Een nieuwe leer met gezag – 4de zondag dh jaar B 2018

Een nieuwe leer met gezag

10404859_10207549441362765_2602033924009095089_n

“De mensen waren buiten zichzelf van verbazing over zijn leer, want Hij onderrichtte hen niet zoals de Schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezat.” Wát Jezus leert, staat er niet bij. De inhoud van zijn leer zat niet in het nieuwe, wat zou Jezus anders gezegd hebben dan dat God van de mensen houdt en dat de mensen God moeten liefhebben? Wat zou Jezus anders gezegd hebben dan wat er altijd gezegd is? Het nieuwe zit hem dus niet in wát Hij zegt, maar in de kracht waarméé Hij het zegt, het gezag, de volmacht. Jezus doet wat Hij zegt. Hij maakt zijn woorden waar. Hij zegt: ‘eruit!’ en ze doen het ook nog! We hoorden;“Hij geeft bevel aan de onreine geesten en ze gehoorzamen Hem.” Geen vrijblijvend advies dus: ‘Als ik jullie was zou ik maar vertrekken’. Nee, zijn woorden zijn krachtwoorden, actiewoorden.

Jezus zegt dat God goed is en Hij laat dat ook zien. Gods goedheid werkt door Hem. Jezus is zo vol van de liefde van God dat, als Hij erover praat, de mensen die liefde ook voelen. Ja, uitzinnig worden van die liefde.

“Heel het volk was verrukt over zijn leer.” Ze waren buiten zichzelf, extatisch. Hun hart werd geraakt en in extatische beroering gebracht in liefde voor God. De boze geest eruit en de liefde van God erin, de mensen worden door die liefde meegesleept. Zij merken dat Jezus een profeet is die leert met gezag, niet alleen aan wat er met die bezeten man in de synagoge van Kafarnaüm geschiedt, maar ook aan wat er met hen zelf gebeurt…

De kracht van iemand of iets kun je merken aan het vermogen tegenkrachten te overwinnen. De kracht van een auto, van een motor, overwint de weerstand van de lucht, de weerstand van de weg, van het gewicht. De kracht van Jezus’ woord, merkten ze in de synagoge van Kafarnaüm door zijn vermogen, de tegenkracht, de macht van de boze geest te overwinnen.

“Er bevond zich in de synagoge juist een man die in de macht was van een onreine geest.” De macht van een onreine geest, dat is een bovenmenselijke macht die dikwijls in het meervoud wordt voorgesteld. “Jezus van Nazareth wat hebt Gij met ons te maken? Gij zijt gekomen om ons in het verderf te storten?” En elders in het H. Evangelie staat er: “Daarop vroeg Hij hem: wat is uw naam? Hij antwoordde: mijn naam is Legioen, want we zijn met velen”. Meer dan levensgroot, bovenmenselijk. Die bovenmenselijke macht van de onreine geest schuilt in zijn onverdeelde aandrang om kwaad aan te richten. Niets van die energie gaat verloren, hij zet alles in: verstand, hart, voorstellingsvermogen, energie, wil.

Hier op de wereld is niets zwart of wit, alles is in tinten grijs, van heel donker tot heel licht grijs, ja tegen het witte aan, maar het is altijd nog gemengd. Zelfs mensen in criminele organisaties, zoals je die tegenwoordig hebt, die zich met heel hun wezen, verstand, hart toeleggen op de misdaad; is het verkeerde toch altijd nog gemengd met goed. Hier in onze wereld bestaat er geen puur kwaad zonder meer. Dat is wel buiten onze wereld te vinden (en dat is in de hel!). Hier in de wereld bestaat ook geen zuiver goed, tenzij door de Menswording van Gods Zoon Jezus, in de Kerk, in de sacramenten en in de heilige Schrift.

“Een nieuwe leer met gezag.” Dat geeft meteen de manier aan waarop wij moeten luisteren, waarop wij voor het woord van God moeten openstaan. Maken wij ook inderdaad die ruimte, dat Hij niet alleen onze oren, ons verstand bereiken kan, maar ook ons hart? Luisteren wij werkelijk met ons hart, zodat daarin de kracht komt die aan Jezus’ goddelijk Woord is verbonden? Deze kracht was het die de menigte die van dit alles getuige was, die Jezus’ woord hoorde, aan zichzelf bespeurde. Goddelijk gezag, goddelijke kracht, bovenmenselijke liefde, een liefde die in staat is de mensen volkomen in verrukking te brengen, los van egoïsme, gegrepen door Gods liefde alleen.

