Het sterke getuigenis van Thomas

Preek 2de zondag van Pasen B (2018)

Gezellen en Gezellinnen

Preek 2de zondag van Pasen B (2018)

Ik heb me laten vertellen dat er destijds in de concentratiekampen van de nazi’s een straf bestond waarbij gevangenen dagenlang in een kleine cel werden opgesloten, helemaal in het donker. Als ze dan uiteindelijk na enkele dagen dat hok mochten verlaten, konden ze lange tijd geen daglicht verdragen. Hun ogen konden het plotse zonlicht niet aan.

Als wij de Bijbel lezen, lijkt het wel alsof ook de leerlingen van Jezus uit een langdurige duisternis komen en plots de schittering van de zon in hun ogen krijgen. Hun eerste reactie is geen vreugdevol en feestelijk ‘alleluja’, maar wel een  zelfverdediging.

Het evangelie beschrijft twee verschijningen van de verrezen Jezus aan de leerlingen: de eerste zonder, en de tweede met Thomas. En wat blijkt? Niet alleen de eerste keer, maar ook de tweede keer hebben de leerlingen zichzelf opgesloten. Grendel ervoor, goed gebarricadeerd, de…

View original post 495 woorden meer

Advertenties

Preek 5de Zondag van de Vastentijd B (2018)

Gezellen en Gezellinnen

Twee weken scheiden ons nog van Pasen. Maar de tocht naar het lege graf passeert langs Golgotha. Pasen is niet verkrijgbaar zonder Goede Vrijdag. In de aanloop naar de Goede week staan de lezingen ook meer en meer in het teken van wat er te gebeuren staat. Waarom moest Jezus eigenlijk op zo’n brutale manier vermoord worden?

De bevolking zuchtte onder de Romeinse bezetter en Jezus had grote verwachtingen gewekt bij de bevolking. Ze leefde in de terechte of onterechte verwachting dat Hij hen van de Romeinen zou bevrijden. Zo rond het paasfeest, met de vele pelgrims in Jeruzalem, was één vonk genoeg om de vlam in de pan te laten slaan. Jezus had kunnen afzien van zijn reis naar Jeruzalem. Hij heeft het niet gedaan. In Jeruzalem had Hij kunnen ontsnappen, maar heeft het niet gedaan. Hij had Judas Iskarioth van zijn idee om hem te verraden, kunnen afbrengen…

View original post 393 woorden meer

5de zondag v.d. veertigdagentijd jaar B (2018)

door pastoor Mennen

redemptive-suffering


De scène uit het evangelie begint heel gewoon. Een paar geïnteresseerde Grieken, buitenlanders die vanwege het Paasfeest in Jeruzalem waren en van die leermeester Jezus hadden gehoord, wilden Hem iets vragen. Ze durfden Hem blijkbaar niet rechtstreeks te benaderen maar doen dat via de apostelen, via Filippus en Andreas.

Maar toch wel ongewoon is, dat Jezus hen geen kans geeft iets te vragen maar meteen een verklaring afgeeft, en wel een verklaring die heel zijn zending, ja heel zijn leven samenvat. Zijn lijden en zijn kruisdood staan voor de deur. Er is geen tijd voor vragen meer. Het komt nu aan op het doen, op wat er gaat gebeuren, op het verlossend handelen dat voor de deur staat. “Het uur is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt.”

In het evangelie van Johannes is dat altijd het uur van het kruis: het moment waarop Jezus van de aarde verheven is. En dat verheven is dan tegelijk: verheven op het kruis maar ook verheven tot in het hoogste der hemelen, verheven aan de rechterhand van God. Het moment van het sterven van Jezus, het moment waarop Hij zich totaal geeft, is het moment van de verheerlijking waarvan de verrijzenis de bevestiging is.

