Maria Tenhemelopneming         

De grootste en meest vereerde heilige in de Kerk is een vrouw; de Moeder Gods Maria ver verheven in heiligheid en Godsnabijheid boven alle andere mensen.

Om die heiligheid gaat het in de Kerk, niet om je functie in de hiërarchie. Mensen worden in de Kerk niet zalig geprezen om aanzien en bestuurlijke macht. Het gaat om heiligheid van leven, om je toegewijd zijn aan God, om het vervullen van Zijn wil, daar wordt je grootheid en je belang in de Kerk uiteindelijk aan afgemeten: “Zalig Zij die geloofd heeft wat tot vervulling zal komen wat Haar vanwege de Heer gezegd is”. We mogen constateren dat de eerste en de hoogste in de Kerk – in de ogen van God – een vrouw is.

Een vrouw die voor alles leeft en durft te leven van Gods genade. Die zich in geloof overgeeft aan Gods roepstem en hoewel Ze niet begrijpt, durft te zeggen: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.” Dankzij dit gelovige, vertrouwvolle woord werd zij de Moeder van God, en begon in haar het heilswerk van God aan de mensen, begon in haar de verlossing werkelijkheid te worden.

En wat is dat verlossingswerk? Wat moest er opgeruimd worden dat als een barrière tussen God en mens in staat: dat is de zonde en dat is de dood. Door zijn lijden, sterven en verrijzen is Christus het Lam geworden dat de zonden van de wereld wegdraagt, heeft Hij plaatsvervangend de schuld voldaan die de mensheid van God scheidde. Hij is de nieuwe Adam geworden in wie wij door geloof en doopsel tot nieuwe mensen, tot kinderen van God herboren worden. En als de zonde is weggenomen, dan heeft ook de dood zijn angel verloren; dan is de dood overwonnen en liggen verrijzenis en eeuwig leven voor de mens open. Dat is de verlossing.

Omdat Maria in geloof beantwoordde aan Gods genade-aanbod en door haar ja-woord de menswording en daarmee de verlossing mogelijk maakte, heeft God in zijn genade de verlossing aan Maria reeds vooraf volledig voltrokken. Vanaf het begin was Zij zonder de smet van erfschuld ontvangen; vanaf het begin was Zij zonder zonde; een waardige reine Tempel voor de Zoon van God.

En omdat Zij zonder zonde was vanaf het begin, kon het bederf van de dood haar lichaam niet aantasten. En daarom leert de Kerk dat Maria als eerste en allerheiligste van de gelovigen ten volle in de verlossing deelt en met ziel en lichaam ten Hemel is opgenomen, terwijl alle andere heiligen de verrijzenis van het lichaam op het einde van tijden nog verwachten.

Maria is daarmee de eerst-verloste en het beeld van de hele Kerk. Evenals de Kerk wordt Zij moeder genoemd van alle gelovigen.

De Kerk is onze Moeder, omdat zij door het water van de doop ons doet worden tot kinderen van God in Christus. En als een Moeder leert de Kerk haar kinderen door het Woord hoe ze moeten leven. Als een Moeder bidt de Kerk voortdurend voor haar kinderen en heiligt hen door de sacramenten.

Ook Maria is onze Moeder, omdat Zij de Moeder van Christus is en omdat door Christus zelf aan het kruis haar moederschap is uitgebreid over alle gedoopten. Ook Maria wijst ons zoals op de bruiloft van Kana voortdurend naar Jezus; “doet maar wat Hij u zeggen zal”. Ook Maria is een voortdurende voorspraak voor haar kinderen en niemand neemt tevergeefs zijn toevlucht tot haar moederlijke zorg.

De vrouw uit de eerste lezing van dit feest is Maria. Zij is bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij, Maria, ontsnapt aan de aanval van de Satan, van de vuurrode draak die zoveel macht op aarde heeft. Zij wordt weggevoerd naar het hemelse Jeruzalem waar God alles nieuw heeft gemaakt.

De grootste in de Kerk is de heilige Maagd, Maria. Aan haar alleen is de verlossing reeds volledig werkelijkheid geworden. Zij is ons voorbeeld, zij is onze troost. Zij is de Moeder die reeds thuis is bij God, maar die door haar moederlijke zorg en voorspraak ons, haar kinderen, die haar vereren, omringt totdat ook wij thuis zijn. Amen.