Vgl. J. Bots SJ, Een woord van God in mijn hart, elke dag opnieuw, preken bij de zondagsevangelies, jaar B, Boxtel, 2004, blz. 247-250.

Advertenties

Derde zondag dh jaar B – Jezus Barmhartige Liefde, Hulpverlener

legioen-kleine-zielen-1c

Jezus Barmhartige Liefde (bron van de afbeelding)

Als iemand verslaafd is aan alcohol of drugs, dan kun je die mens nog zo graag willen helpen, als hijzelf niet echt wil, dan gaat het niet. Ze gaan misschien wel hun ondergang tegemoet en dat weten ze ook, maar als ze de motivatie missen om te keren van die weg, dan kan geen enkele hulp uitkomst brengen. Daar weet iedere hulpverlener.

Jezus Barmhartige Liefde is de grote Hulpverlener van de mens. Hij wil die mens helpen gelukkig te worden en dat kan alleen als hij luistert naar en op weg blijft naar zijn God, als oorsprong en doel van zijn leven. Als de mens iets anders nastreeft, iets verkeerds nastreeft dan zijn God, gaat hij zijn ongeluk tegemoet, is hij op weg naar het niets, naar de godverlatenheid.

Jezus houdt niet op de mensen, die verslaafd zijn aan deze wereld, aan hun driften, aan hun egoïsme op te roepen zich te bekeren, om te keren van die heilloze weg en zich toe te keren tot Hem. De Bijbel is er vol van.

Kijk maar naar Ninive. Die stad is zo slecht dat ze regelrecht op de ondergang afkoerst. En Jona had het maar het liefst zo gelaten. Hij gunde die inwoners van Ninive de ondergang. Die hadden ze volgens hem wel verdiend. Hij wilde niet met Gods woord naar die stad gaan. Na een vluchtpoging die mislukte, gaat Jona dan tegen zijn zin naar Ninive en verkondigt daar Gods woord: “Als je zo doorgaat, dan ga je je ondergang tegemoet”. En de inwoners van Ninive geloofden het woord van God. Ze trokken boetekleren aan, ze begonnen te vasten om te laten zien dat hun ernst was, dat ze anders wilden gaan leven. Ze keerden zich van hun slechte gedrag af en ze keerden zich naar God. Ninive had zich bekeerd en werd gered.

God wil de grote hulpverlener van mensen zijn, maar de mens moet zelf proberen daarvoor te kiezen. Gods hulpverlening wordt het meest duidelijk als Hij niet meer Jona stuurt of zomaar een profeet, maar zijn eigen Zoon Jezus Christus.

De evangelist Markus vat vandaag heel de prediking van Jezus aan het begin van zijn optreden in één zin samen: “De tijd is vervuld. Het Rijk Gods is nabij: bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap”. Dat is het wat Jezus namens God steeds weer zegt; de tijd is vervuld. Het komt er nu voor jullie mensen op aan. Je moet nu echt kiezen. Het Rijk van God is dichtbij. Je kunt in dat Rijk van God leven als je wilt. Je kunt dicht bij God zijn, gered worden. En wat moet je dan doen? Net als de mensen in Ninive: je bekeren: je afkeren van de verslaving aan de aarde, aan jezelf.

Zoals St. Paulus het zegt; die met het aardse omgaan moeten er niet in opgaan. Je moet leven gericht op God en op zijn toekomst. Positief gezegd; geloof in het evangelie, in de blijde boodschap, in de beloften van God.

Wat betekent dat concreet voor ons, hier en nu: je bekeren en Jezus volgen. Ik denk op de allereerste plaats voldoende tijd in je leven inruimen voor God: bidden en naar de kerk gaan en zo laten zien dat je werkelijk in God gelooft. Wordt biddende mensen. Dan zul je ook gevoelig worden voor wat God van je vraagt.

Op de tweede plaats betekent je bekeren: voldoende tijd inruimen voor je medemens. We zijn vaak zo druk met onszelf, onze eigen genoegens bezig. We kunnen zo moeilijk onszelf opzij zetten, offers brengen voor onze medemensen. Daar moet je bewust voor kiezen. Je telkens bekeren: geloven in de blijde maar vaak moeilijke boodschap van de liefde.