Het is het moment waar Jezus bang voor is: “Vader, red Mij uit dit uur”; “als het mogelijk is laat deze kelk aan Mij voorbijgaan.” Maar het is tegelijk ook het uur naar waar Jezus verlangt: “niet mijn wil maar uw wil geschiede”, “het is volbracht”. En vandaag: “daarom ben Ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam.” Het lijkt tegenstrijdig maar voor Jezus is het dat niet. Het is het geheim van de graankorrel. Als die niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, maar als hij in de aarde valt en sterft, brengt hij veel vrucht voort. Het vruchtbare sterven. Het sterven dat de toekomst opent. Daar gaat het Jezus om.

Hij zegt het nog weer anders: Wie zijn leven bemint, verliest het. Wie aan dit leven hangt, wie daar al zijn kaarten op zet, die zal alles verliezen. Want één ding is zeker, zegt Jezus, dit leven met al zijn materiële dingen gaat voorbij. “Wie zijn leven in deze wereld haat, zal het ten eeuwige leven bewaren.” Dat klinkt nogal sterk: zijn leven haten. Dat is een Oosterse manier van uitdrukken. Jezus bedoelt: wie dit aardse leven, wie de materiële dingen, wie zijn “ik” durft los te laten ter wille van God en medemens, ter wille van de liefde, die zal zijn leven bewaren voor de eeuwigheid. Het naar je toehalen leidt tot verlies van alles; het loslaten in liefde leidt tot het winnen van alles.

Dat is de grote boodschap van het evangelie. Ook tegelijk de moeilijke boodschap: want je “ik” loslaten, dat valt niet mee: je trots, je gelijkhebberij, je vermeende recht laten varen en jezelf wegcijferen, daar hebben we allemaal moeite mee. Dat en dat alleen is wel het antwoord op alle vragen die je aan Jezus wilt stellen. Het antwoord op al je vragen is het beeld van de graankorrel die sterft en vrucht draagt, het beeld van Jezus die verheven wordt doordat Hij zich geeft op het kruis en schijnbaar ten onder gaat.

En Jezus voegt eraan toe: “wil iemand Mij dienen, dan moet hij Mij volgen; waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn”. Iedereen die zijn volgeling wil zijn, zal Hij tot zich de hoogte in trekken: en dat is dan evenals bij Hemzelf: de hoogte van het kruis, van het lijden, van het jezelf geven, de hoogte van Goede Vrijdag en daarin tegelijk de hoogte van de verheffing tot het kindschap Gods, de hoogte van het eeuwige leven, de hoogte van Pasen. Amen.

Bron: mennenpr.nl


 

Preek Vastenactie Campagne 2018

fotos_va_handboek_2018_normal

Vastenactie Campagne 2018: ‘Gaan waar niemand gaat, doen wat niemand doet’

Dat is het motto van de Zusters van de Heilige Harten van Jezus en Maria in Zambia, door de landelijke Vastenactie gekozen als een van de vijf projecten waar Vastenactie zich dit jaar sterk voor maakt.

PROGRAMMA IN MBALA, ZAMBIA: Met onze bijdrage helpen we kwetsbare kinderen en volwassenen het hoofd te bieden aan de gevolgen van hiv en aids ziekte.  Daartoe steunen we een hulp-programma voor Mbala. Met onze bijdrage krijgen hiv-positieve mannen en vrouwen een opleiding en kunnen we een weeshuis en een school voor gehandicapte kinderen voorzien van leermiddelen, speelmaterialen en medische hulpmiddelen.