>>> mennenpr.nl

Advertenties

18de zondag door het jaar B 2018

Jezus de honger van ons hart

Brood en spelen, beste gelovigen, daar kun je mensen mee rustig houden. Dat wisten de oude Romeinse keizers al. Als je de mensen maar volop te eten geeft en je geeft ze vermaak, dan zijn ze tevreden. Dan komt er geen opstand. Dan vragen ze gewoonweg niet verder.

Het manna van de welvaart ligt hier in onze tijd voor het oprapen. We kopen en vermaken ons. Brood en spelen. En velen, zeer velen, zijn daarmee tevreden en vragen niet verder. Veel harten zijn echter dor en de geesten leeg en God is ver weg. Sommigen zeggen zelfs, dat Hij dood is, dat Hij niet zou bestaan…

En geen wonder, hoe kun je ook de levende God zien, als je buik je afgod geworden is? Maar zo snel als er een kink in de kabel komt, wanneer brood en spelen hun belangrijkheid verliezen, bijvoorbeeld bij ziekte, ongeval, eenzaamheid, dood, dan is er opeens geen uitzicht meer. Alleen maar opstandigheid en verwijt…

Het manna van de welvaart, beste gelovigen, is niet het ware brood uit de hemel.

In het evangelie van deze zondag zien we dat de mensen die Jezus achternalopen in de richting van Kafarnaum ook alleen maar oog hebben voor het brood dat hun magen vult. Jezus had ze veel te eten gegeven. Ze zijn enthousiast. Brood en spelen-enthousiasme, zegt Jezus. “Jullie zijn alleen maar uit op brood, dat de maag vult. Eet liever brood, dat jullie hart en geest voedt. Dat wil Ik jullie geven. Dat is het ware brood uit de hemel, waarvan je nooit meer honger krijgt dat eeuwig leven geeft”.

En dan zagen we als reactie: “Geef ons van dat brood. Zo’n wondermiddel willen ze wel eten. Brood dat eeuwig leven geeft”. Jezus antwoord luidt: “Ik ben het brood des levens. Mij moet je eten. Mijn Boodschap, mijn leven moet je helemaal in je opnemen. Dan zul je gelukkig zijn, dan zul je pas echt leven, met God verbonden.

Jezus eten betekent dan; je hart en je geest voeden met zijn Geestkracht. Het leven leven zoals Hij deed. Niet te veel stilstaan bij materiële dingen, maar stilstaan bij de mensen uit liefde. Weten dat God altijd bij je blijft, in voorspoed en in tegenslag. Dat God nooit dood is, omdat we biddend in de stilte van ons hart zijn aanwezigheid voelen.

Jezus eten is dus offers brengen, lijden, ziekte, narigheid en dood aanvaarden, wetend, dat God je nabij is en je door lijden en dood heen omvormt tot de dezelfde heerlijkheid als van Hem. Ja, Jezus’ Woord, zijn Boodschap is ons brood. En er is nog meer. In deze H. Mis geeft Hij ons – in een heilig teken als brood – zijn gebroken en verrezen Lichaam, Zichzelf te eten als waar voedsel voor onze geest en ons hart. Dit Brood – de H. Communie – komt hier vandaag op het altaar, dat is het ware Brood uit de  Hemel, dat onze werkelijke honger stilt. De honger van ons hart: het is de Heer zelf, zijn leven, zijn dood en verrijzenis. Christus leeft in ons.

Bron: http://www.mennenpr.nl/zondag_18b.html

Het sterke getuigenis van Thomas

Preek 2de zondag van Pasen B (2018)

Gezellen en Gezellinnen

Preek 2de zondag van Pasen B (2018)

Ik heb me laten vertellen dat er destijds in de concentratiekampen van de nazi’s een straf bestond waarbij gevangenen dagenlang in een kleine cel werden opgesloten, helemaal in het donker. Als ze dan uiteindelijk na enkele dagen dat hok mochten verlaten, konden ze lange tijd geen daglicht verdragen. Hun ogen konden het plotse zonlicht niet aan.