Jezus Barmhartige Liefde, de Hulpverlener, de Verlosser staat machteloos als wij ons niet willen omkeren, als we vast willen blijven zitten aan onze aardse verslaving. Pas als we kiezen voor God en voor zijn blijde boodschap dan kan Hij ons leiden naar zijn toekomst, naar het Rijk Gods, dat zo dichtbij is. Amen.

Vgl. bron: www.mennenpr.nl

‘Kom en zie’, zei Jezus – 2de zondag door het jaar B

Afscheid mei 2011‘Kom en zie’ zijn, kort samengevat, de kernwoorden van het Heilig Evangelie van vandaag. Woorden alleen zijn niet voldoende om iemand te leren kennen, je moet de persoon bezig zien in zijn doen en laten. Dan pas ontdek je met wie je te maken hebt.

‘Kom en zie’, zei Jezus.

Na een hele dag bij Hem gebleven te zijn was het voor hen duidelijk dat ze niet verder moesten zoeken. Ze hadden de vervulling van hun leven gevonden. Zij zeiden hun vorige leven met zijn dagelijkse bezigheden vaarwel en kozen voor een nieuwe levenswijze waarbij zij Jezus, het Lam Gods, volgen op zijn tocht. Een ontmoeting met ingrijpende gevolgen.

Andreas liep ’s anderendaags al naar zijn broer Simon om het bericht te melden en ook hem bij Jezus – het Lam Gods – te brengen. Simon kreeg van Jezus een nieuwe naam: Kefas, Petrus in het Latijn, steenrots.

Het is een vraag die velen blijft bezighouden: Wie was Jezus dan, dat Hij ons vandaag nog kan aanspreken?

De vraag is hoe je voor mensen van vandaag, die kritisch nadenken, geloofwaardig kunt spreken over Jezus, die ook Messias of Christus wordt genoemd.

Welnu: de Bron van waaruit Jezus heeft geleefd was zijn diepe verbondenheid met God, zijn Vader in de Hemel – één en al Liefde. Tegelijk was Hij ook Mens, we vierden het met Kerstmis in Zijn Menswording uit de hoge Hemel. Zijn verbondenheid met God en zijn verbondenheid met mensen vormden één geheel. “Bemin God en je naaste als jezelf!”

De Traditie leert ons dat je die twee vormen van verbondenheid niet mág, maar ook niet kán scheiden van elkaar. Het risico bestaat dat men, enerzijds, de Godsverbondenheid  over-beklemtoont en het Christendom op die manier herleidt tot een devote Godsverering, en dat men, anderzijds, de medemenselijkheid over-beklemtoont en Jezus dan reduceert tot een sociale voorvechter of gedreven politicus.

Ook nu nog zijn er veel mensen die sterk met God verbonden leven. En er zijn er ook veel die goed werk verrichten. Veel mensen die in al hun sereniteit ontzag en respect verdienen voor de manier waarop ze in alle eenvoud leven vanuit die innerlijke zielskracht van goedheid en trouw aan hun opdracht en roeping.

Christen worden betekent eigenlijk: Die ene persoonlijke keuze weten te maken, en je de vraag stellen: krijgt Jezus die centrale plaats in mijn leven? Wil ik Hem wel of niet volgen?

We moeten, zoals iemand schreef, mensen zijn die leven vanuit een passie; die met het diepste van hun wezen zich inzetten voor dat Ene waarvan ze het gevoel en besef hebben dat het hun taak, hun roeping is.

Een passie komt van diep binnenin – daar waar Gods Geest in mij woont – en vervult je helemaal. Een roeping heeft dat ook. Een roeping is die ene opdracht, dat ene doel dat je in jezelf voelt groeien. Dat steeds duidelijker en groter wordt tot het zich niet meer laat negeren. Het eist je wezen op, helemaal.

Jezus, Zoon van God, Mensenzoon!
Jezus Christus, onze Heer!