HET LEVEN IN MBALA: Ons campagneproject 2018 gaat over Mbala, een stad (en district) in het uiterste noorden van Zambia, vlakbij het Tanganyikameer in Tanzania.  Veel mensen komen van het platteland naar Mbala in de hoop er werk te vinden. Meestal lukt dat niet. Ze bouwen huisjes aan de rand van de stad, waar zich sloppenwijken hebben gevormd. De wegen zijn onverhard en zo slecht dat je er met een gewone auto niet kunt rijden: door de zware regens in het regenseizoen zitten ze vol diepe kuilen en zijn de zijkanten vaak veranderd in diepe geulen – na een regenbui zijn de wegen dan ook veranderd in grote modderpoelen. Er is geen schoon water en geen elektriciteit in veel delen van Zambia Sloppenwijken. Mensen moeten daarom naar de rivier lopen om water te halen. Het betekent bijvoorbeeld ook dat er geen wc’s zijn en dat riolering ontbreekt. Dat is onhygiënisch en daardoor worden mensen gemakkelijker ziek.

Het Vastenactie campagneproject 2018 wordt uitgevoerd door de zusters van het Heilig Hart van Jezus en Maria. Zij zijn sinds 1962 in de Mbala-regio in Zambia actief, op verzoek van de toenmalige overheid en van de bisschop van het Bisdom. Vanuit hun missie zetten zij zich in voor onderwijs en ziekenzorg. Zij hebben bijvoorbeeld een ziekenhuis gebouwd in de regio (in samenwerking met het bisdom) en dat jarenlang gerund.

Sinds het uitbreken van de hiv / aidsbesmettingen hebben de zusters hun werkzaamheden verlegd naar de zorg voor slachtoffers van deze ziekte, hun families en hun kinderen. Het ziekenhuis hebben ze overgedragen aan de overheid. In 1991 hebben de zusters het HID-programma opgezet.

Het doel van dit programma is om de impact van hiv/aids te verminderen via voorlichting en goede gezondheidszorg en door mensen te helpen in hun eigen levensonderhoud te voorzien. De zusters zijn de enige grote religieuze hulporganisatie in deze regio op het gebied van hiv/aids.

ONDERDELEN VAN HET HID-PROGRAMMA ZIJN;

  • Hulp aan weeskinderen en kwetsbare kinderen;
  • Ondersteuning van aidspatiënten;
  • Opleiding en opvang van gehandicapte kinderen en volwassenen;
  • Armoedebestrijdingprogramma’s;
  • Bewustwordingsprogramma’s.

HIERVOOR HEBBEN DE ZUSTERS VERSCHILLENDE ACTIVITEITEN OPGEZET;

  • Alfabetiseringsgroepen, waarbij vrijwilligers lees-, schrijf- en rekenles geven aan volwassenen én aan steeds meer kinderen;
  • Lotgenotengroepen, waarbij mensen met hiv/aids regelmatig bij elkaar komen.
  • Ze bespreken bijvoorbeeld het belang van medicijnen en hoe je ze inneemt. Ze helpen elkaar de ziekte te accepteren;
  • Een ‘maatjessysteem’ van vrijwilligers die een paar keer per week langs gaan bij mensen die te ziek zijn om naar de lotgenotengroepen te komen. Ze ruimen de huisjes op, maken schoon, wassen de zieken en koken pap. Zo nodig wordt de maïspap vanuit het project verstrekt;
  • Zorg voor distributie van medicijnen en hulp bij het innemen daarvan; het is belangrijk dat de patiënten elke dag op vaste tijden hun medicijnen innemen;
  • Workshops waar mensen een ambacht leren waarmee ze in hun levensonderhoud kunnen voorzien;
  • Ondersteuning van het weeshuis;
  • Ondersteuning van de school voor gehandicapte kinderen.

De zusters zijn zeer betrokken bij de mensen en hebben voor iedereen tijd, aandacht en waar nodig een helpende hand. Geen eindeloos helpende hand, want de zusters willen mensen zo snel mogelijk op eigen benen zetten, zodat ze weer voor zichzelf en hun gezin kunnen zorgen. Daarmee geven ze talloze kinderen en volwassenen hun waardigheid terug.

Wat betekent dat voor ons?

Alle lof voor de inzet van de zusters en hun medewerkers. Zij en de mensen om wie het gaat, hebben onze hulp nodig. Onze inzet maakt het mogelijk dat de zusters kunnen blijven gaan waar niemand gaat, kunnen blijven doen wat niemand doet.