Als wij de Bijbel lezen, lijkt het wel alsof ook de leerlingen van Jezus uit een langdurige duisternis komen en plots de schittering van de zon in hun ogen krijgen. Hun eerste reactie is geen vreugdevol en feestelijk ‘alleluja’, maar wel een  zelfverdediging.

Het evangelie beschrijft twee verschijningen van de verrezen Jezus aan de leerlingen: de eerste zonder, en de tweede met Thomas. En wat blijkt? Niet alleen de eerste keer, maar ook de tweede keer hebben de leerlingen zichzelf opgesloten. Grendel ervoor, goed gebarricadeerd, de…

View original post 495 woorden meer

Preek 5de Zondag van de Vastentijd B (2018)

Gezellen en Gezellinnen

Twee weken scheiden ons nog van Pasen. Maar de tocht naar het lege graf passeert langs Golgotha. Pasen is niet verkrijgbaar zonder Goede Vrijdag. In de aanloop naar de Goede week staan de lezingen ook meer en meer in het teken van wat er te gebeuren staat. Waarom moest Jezus eigenlijk op zo’n brutale manier vermoord worden?

De bevolking zuchtte onder de Romeinse bezetter en Jezus had grote verwachtingen gewekt bij de bevolking. Ze leefde in de terechte of onterechte verwachting dat Hij hen van de Romeinen zou bevrijden. Zo rond het paasfeest, met de vele pelgrims in Jeruzalem, was één vonk genoeg om de vlam in de pan te laten slaan. Jezus had kunnen afzien van zijn reis naar Jeruzalem. Hij heeft het niet gedaan. In Jeruzalem had Hij kunnen ontsnappen, maar heeft het niet gedaan. Hij had Judas Iskarioth van zijn idee om hem te verraden, kunnen afbrengen…

View original post 393 woorden meer

5de zondag v.d. veertigdagentijd jaar B (2018)

door pastoor Mennen

redemptive-suffering


De scène uit het evangelie begint heel gewoon. Een paar geïnteresseerde Grieken, buitenlanders die vanwege het Paasfeest in Jeruzalem waren en van die leermeester Jezus hadden gehoord, wilden Hem iets vragen. Ze durfden Hem blijkbaar niet rechtstreeks te benaderen maar doen dat via de apostelen, via Filippus en Andreas.

Maar toch wel ongewoon is, dat Jezus hen geen kans geeft iets te vragen maar meteen een verklaring afgeeft, en wel een verklaring die heel zijn zending, ja heel zijn leven samenvat. Zijn lijden en zijn kruisdood staan voor de deur. Er is geen tijd voor vragen meer. Het komt nu aan op het doen, op wat er gaat gebeuren, op het verlossend handelen dat voor de deur staat. “Het uur is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt.”

In het evangelie van Johannes is dat altijd het uur van het kruis: het moment waarop Jezus van de aarde verheven is. En dat verheven is dan tegelijk: verheven op het kruis maar ook verheven tot in het hoogste der hemelen, verheven aan de rechterhand van God. Het moment van het sterven van Jezus, het moment waarop Hij zich totaal geeft, is het moment van de verheerlijking waarvan de verrijzenis de bevestiging is.

Het is het moment waar Jezus bang voor is: “Vader, red Mij uit dit uur”; “als het mogelijk is laat deze kelk aan Mij voorbijgaan.” Maar het is tegelijk ook het uur naar waar Jezus verlangt: “niet mijn wil maar uw wil geschiede”, “het is volbracht”. En vandaag: “daarom ben Ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam.” Het lijkt tegenstrijdig maar voor Jezus is het dat niet. Het is het geheim van de graankorrel. Als die niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, maar als hij in de aarde valt en sterft, brengt hij veel vrucht voort. Het vruchtbare sterven. Het sterven dat de toekomst opent. Daar gaat het Jezus om.

Hij zegt het nog weer anders: Wie zijn leven bemint, verliest het. Wie aan dit leven hangt, wie daar al zijn kaarten op zet, die zal alles verliezen. Want één ding is zeker, zegt Jezus, dit leven met al zijn materiële dingen gaat voorbij. “Wie zijn leven in deze wereld haat, zal het ten eeuwige leven bewaren.” Dat klinkt nogal sterk: zijn leven haten. Dat is een Oosterse manier van uitdrukken. Jezus bedoelt: wie dit aardse leven, wie de materiële dingen, wie zijn “ik” durft los te laten ter wille van God en medemens, ter wille van de liefde, die zal zijn leven bewaren voor de eeuwigheid. Het naar je toehalen leidt tot verlies van alles; het loslaten in liefde leidt tot het winnen van alles.