Vgl. bron: http://www.preekvandeweek.be/

DrieKoningen 2018

2016-12-21-niles-cKaartjes met nieuwjaarswensen ontlenen hun inspiratie vaak aan Kerstmis. ‘Zalig Kerstfeest en gezegend Nieuwjaar’. Nu heeft niemand van ons er waarschijnlijk ooit aan gedacht dat de kaartjes met kerstwensen eigenlijk geboortekaartjes zijn. Een geboortekaartje is geen wenskaart, het is een boodschap met verheugend nieuws. Iemand die zo’n kaartje verstuurt, zeker van een eerste kind, beleeft er deugd aan anderen in de vreugde om het levenslicht van een nieuwe mens te laten delen.

Maria kreeg in de kerstnacht het Kindje Jezus. Elk nieuwgeboren kind is voor ouders bijzonder en uniek. Maar Jezus was een zéér uniek en bijzonder Kind. Voor Maria en St. Jozef was een geboortekaartje het verste van hun gedachten. Maar volgens het kerstverhaal is er wel een verzonden; door de Engel die in de nacht verscheen, aan de herders wakend bij hun kudde. ‘Ik heb een blijde boodschap voor u.’

Vandaag lezen we dat er nog een kaartje verstuurd werd, en wel naar Wijzen in het Oosten, in de vorm van een Ster; een boodschap over de pasgeboren Koning van de Joden.

Het is wel bijzonder groot nieuws dat we in dit Evangelie vernemen. ‘Heidenen’, dit wil zeggen mensen die een andere godsdienst hebben dan de joodse, en de ware God niet kennen, zijn zo scherpzinnig dat ze in de tekenen van de natuur de geboorte van de Koning der Joden lezen en zo wijs dat ze Hem koninklijke eer willen komen bewijzen.

Wie even nadenkt, komt direct uit bij de paradox van het geboortekaartje. Het is ook een overlijdensbericht. Het stond boven Jezus’ Hoofd op het kruis geschreven: ‘De Koning van de Joden’ (Mattheüs 27,37). Het is al begonnen met koning Herodes. De Wijzen hadden hem de schrik van zijn leven bezorgd. Er is een gevaarlijke concurrent geboren! Men begrijpt dat hij het kind uit de weg wilde laten ruimen. Maar het lukte hem niet. Jezus is, met Maria en St. Jozef naar Egypte vertrokken, en aan de moordaanslag ontsnapt.

Toen Jezus voor Pilatus stond heeft Jezus bevestigd dat Hij inderdaad Koning was, maar van een Rijk dat niet van deze wereld is. Wel in de wereld, maar niet van de wereld. Geen koning dus als de andere koningen van de wereld. Koning omdat Hij niet naar de wereld was gekomen om te heersen, maar om te getuigen van de Waarheid van God (zie Johannes 18,33-37).

Dat alles moeten we bedenken als we het heilig Evangelie lezen van de Openbaring des Heren (zo heet eigenlijk het Driekoningenfeest). De Waarheid van God: Jezus het Licht voor de volken. Maar van meet af aan ook miskend en aangevochten, ook met geweld.
Het moet ons dan ook niet verwonderen als wij vandaag hetzelfde ondervinden. We mogen ons niet verongelijkt voelen of er moedeloos bij worden. Het doet geen afbreuk aan onze opdracht om in woord en daad het Licht van de Waarheid van God waarin wij geloven voor alle volken te doen schijnen. Het vriendelijke Licht, dat anderen een lichtende hulp op hun eigen levenspad kan bieden.
Als het waar is, dat bij ons het katholiek geloof soms wordt aangevochten, door de heersende machten, onder meer de macht van de media, en in de verdrukking wordt geduwd, moet ook dat geen reden zijn om bedroeft te worden. We kunnen daar ook geen reden in vinden om onze opdracht te laten schieten. We blijven geloven dat Gods Rijk in de wereld sterker is dan alle andere machten.

Vgl. preek van de week: Preekvandeweek.be

Kerstmis als Licht in de duisternis

mgr_punt_bureau300We vieren Kerstmis in een spannende tijd. Het Midden-Oosten staat in brand. Noord-Korea en Amerika bedreigen elkaar met ‘fire and fury’. Vrijwel alle landen zijn weer bezig zich te bewapenen. Ieder, naar eigen beleving, om zich te verdedigen tegen anderen. Zo begon de Eerste Wereld­oorlog. Hoe doorbreken we die spiraal van angst, haat en geweld?