 

Preek 4de zondag veertigdagentijd, jaar B (2018)

the-easter-story-in-book-of-revelation-global-center-for-uncategorized-cross-gs34000-woodencross6-easy-crosswords-with-answers-printable-728x491Een verkeersbord dat aanduidt: ‘kijk uit, gevaar’: en onmiddellijk daarachter een tweede bord, dat zegt: ‘einde van alle verboden’. Een dergelijke situatie is op onze wegen niet helemaal onmogelijk maar wel erg verwarrend. Nog verwarrender en raadselachtiger zou het zijn, als er één bord stond, dat allebei de betekenissen tegelijk zou hebben.

Mozes richt in de woestijn een dergelijk dubbelzinnig teken op, een teken van tegenspraak. Het zit daar vol met giftige slangen; velen zijn gebeten en gestorven; er is een panische angst bij het volk. Ze zien de slangen als een straf van God voor hun gemopper en hun ongehoorzaamheid, straf voor hun ongeloof. En dan maakt Mozes van brons zo’n giftige slang en zet die op een paal. Het is het teken van het grote gevaar, dat iedereen bedreigt. Maar het verhaal gaat verder: ieder die door een slang gebeten was, maar zijn ogen vol vertrouwen, vol geloof omhoog richtte naar de slang, bleef in leven. Het teken van gevaar, wordt als je er in geloof naar opziet, een teken van redding. Het volk van Israël in de woestijn moet blijkbaar leren, niet te mopperen, niet terug te krabbelen voor gevaren die dreigen, maar bij alle bedreiging omhoog te blijven kijken in geloof naar God, de bedreiging onder ogen te zien in geloof. Dan is er redding.

In de koningstijd, toen het Israël materieel goed ging, hadden ze alleen maar aandacht voor rijkdom, genot en plezier. Zelfs de priesters deden eraan mee. Hun blik ging niet meer naar boven. En de profeten, die hun blik naar boven wilden trekken, werden voor de gek gehouden. Ze meenden geen redding nodig te hebben.

De Babylonische ballingschap maakt een eind aan die illusie. Jeruzalem en de Tempel waar ze zo trots op waren werden verwoest. Ze hadden niets meer dan doffe ellende in een vreemd land. Maar juist in de ballingschap ging het volk weer luisteren naar de profeten, richten ze hun ogen weer op naar de Hemel in geloof. En er kwam redding in de doffe ellende. Onder de Perzenkoning Cyrus mag het volk gelouterd en gezuiverd terugkeren naar Jeruzalem.

De ballingschap, het teken van vernedering wordt het middel tot redding. Als Jezus in zijn nachtelijk gesprek stil staat bij de betekenis van zijn eigen leven, verschijnt dezelfde dubbelzinnigheid en tegenspraak. Hij ziet het kruis. Het kwaad van heel de wereld, het kwaad van jaloezie en eigengereidheid, van egoïsme en goddeloosheid zal Hem breken, zal het laatste restje bloed uit Hem persen. Hij is er niet happig op. Welke mens zou dat wel zijn. Maar Hij ziet het onder ogen als iets wat moet gebeuren. Immers in die opperste vernedering wordt de Mensenzoon verheven. Jezus zal verheven worden aan het kruis. Dat woord staat er niet voor niets. In de diepste ellende hangt Hij aan het kruis als de Verhevene, hoog boven de aarde. Daar is Hij al de Verrezene, het échte Leven. Het kruis is niet alleen het teken van de redding, het is de redding zelf.

Op het kruis snijden twee lijnen elkaar. Op de horizontale balk van het kruis staat: beproefd, verteerd, vergaan, lijden en dood. Op de verticale balk staat: verheerlijkt, verheven, verrijzenis, leven in eeuwigheid. Op het kruispunt van die twee vallen de tegenstellingen weg. Of beter gezegd: ze gaan in elkaar op; op dat kruispunt is de meest Vernederde de meest Verhevene.