Dat is de grote boodschap van het evangelie. Ook tegelijk de moeilijke boodschap: want je “ik” loslaten, dat valt niet mee: je trots, je gelijkhebberij, je vermeende recht laten varen en jezelf wegcijferen, daar hebben we allemaal moeite mee. Dat en dat alleen is wel het antwoord op alle vragen die je aan Jezus wilt stellen. Het antwoord op al je vragen is het beeld van de graankorrel die sterft en vrucht draagt, het beeld van Jezus die verheven wordt doordat Hij zich geeft op het kruis en schijnbaar ten onder gaat.

En Jezus voegt eraan toe: “wil iemand Mij dienen, dan moet hij Mij volgen; waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn”. Iedereen die zijn volgeling wil zijn, zal Hij tot zich de hoogte in trekken: en dat is dan evenals bij Hemzelf: de hoogte van het kruis, van het lijden, van het jezelf geven, de hoogte van Goede Vrijdag en daarin tegelijk de hoogte van de verheffing tot het kindschap Gods, de hoogte van het eeuwige leven, de hoogte van Pasen. Amen.

Bron: mennenpr.nl


 

Preek Vastenactie Campagne 2018

fotos_va_handboek_2018_normal

Vastenactie Campagne 2018: ‘Gaan waar niemand gaat, doen wat niemand doet’

Dat is het motto van de Zusters van de Heilige Harten van Jezus en Maria in Zambia, door de landelijke Vastenactie gekozen als een van de vijf projecten waar Vastenactie zich dit jaar sterk voor maakt.

PROGRAMMA IN MBALA, ZAMBIA: Met onze bijdrage helpen we kwetsbare kinderen en volwassenen het hoofd te bieden aan de gevolgen van hiv en aids ziekte.  Daartoe steunen we een hulp-programma voor Mbala. Met onze bijdrage krijgen hiv-positieve mannen en vrouwen een opleiding en kunnen we een weeshuis en een school voor gehandicapte kinderen voorzien van leermiddelen, speelmaterialen en medische hulpmiddelen.

HET LEVEN IN MBALA: Ons campagneproject 2018 gaat over Mbala, een stad (en district) in het uiterste noorden van Zambia, vlakbij het Tanganyikameer in Tanzania.  Veel mensen komen van het platteland naar Mbala in de hoop er werk te vinden. Meestal lukt dat niet. Ze bouwen huisjes aan de rand van de stad, waar zich sloppenwijken hebben gevormd. De wegen zijn onverhard en zo slecht dat je er met een gewone auto niet kunt rijden: door de zware regens in het regenseizoen zitten ze vol diepe kuilen en zijn de zijkanten vaak veranderd in diepe geulen – na een regenbui zijn de wegen dan ook veranderd in grote modderpoelen. Er is geen schoon water en geen elektriciteit in veel delen van Zambia Sloppenwijken. Mensen moeten daarom naar de rivier lopen om water te halen. Het betekent bijvoorbeeld ook dat er geen wc’s zijn en dat riolering ontbreekt. Dat is onhygiënisch en daardoor worden mensen gemakkelijker ziek.

Het Vastenactie campagneproject 2018 wordt uitgevoerd door de zusters van het Heilig Hart van Jezus en Maria. Zij zijn sinds 1962 in de Mbala-regio in Zambia actief, op verzoek van de toenmalige overheid en van de bisschop van het Bisdom. Vanuit hun missie zetten zij zich in voor onderwijs en ziekenzorg. Zij hebben bijvoorbeeld een ziekenhuis gebouwd in de regio (in samenwerking met het bisdom) en dat jarenlang gerund.

Sinds het uitbreken van de hiv / aidsbesmettingen hebben de zusters hun werkzaamheden verlegd naar de zorg voor slachtoffers van deze ziekte, hun families en hun kinderen. Het ziekenhuis hebben ze overgedragen aan de overheid. In 1991 hebben de zusters het HID-programma opgezet.