De wereldleiders zetten in op diplomatie, machtsvertoon en allianties. Begrijpelijk. Tegelijk weet iedereen dat dat de uiteindelijke oplossing niet is. Wat we nodig hebben is een ‘New World Order’, roepen daarom veel politici. Vooral een wereldregering met totale macht en gezag om inter­nationale conflicten te beheersen. Wat ze vergeten is dat ook de leiders altijd mensen zijn met precies diezelfde zwakheden. Dat ook zij gemakkelijk vervallen in eigenbelang, hebzucht en heerszucht. We zien het overal om ons heen. Met Hitler, Stalin en Mao hebben we al op extreme wijze gezien waartoe concentratie van macht leidt. Op wereldniveau zouden de gevolgen helemaal niet meer te overzien zijn.

Grote denkers uit het verleden hebben dat al lang voorzien en daarvoor gewaarschuwd. Denk aan Dostojewski of George Orwell, of aan Aldous Huxley met zijn bekende roman Brave New World (1932). Of ook Robert Benson, een Engelse priester rond 1900 met zijn boek Lord of the World (1907). Zowel paus Franciscus als paus Benedictus hebben er als waarschuwing voor ons naar verwezen. Visionair beschrijft Benson een geseculariseerde wereld, waar een mensheid, geplaagd door angst en chaos, roept om een sterke leider. Dan rijst een oppermachtig dictator op, een soort antichrist. Die brengt inderdaad orde met macht en controle, maar berooft de mens uiteindelijk van al z’n waardigheid en vrijheid. Een ‘New World Order’ is niet het antwoord op chaos en oorlog, maar vroeger of later een ‘highway’ naar de meest totale dictatuur aller tijden. Zolang we nog in deze gebroken wereld leven, moet er tegenover macht altijd een andere macht staan.

De mens heeft een kans

Maar hoe moet het dan wel? Ik heb het al eerder gezegd: de wereld verandert pas als de mens verandert. Diplomatie, allianties en soms militair ingrijpen zijn nodig, maar kunnen alleen de symptomen bestrijden van een gewonde wereld en een innerlijk gewonde mens, maar het is niet de genezing. Die moet plaatsvinden in het hart van de mens. En de Blijde Boodschap van Kerstmis is, dat dat kan. De mens heeft een geweten en kan veranderen. Hij kan groots en heilig worden, een macht ten goede voor de hele mensheid. Kleine en grote mensen die het kwade overwinnen, allereerst in hun eigen hart, en dan hun omgeving en de wereld veranderen. Zulke mensen heeft onze tijd nodig, niet in de laatste plaats in de politiek. Niets in het wezen van een mens of in zijn voorgeschiedenis hoeft daarbij een belemmering te zijn, belooft de Heer.

Amazing Grace

Waarschijnlijk kent u het prachtige lied Amazing Grace, verbazingwekkende genade. Wat u misschien niet weet, is dat het geschreven is door de kapitein van een slavenschip in de achttiende eeuw, John Newton. Tijdens een storm werd hij geraakt door Gods licht en zag het grote kwaad van zijn leven. Hij had de moed het onder ogen te zien en vergeving te vragen. Eén moment van genade had hem compleet veranderd. Hij werd een ijveraar voor de afschaffing van de slavernij, en later een begenadigd predikant die in Engeland volle kerken trok. Alleen in de verandering van het hart ligt de oplossing. De hele Bijbel is een bemoediging om je te openen voor de aanraking van Gods Geest.

Kerstmis feest van Licht

Maar de Schrift leert ook dat die aanraking nooit vrijblijvend is en je altijd voor een keuze stelt. Als de Geest komt met kracht, zoals bij John Newton, zal zijn milde Licht je de liefde van God doen voelen, maar ook de donkere plekken van je hart en verborgen zonden laten zien. Niet om je te ontmoedigen, maar om je de kans te geven te veranderen wat niet goed was, en vergeving te ontvangen. Daarvoor is Christus gekomen, zegt de Schrift, “om ons te verlossen door de vergeving van onze zonden”. Alles wat je oprecht berouwt en belijdt mag je achter je laten. Als je in dit Kind gelooft, de mensgeworden Liefde, en alles wat je belast en beklemt bij Hem brengt, zal Hij het met je en voor je dragen, en je sterken om een kracht ten goede te zijn voor de wereld om je heen. En na dit leven zal Hij je ontvangen in zijn eeuwig Koninkrijk. De een zal dit geschenk van verlossing dankbaar aanvaarden, zoals de herders en de wijzen, en neerknielen om het Kind te aanbidden. De ander zal daarvoor te trots zijn, zoals Herodes, en zich vastklampen aan zijn macht, hebzucht en wellust, het Kind vervolgen en God uit zijn leven bannen.