Maar er is meer: op dat kruispunt voltrekt zich het oordeel. Wie niet opziet naar het kruis en wie niet gelooft, dat in deze Vernederde… Gods heerlijkheid aan het licht komt, is veroordeeld. Maar wie in Hem gelooft zegt Johannes, wordt niet geoordeeld. In Hem geloven, dat is doen wat Hij gedaan heeft: het kruis niet uit de weg gaan; dienen; de minste durven zijn; durven lijden en sterven met Hem. Wie leeft als Hij zal maar al te vaak het gevoel krijgen, dat hij verliest en vergaat. Dat is dan een teken, dat hij meer en meer gaat lijken op Hem die verloor, verging en overwon. Amen.

Bron: www.mennenpr.nl


6de zondag door het jaar B (2018)

Eerste lezing: Leviticus 13,1-2.45-46.
Tweede lezing: 1 Korintiërs 10,31-11,1.

Evangelie: Marcus 1, 40-45  

In die tijd kwam er een melaatse bij Jezus die op zijn knieën viel en Hem smeekte:  “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.”
Door medelijden bewogen stak Jezus de hand uit, raakte hem aan en sprak tot hem:  “Ik wil, word rein.”
Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.

Terwijl Hij hem wegstuurde vermaande Hij hem met klem: “Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven om ze het bewijs te leveren.”

Eenmaal vertrokken begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen en ruchtbaarheid aan de zaak te geven met het gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen verbleef. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.




Inleiding

In het evangelie van vandaag vindt een reiniging plaats en wel van een melaatse. Het evangelie ziet de mensheid als een melaatse, getroffen door een dodelijke ziekte waar niemand iets aan kan doen, alleen Jezus. “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.” Wij doen een beroep op God: ‘God, laat mij bij U bescherming vinden’. ‘Wees mij een veilige toevlucht.’

Preek

Een melaatse! Melaatsheid was in Jezus’ tijd wat vroeger bij ons tbc (tuberculose) was en wat tegenwoordig kanker is. Het erge van melaatsheid was dat het besmettelijk was, waardoor degenen die die ziekte hadden, in een isolement verkeerden, en bijvoorbeeld in gescheurde kleren rondliepen, zodat iedereen het aan hen kon zien. En als het niet te zien was, moesten ze het laten weten door hardop te roepen: ‘Onrein, onrein!’ Zo lang de ziekte duurde, was zo iemand onrein en moest hij apart wonen, en hoorde hij er niet bij. Dat was toen in die tijd nog veel erger dan nu. Onze maatschappij is geïndividualiseerd, de mensen leven als enkeling. Maar toen was de samenleving nog hecht, ze leefden niet volgens het ‘ik-patroon’, maar als ‘wij’, ‘wij-samen’. Het was dus heel erg voor een melaatse dat hij zich uit de gemeenschap moest terugtrekken, om een eenzaam leven te beginnen.

Wij hoeven niet beslist melaats te zijn om ons een melaatse te voelen, of om anderen als melaatsen te behandelen. Mensen zeggen wel eens: ‘Het lijkt wel of ik een melaatse voor hem ben.’ Of ik ga anderen uit de weg, zij zijn als melaats voor mij, ik sluit ze buiten. En dan is er nog een soort melaatsheid waarbij mensen zichzelf buitensluiten. Dat is gewoonlijk een gevolg van een zichzelf niet kunnen aannemen zoals ze zijn, of bepaalde eigenschappen niet kunnen aannemen. Als ze een paar mensen zien praten, denken ze al snel: ‘Die hebben het over mij’, of als ze iemand zien lachen als ze eraan komen: ‘Ze lachen me uit’, of als iemand zijn gezicht vertrekt, zoeken ze de reden meteen bij zichzelf.