Het doel van dit programma is om de impact van hiv/aids te verminderen via voorlichting en goede gezondheidszorg en door mensen te helpen in hun eigen levensonderhoud te voorzien. De zusters zijn de enige grote religieuze hulporganisatie in deze regio op het gebied van hiv/aids.

ONDERDELEN VAN HET HID-PROGRAMMA ZIJN;

  • Hulp aan weeskinderen en kwetsbare kinderen;
  • Ondersteuning van aidspatiënten;
  • Opleiding en opvang van gehandicapte kinderen en volwassenen;
  • Armoedebestrijdingprogramma’s;
  • Bewustwordingsprogramma’s.

HIERVOOR HEBBEN DE ZUSTERS VERSCHILLENDE ACTIVITEITEN OPGEZET;

  • Alfabetiseringsgroepen, waarbij vrijwilligers lees-, schrijf- en rekenles geven aan volwassenen én aan steeds meer kinderen;
  • Lotgenotengroepen, waarbij mensen met hiv/aids regelmatig bij elkaar komen.
  • Ze bespreken bijvoorbeeld het belang van medicijnen en hoe je ze inneemt. Ze helpen elkaar de ziekte te accepteren;
  • Een ‘maatjessysteem’ van vrijwilligers die een paar keer per week langs gaan bij mensen die te ziek zijn om naar de lotgenotengroepen te komen. Ze ruimen de huisjes op, maken schoon, wassen de zieken en koken pap. Zo nodig wordt de maïspap vanuit het project verstrekt;
  • Zorg voor distributie van medicijnen en hulp bij het innemen daarvan; het is belangrijk dat de patiënten elke dag op vaste tijden hun medicijnen innemen;
  • Workshops waar mensen een ambacht leren waarmee ze in hun levensonderhoud kunnen voorzien;
  • Ondersteuning van het weeshuis;
  • Ondersteuning van de school voor gehandicapte kinderen.

De zusters zijn zeer betrokken bij de mensen en hebben voor iedereen tijd, aandacht en waar nodig een helpende hand. Geen eindeloos helpende hand, want de zusters willen mensen zo snel mogelijk op eigen benen zetten, zodat ze weer voor zichzelf en hun gezin kunnen zorgen. Daarmee geven ze talloze kinderen en volwassenen hun waardigheid terug.

Wat betekent dat voor ons?

Alle lof voor de inzet van de zusters en hun medewerkers. Zij en de mensen om wie het gaat, hebben onze hulp nodig. Onze inzet maakt het mogelijk dat de zusters kunnen blijven gaan waar niemand gaat, kunnen blijven doen wat niemand doet.


 

Preek 4de zondag veertigdagentijd, jaar B (2018)

the-easter-story-in-book-of-revelation-global-center-for-uncategorized-cross-gs34000-woodencross6-easy-crosswords-with-answers-printable-728x491Een verkeersbord dat aanduidt: ‘kijk uit, gevaar’: en onmiddellijk daarachter een tweede bord, dat zegt: ‘einde van alle verboden’. Een dergelijke situatie is op onze wegen niet helemaal onmogelijk maar wel erg verwarrend. Nog verwarrender en raadselachtiger zou het zijn, als er één bord stond, dat allebei de betekenissen tegelijk zou hebben.

Mozes richt in de woestijn een dergelijk dubbelzinnig teken op, een teken van tegenspraak. Het zit daar vol met giftige slangen; velen zijn gebeten en gestorven; er is een panische angst bij het volk. Ze zien de slangen als een straf van God voor hun gemopper en hun ongehoorzaamheid, straf voor hun ongeloof. En dan maakt Mozes van brons zo’n giftige slang en zet die op een paal. Het is het teken van het grote gevaar, dat iedereen bedreigt. Maar het verhaal gaat verder: ieder die door een slang gebeten was, maar zijn ogen vol vertrouwen, vol geloof omhoog richtte naar de slang, bleef in leven. Het teken van gevaar, wordt als je er in geloof naar opziet, een teken van redding. Het volk van Israël in de woestijn moet blijkbaar leren, niet te mopperen, niet terug te krabbelen voor gevaren die dreigen, maar bij alle bedreiging omhoog te blijven kijken in geloof naar God, de bedreiging onder ogen te zien in geloof. Dan is er redding.