Kerstmis is het feest van het Licht. Het Licht van Gods Liefde en waarheid, dat het hart van mensen verlicht, en door hen de wereld. Moge dit Licht in deze dagen ons deel zijn. In die zin wens ik u allen een Zalig Kerstmis.

+ Mgr. dr. Jozef M. Punt
Bisschop van Bisdom Haarlem-Amsterdam
www.bisdomhaarlem-amsterdam.nl

33e zondag door het jaar A

Wij hebben talenten en gaven gekregen

gods-giftDe één kan goed praten en een ander goed luisteren; de één is goed in schilderen en een ander is goed in studeren. Ieder heeft zo zijn eigen talent gekregen.

Soms voelen wij ons minder bedeeld met talenten in vergelijking met anderen. Het vergelijken met anderen is een bron van onrust voor ons geestelijk leven. Wij zien bijvoorbeeld iemand met goede communicatieve eigenschappen. Dan zuchten wij: “Waarom heb ik dat niet?” Of wij merken op dat iemand zijn geduld niet verliest in een moeilijke situatie. “Waarom ben ik zelf zo ongeduldig”, vragen wij ons dan af. Wie steeds naar anderen kijkt en zich met hen vergelijkt kan het gevoel voor eigenwaarde verliezen. Want het lijkt of de anderen beter bedeeld zijn met talenten, dan ik zelf. Dit kan aanleiding worden voor zelfbeklag; ‘ik voel mij onderbedeeld’. Ach, ik beklaag mijzelf: arme ik!

En met dat gevoel gaat de levensvreugde naar de knoppen. Je bent op weg om een klager en een piekeraar te worden. Maar zitten wij dan niet gevaarlijk dicht bij het straatje van de knecht met het ene talent uit de gelijkenis? Ja, dat komt dan wel heel dichtbij. En hoe schildert Jezus de geestesgesteldheid van deze ene knecht? Hij schildert hem niet af als een stakker, als iemand die onrechtvaardig behandeld is. Nee, ook hij kreeg zijn talent naar de maat van zijn bekwaamheid. Zijn gemopper dat zijn Heer ‘een hard mens’ is, is een belediging van de goedheid van zijn Heer. Deze knecht leeft in wantrouwen ten opzichte van zijn Heer. En hij ziet niet in dat zijn Heer – door hem het ene talent te geven – veel in handen heeft gelegd. Hij miskent dus de goedheid van zijn Meester en verbergt zijn talent in de grond.

Wie in wantrouwen leeft, heeft het moeilijk met zichzelf, met anderen en ook met God. Hoe kun je ontkomen aan die valkuil? Dat kan alleen door God Gód te laten zijn. Wij moeten ons altijd weer bekeren tot de ware en levende God. Wij moeten in diep geloof belijden dat God goed is en ons naar de maat van onze draagkracht een aantal talenten in handen heeft gegeven waarmee wij moeten werken.

Trouwens, één belangrijk ding mogen wij hierbij niet over het hoofd zien, namelijk dat er naast talenten ook nog gaven bestaan. Een talent is ons geschonken, het is ons eigendom, en kunnen het laten groeien door er aan te werken.

Daarnaast geeft God gaven aan ons die van Hem zijn, die Hem toebehoren, zoals de genadegaven van Geloof, Hoop en Liefde.

Met ons Doopsel kregen wij het beginsel van deze gaven meegegeven, om ze tot ontwikkeling te laten komen.

Ook deze gaven moeten wij laten groeien. En zoals met een talent van onszelf, geldt ook voor de gave die God ons geeft: in de mate dat wij het gebruiken, ermee werken, in die mate groeit de gave uit tot een Godsgeschenk, tot een geloofshouding.

Laten wij daarom onze talenten en Gods-gaven niet wegstoppen maar uitdrukken door daden van geloof, hoop en liefde.