Het komt ook nogal eens voor dat mensen die een zwaar verlies hebben geleden en in een rouwproces verkeren, zich een melaatse voelen omdat andere mensen hen mijden. Andere mensen vrezen ook bedroefd te worden, als ze in aanraking komen met zo’n bedroefd iemand. Dat is ook een manier om uitgesloten te worden. En zo kunnen we nog wel even doorgaan, bijvoorbeeld: mensen die het slachtoffer worden van een lastercampagne, van uitsluiting omdat ze tot een ander ras, tot andere cultuur behoren. Men ontloopt ze. Ze worden behandeld als melaatsen.

Zo’n melaatse komt nu bij Jezus. Eigenlijk mag een melaatse helemaal niet bij een gezond iemand komen, maar de man kán gewoon niet anders. Hij overtreedt alle regels die hem zijn opgelegd en hij komt bij Jezus. Hij, die melaatse, die van top tot teen ziek is, dodelijk ziek, uitzichtloos ziek, heeft één gave plek: namelijk zijn geloof in God. “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.”, zegt hij. In dat ene woord drukt die man zijn onmacht uit: ‘God, laat mij bij U bescherming vinden, wees mij een veilige toevlucht.’ Gij kunt mij redden.

Hoe doet Jezus dat, hem genezen? Hij handelt “door medelijden bewogen”. De macht van Jezus bestaat uit zijn barmhartigheid. Hij laat het leed van de melaatse diep in zijn eigen Hart binnenkomen, Hij voelt zijn verbittering, zijn eenzaamheid en vertwijfeling, Hij neemt er deel aan, Hij lijdt er zelf ook aan.

St. Franciscus van Assisi heeft eens beschreven hoe hij zich voelde toen hij een melaatse zag. Hij werd door Jezus uitgenodigd, om hem niet alleen aan te raken, maar zelfs te omhelzen. Wat hij toen in zich voelde, was alsof zijn maag in zijn lichaam omdraaide. Maar Jezus kent geen aanrakingsangst. Hij werd door medelijden bewogen, waardoor Jezus het genezende woord spreken kan: “Ik wil, word rein.”

Wat betekent dat alles nu voor ons? Op die barmhartige houding en wil kunnen wij beroep doen. De Jezus van tweeduizend jaar geleden is nu onder ons met zijn wilsbeschikking, met zijn testament, zijn nieuwe testament. Dit is het Nieuwe Verbond, tot vergiffenis van de zonde en tot reiniging en genezing.

Vgl. www.petruscanisiusstichting.nl/prekenboek (pater Bots)

Jezus heeft altijd gebeden – 5de zondag door het jaar B 2018

INLEIDING

temptation_jesus20Wij maken kennis met Jezus door Hem te volgen in zijn eerste optreden in Kafarnaüm: thuisgekomen van de gebedsdienst in de synagoge, doen Petrus en diens metgezellen Andreas, Jakobus en Johannes een beroep op Jezus ten behoeve van Simons zieke schoonmoeder. Hij genas haar. Onmiddellijk zet zij haar vrijgeworden kracht in ten behoeve van anderen: “zij bediende hen”. ’s Avonds na zonsondergang, stroomde de hele stad voor Jezus’ deur samen om hun zieken te laten genezen. Maar Jezus heeft het gevoel, dat zijn eigenlijke zending er dreigt vast te lopen. Hij trekt zich daarom terug in de eenzaamheid, “waar Hij bleef bidden”. En als ze Hem willen komen halen om Hem zijn taak als wonderdoener te laten voortzetten, antwoordt Jezus: “Laten we ergens anders heen gaan.” In trouw aan de zending van zijn Vader van Wie Hij is uitgegaan.

PREEK

 “Zodra Jezus uit de synagoge kwam, ging Hij met Jakobus en Johannes naar het huis van Simon en Andreas.”