In de koningstijd, toen het Israël materieel goed ging, hadden ze alleen maar aandacht voor rijkdom, genot en plezier. Zelfs de priesters deden eraan mee. Hun blik ging niet meer naar boven. En de profeten, die hun blik naar boven wilden trekken, werden voor de gek gehouden. Ze meenden geen redding nodig te hebben.

De Babylonische ballingschap maakt een eind aan die illusie. Jeruzalem en de Tempel waar ze zo trots op waren werden verwoest. Ze hadden niets meer dan doffe ellende in een vreemd land. Maar juist in de ballingschap ging het volk weer luisteren naar de profeten, richten ze hun ogen weer op naar de Hemel in geloof. En er kwam redding in de doffe ellende. Onder de Perzenkoning Cyrus mag het volk gelouterd en gezuiverd terugkeren naar Jeruzalem.

De ballingschap, het teken van vernedering wordt het middel tot redding. Als Jezus in zijn nachtelijk gesprek stil staat bij de betekenis van zijn eigen leven, verschijnt dezelfde dubbelzinnigheid en tegenspraak. Hij ziet het kruis. Het kwaad van heel de wereld, het kwaad van jaloezie en eigengereidheid, van egoïsme en goddeloosheid zal Hem breken, zal het laatste restje bloed uit Hem persen. Hij is er niet happig op. Welke mens zou dat wel zijn. Maar Hij ziet het onder ogen als iets wat moet gebeuren. Immers in die opperste vernedering wordt de Mensenzoon verheven. Jezus zal verheven worden aan het kruis. Dat woord staat er niet voor niets. In de diepste ellende hangt Hij aan het kruis als de Verhevene, hoog boven de aarde. Daar is Hij al de Verrezene, het échte Leven. Het kruis is niet alleen het teken van de redding, het is de redding zelf.

Op het kruis snijden twee lijnen elkaar. Op de horizontale balk van het kruis staat: beproefd, verteerd, vergaan, lijden en dood. Op de verticale balk staat: verheerlijkt, verheven, verrijzenis, leven in eeuwigheid. Op het kruispunt van die twee vallen de tegenstellingen weg. Of beter gezegd: ze gaan in elkaar op; op dat kruispunt is de meest Vernederde de meest Verhevene.

Maar er is meer: op dat kruispunt voltrekt zich het oordeel. Wie niet opziet naar het kruis en wie niet gelooft, dat in deze Vernederde… Gods heerlijkheid aan het licht komt, is veroordeeld. Maar wie in Hem gelooft zegt Johannes, wordt niet geoordeeld. In Hem geloven, dat is doen wat Hij gedaan heeft: het kruis niet uit de weg gaan; dienen; de minste durven zijn; durven lijden en sterven met Hem. Wie leeft als Hij zal maar al te vaak het gevoel krijgen, dat hij verliest en vergaat. Dat is dan een teken, dat hij meer en meer gaat lijken op Hem die verloor, verging en overwon. Amen.

Bron: www.mennenpr.nl


6de zondag door het jaar B (2018)

Eerste lezing: Leviticus 13,1-2.45-46.
Tweede lezing: 1 Korintiërs 10,31-11,1.

Evangelie: Marcus 1, 40-45  

In die tijd kwam er een melaatse bij Jezus die op zijn knieën viel en Hem smeekte:  “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.”
Door medelijden bewogen stak Jezus de hand uit, raakte hem aan en sprak tot hem:  “Ik wil, word rein.”
Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.

Terwijl Hij hem wegstuurde vermaande Hij hem met klem: “Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven om ze het bewijs te leveren.”

Eenmaal vertrokken begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen en ruchtbaarheid aan de zaak te geven met het gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen verbleef. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.




Inleiding

In het evangelie van vandaag vindt een reiniging plaats en wel van een melaatse. Het evangelie ziet de mensheid als een melaatse, getroffen door een dodelijke ziekte waar niemand iets aan kan doen, alleen Jezus. “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.” Wij doen een beroep op God: ‘God, laat mij bij U bescherming vinden’. ‘Wees mij een veilige toevlucht.’