Uit; Bezinning op het Woord, Roermond, November 2017, blz. 40-41. Bewerking door pastoor Geudens

 

32e zondag door het jaar A

Wijsh. 6, 12-16 en 1 Tess. 4, 13-18 en Mt. 25, 1-13


The Ten Virgins Parable Be Ready“Misschien, dat ik dat later nog wel eens doe: wat meer naar de kerk gaan, meer bidden, meer over God nadenken. Als je jong bent, heb je daar niet zo’n zin in. Dan heb je het zo druk met andere dingen. Wij zijn jong; wij hebben een leuke baan. We verdienen aardig. Onze liefhebberij is reizen. Kinderen, jawel, maar nou nog niet; we willen eerst genieten. We houden ons met niemand in de buurt op. Ik ken de mensen eigenlijk niet. We werken de hele dag en s’ avonds is er ook nogal eens iets en anders zijn we blij de gordijnen dicht te kunnen trekken”.

Zomaar wat uitlatingen van mensen, die je nogal eens hoort. Dat is het wat het leven van veel mensen in hoofdzaak bepaalt: werk, geld, feest, plezier, vakantie kleding. Daar draait het om. En zelfs bij de mensen, die wel tijd inruimen voor God en de medemens, lijkt die tijd ook steeds minder te worden. Wie besteedt er nog extra tijd door de dag aan gebed. Een keer in de week naar de kerk vinden we al een hele prestatie. Vrijwilligers die zich echt in willen zetten, zijn er nog moeilijk te vinden.

En allemaal noemen we ons christenen. Is dan elk leven even goed? Kan ieder leven de toets van de kritiek doorstaan; en dan bedoel ik niet de toets van de menselijke kritiek die heeft maar een heel betrekkelijke en soms zelfs helemaal geen waarde; nee, ik bedoel de toets van de goddelijke kritiek. Of God ons leven goedkeurt, daar gaat het om. Niet om wat ik of de buurman vindt. God oordeelt. Jazeker God oordeelt, zegt Jezus.

De mensheid lijkt op tien meisjes. Zij zijn op weg naar het bruiloftsfeest. Ze zijn op weg naar de hemel. Alle mensen willen best in de hemel komen. Maar niemand weet wanneer het bruiloftsfeest zal beginnen. Plotseling, jong of oud kun je voor Christus komen staan. En dan moet je lamp brandend zijn, zegt Jezus. Dan moet je leven de moeite waard zijn bij God. Je moet voldoende reserves hebben. Als je die niet hebt, dan is er niets meer aan te doen. Dan ben je te laat, dan klinkt zelfs het harde woord van Jezus: je komt er niet in, want ik ken je niet.

Wat is dan die brandende lamp, wat is dan die olie? In feite is dat de liefde tot God en de liefde tot de mensen. Heb je daar in je leven voldoende reserves in opgebouwd. Als je alleen maar kunt zeggen: “Ik heb heel de wereld gezien; ik heb genoten van het goede der aarde; ik heb feest gevierd en ’s avonds televisie gekeken. Naar de kerk gaan, bidden, vrijwilligerswerk, kinderen krijgen, zieken bezoeken, daar ben ik nog niet aan toe gekomen”; dan sta je met lege handen voor Christus. Dan zegt Hij: ik ken u niet. Dan onderga je het lot van die rijke, die dacht dat het leven bestond in volle graanschuren en die stierf toen hij ze volgestouwd had of de rijke vrek, die de arme Lazarus niet eens zag liggen. Dat zijn de vijf onverstandige meisjes.

Er zijn echter ook mensen, die wel reserves opbouwen: voor wie het geloof een serieuze zaak is waar men voor kiest en tijd in investeert. Die God en de medemens het zwaarst laten wegen: die uit liefde tot God tijd vrijmaken voor gebed en sacramenten; die een open oog hebben voor de nood van hun medemensen. Voor wie een huwelijk en een gezin belangrijker zijn dan werk. Voor wie de zorg voor de kinderen boven geld en plezier gaat. Mensen die offers durven brengen voor de dingen die het belangrijkste zijn in het leven. Die mensen hebben hun lamp brandend en die hebben genoeg reserve. Zij zijn rijk bij God. Zij kunnen gerust slapen. Want ze zijn steeds klaar om voor Christus te verschijnen.

