullie dat maar…want in dat korte gebed staat alles waarvoor we horen te bidden”.

Zoals bij God liefde wordt uitgewisseld en in hartelijke eenheid wordt beleefd, zo moeten we het ook nastreven. Onze God is geen eenzaat. Geen God alleen, die opgesloten in zichzelf leeft. Gods wezen is liefde, verbondenheid, relatie, uitwisseling.

Misschien kan het beeld van vader, moeder en kind ons helpen? Dat is ook een drie-eenheid. Liefde tussen man en vrouw die vruchtbaar wordt in het kind. Ouderliefde en wederliefde van het kind voor de ouders. Uitwisseling van onderlinge wederzijdse liefde. Drie en toch één. Eenheid in verscheidenheid.

In het boek Spreuken wordt zeer poëtisch de ‘Wijsheid Gods’, de Geest, bezongen. Als het troetelkind van de grote kunstenaar dat speelt voor zijn aangezicht. En die het een genot vindt om bij de mensen te zijn. God, de Vader, de grote Schepper. De verwekker van al wat leeft. De God die zich meedeelt. Die in liefde uitgaat. Die in heel zijn volheid leeft in Jezus, Zijn veelgeliefde Zoon. En die zich in ons hart uitstort. De H. Geest die ons bezielt.

Die drie monniken hadden gelijk met hun gebed. Ze vroegen om deel te mogen hebben aan het leven in de genadegave van God. Om opgenomen te mogen worden in die eenheid van Vader, Zoon en H. Geest. Als wij bewust en plechtig een kruisteken maken en hoofd, hart en schouders aanraken kunnen we als gelovigen ons geheel omgeven weten door de H. Drie-ene God. We kunnen beseffen dat ons leven niet is overgeleverd aan toeval of willekeur. Dat Gods leven-gevende genade ons gegeven wordt door de God van liefde.

Vgl. www.dominicanen.be