Preek

Een melaatse! Melaatsheid was in Jezus’ tijd wat vroeger bij ons tbc (tuberculose) was en wat tegenwoordig kanker is. Het erge van melaatsheid was dat het besmettelijk was, waardoor degenen die die ziekte hadden, in een isolement verkeerden, en bijvoorbeeld in gescheurde kleren rondliepen, zodat iedereen het aan hen kon zien. En als het niet te zien was, moesten ze het laten weten door hardop te roepen: ‘Onrein, onrein!’ Zo lang de ziekte duurde, was zo iemand onrein en moest hij apart wonen, en hoorde hij er niet bij. Dat was toen in die tijd nog veel erger dan nu. Onze maatschappij is geïndividualiseerd, de mensen leven als enkeling. Maar toen was de samenleving nog hecht, ze leefden niet volgens het ‘ik-patroon’, maar als ‘wij’, ‘wij-samen’. Het was dus heel erg voor een melaatse dat hij zich uit de gemeenschap moest terugtrekken, om een eenzaam leven te beginnen.

Wij hoeven niet beslist melaats te zijn om ons een melaatse te voelen, of om anderen als melaatsen te behandelen. Mensen zeggen wel eens: ‘Het lijkt wel of ik een melaatse voor hem ben.’ Of ik ga anderen uit de weg, zij zijn als melaats voor mij, ik sluit ze buiten. En dan is er nog een soort melaatsheid waarbij mensen zichzelf buitensluiten. Dat is gewoonlijk een gevolg van een zichzelf niet kunnen aannemen zoals ze zijn, of bepaalde eigenschappen niet kunnen aannemen. Als ze een paar mensen zien praten, denken ze al snel: ‘Die hebben het over mij’, of als ze iemand zien lachen als ze eraan komen: ‘Ze lachen me uit’, of als iemand zijn gezicht vertrekt, zoeken ze de reden meteen bij zichzelf.

Het komt ook nogal eens voor dat mensen die een zwaar verlies hebben geleden en in een rouwproces verkeren, zich een melaatse voelen omdat andere mensen hen mijden. Andere mensen vrezen ook bedroefd te worden, als ze in aanraking komen met zo’n bedroefd iemand. Dat is ook een manier om uitgesloten te worden. En zo kunnen we nog wel even doorgaan, bijvoorbeeld: mensen die het slachtoffer worden van een lastercampagne, van uitsluiting omdat ze tot een ander ras, tot andere cultuur behoren. Men ontloopt ze. Ze worden behandeld als melaatsen.

Zo’n melaatse komt nu bij Jezus. Eigenlijk mag een melaatse helemaal niet bij een gezond iemand komen, maar de man kán gewoon niet anders. Hij overtreedt alle regels die hem zijn opgelegd en hij komt bij Jezus. Hij, die melaatse, die van top tot teen ziek is, dodelijk ziek, uitzichtloos ziek, heeft één gave plek: namelijk zijn geloof in God. “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.”, zegt hij. In dat ene woord drukt die man zijn onmacht uit: ‘God, laat mij bij U bescherming vinden, wees mij een veilige toevlucht.’ Gij kunt mij redden.

Hoe doet Jezus dat, hem genezen? Hij handelt “door medelijden bewogen”. De macht van Jezus bestaat uit zijn barmhartigheid. Hij laat het leed van de melaatse diep in zijn eigen Hart binnenkomen, Hij voelt zijn verbittering, zijn eenzaamheid en vertwijfeling, Hij neemt er deel aan, Hij lijdt er zelf ook aan.

St. Franciscus van Assisi heeft eens beschreven hoe hij zich voelde toen hij een melaatse zag. Hij werd door Jezus uitgenodigd, om hem niet alleen aan te raken, maar zelfs te omhelzen. Wat hij toen in zich voelde, was alsof zijn maag in zijn lichaam omdraaide. Maar Jezus kent geen aanrakingsangst. Hij werd door medelijden bewogen, waardoor Jezus het genezende woord spreken kan: “Ik wil, word rein.”

Wat betekent dat alles nu voor ons? Op die barmhartige houding en wil kunnen wij beroep doen. De Jezus van tweeduizend jaar geleden is nu onder ons met zijn wilsbeschikking, met zijn testament, zijn nieuwe testament. Dit is het Nieuwe Verbond, tot vergiffenis van de zonde en tot reiniging en genezing.

Vgl. www.petruscanisiusstichting.nl/prekenboek (pater Bots)