Belangrijke dingen in je leven uitstellen ter wille van oppervlakkiger dingen of er gewoon niet aan toekomen, omdat je opgaat in de voorbijgaande dingen, dat is levensgevaarlijk, zegt Jezus. Want gij weet niet op welk uur de afrekening komt. En dan is het te laat. Het evangelie is een oproep tot bekering voor ons allemaal. Sluit je aan, opnieuw, bij de verstandige meisjes. Zorg dat je rijk wordt bij God, dat je lamp brandend is, als de bruidegom komt, zodat je gerust kunt leven en gerust kunt sterven, omdat je weet, dat Christus jou kent en herkent als zijn leerling, die metterdaad in zijn voetstappen getreden is. Amen.

Bron


 

 

30e zondag door het jaar A 2017

GOD ONTMOETEN EN DE NAASTE

Niemand twijfelt eraan dat de liefde tot God het eerste en het hoogste gebod is en elke eerlijke mens zal ook aanvaarden dat hij zijn naaste moet liefhebben, zoals zichzelf. De moeilijkheid begint pas, wanneer je zoals deze wetgeleerde, de vraag gaat stellen: welk is het voornaamste gebod van de wet?

Jezus kan dingen die in de praktijk schijnbaar heel moeilijk op te lossen zijn, door een heel eenvoudig woord verhelderen, waardoor de dingen teruggeplaatst worden op hun diepste fundament. Wij denken b.v. aan zijn meesterlijk antwoord op de vraag: “Wie is mijn naaste?” Zo geeft Jezus ook hier weer een meesterlijk eenvoudig antwoord, door het tweede gebod gelijkwaardig te verklaren met het eerste gebod. De twee geboden stonden reeds in de Schrift, maar ze stonden wel apart, in een ander boek, op een andere bladzijde, zou je zeggen. Het gebod van de naastenliefde staat maar één keer op een tamelijk onbekende plaats in het Oude Testament (Lev.19,18) en dat koppelt Jezus hier onverbrekelijk met het gebod van de liefde tot God, zodat deze twee niet meer te scheiden zijn. Als je tegenwoordig een openbaar gebouw binnengaat, zijn daar vleugeldeuren, die ofwel samen open, ofwel samen dichtgaan, maar altijd samen. Zo is het ook met het gebod van de liefde tot God en de liefde tot de naaste, die twee komen samen in beweging. Als je tekort schiet in je liefde tot de naaste, schiet je ook tekort in je liefde tot God en als je tekort schiet in de liefde tot God zul je het gebod van de liefde tot de naaste nauwelijks nog kunnen vervullen. De rechten van de mens en de rechten van God zijn niet te scheiden.

In theorie zullen wij als gelovigen deze gelijkwaardigheid van de twee geboden wel aanvaarden, maar in de praktijk zullen wij vaak ertoe altijd toe neigen ze van elkaar te scheiden. Johannes zou daarop de vraag stellen: Hoe kun je zeggen dat je God liefhebt als je je broeder haat? Dan ben je een leugenaar. Want als je je broeder, die je ziet, niet liefhebt, hoe kun je dan God liefhebben, die je nooit gezien hebt?

En voor die mensen die in hun gebeden de liefde tot de naasten vergeten -gewoonlijk zullen zij dat zelf niet weten of zeker niet toegeven – kan dit evangelie een waarschuwing zijn. Door een gebed, dat los staat van de zorg om de naasten, kun je God niet bereiken. God zul je het gemakkelijkst ontmoeten door je liefde tot je medemens, hetzij dit je man, je vrouw, je kinderen of je buren zijn, hetzij dit de armen in ons midden, of de noodlijdenden in de wereld zijn. Maar een gebed zonder daad is leeg. De H. Jacobus zegt: «Zoals het lichaam dood is zonder ziel, zo is het geloof zonder de daad dood. Wat heeft het immers voor zin als je tegen een arme zegt: geluk ermee, houd je warm en eet maar goed, als je niets zou doen om hem in zijn stoffelijke nood te helpen?»
Het gaat niet over God òf de mens, over gebed òf actieve naastenliefde, maar over God èn mens, gebed èn naastenliefde. Deze twee zijn onafscheidelijk, gelijkwaardig zegt de Heer. De liefde tot God moet zich uiten in daden van liefde. De liefde tot de evennaaste moet zich steeds weer voeden door de liefde tot God.

PJ Lammers, Woord en leven, blz. 180-182.