“Uit de synagoge”. Wij zouden zeggen: uit de kerk. Jezus was een trouwe kerkganger. Hij voegde zich in in de bestaande tradities van zijn volk om God te ontmoeten. Het eerste onderricht vindt plaats in de synagoge. Buiten die wekelijkse gang naar de synagoge, trok Jezus er dikwijls op uit om in de eenzaamheid te bidden. Ook zijn er die momenten van spontaan gebed, waarin Jezus een kort contact heeft met zijn Vader in de hemel. Jezus heeft altijd gebeden. In de omgang met de mensen bleef Hij verbonden met de hemelse Vader. Uit zijn kracht deed Hij de tekenen, zijn woord sprak Hij in gehoorzaamheid aan Hem.

“De schoonmoeder van Simon lag met koorts te bed; zij spraken Hem aanstonds over haar. Hij ging naar haar toe, pakte ze bij de hand en deed haar opstaan; zij werd vrij van koorts en bediende hen.”

De koortsige schoonmoeder is een treffend beeld van de mens in onze samenleving. Hij lijdt aan een koortsachtige onrust. Alles gaat sneller en sneller. We moeten steeds meer zien en overzien en verwerken. We worden jachtig en gejaagd. We leven in een stroomversnelling. Zoals bij de koorts het bloed versneld door onze aderen jaagt en ons rusteloos maakt, zo jaagt het leven van nu door de communicatiekanalen van onze samenleving. Maar daardoor komen we niet meer aan onszelf toe. En ook de zwakkeren worden er de dupe van, mensen die zichzelf niet kunnen redden en op het dienstbetoon van anderen zijn aangewezen. Jezus is er ten behoeve van al die achterblijvers, die uitvallers, die marginalen, die afgeschrevenen, die het niet meer kunnen bijbenen. Daar heeft Jezus oog voor. Daar is het evangelie voor: als een correctie op de geest van al te grote voortvarendheid van onze samenleving. Om die kracht van Jezus te kunnen ervaren, is zijn aanraking nodig en, de bereidheid om je te willen láten aanraken: “Hij ging naar haar toe, pakte ze bij de hand.” Er zit levenwekkende kracht in de hand van Jezus…

“Zij werd vrij van koorts en bediende hen.”

Haar vrijgekomen kracht besteedde zij niet voor zichzelf, maar in dienstbaarheid aan “hen”. Dat is de kracht van het evangelie: mensen worden bevrijd van hun onrust, van het koortsachtig zoeken van zichzelf. Daar worden de armen beter van. Want aan hen wordt de vrij gekomen energie besteed. Jezus stelde zijn hele leven in het teken van de dienst: “de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” (10,45).

“Hij antwoordde hun: Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat Ik ook daar kan prediken.”

Daar dient het gebed voor: om weer op dreef te komen als we dreigen te verzanden, bijvoorbeeld in het drijfzand van het succes. Jezus heeft zich niet laten vangen in het succes. Aan zijn zelfverloochening hebben wij het te danken, dat zijn woord tot ons is gekomen. Want “de dorpen in de omtrek” van Kafarnaüm zijn het begin geworden van wat zou uitgroeien tot een wereldwijd apostolaat: “Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping” (16,15). In steeds wijdere kringen, tot in ons land toe, tot op de dag van vandaag. Dat wij nu het evangelie lezen en overwegen, is te danken aan het feit, dat er steeds mensen zijn geweest, die, zoals Jezus, zich onthecht hebben van een gemakkelijk succes en een comfortabel leven.

 “Daartoe immers ben Ik uitgegaan.”

Uitgegaan? Waaruit? Uit Kafarnaüm. Maar uiteindelijk is Jezus uitgegaan van de Vader. Het leven van Jezus heeft iets van een uittocht: weg uit de geborgenheid bij de Vader, een bestaan van een dienstknecht, door lijden en dood.

Op zijn uittocht ontmoet Hij ons, neemt ons bij de hand, zoals de schoonmoeder van Simon Petrus, om ons op te wekken uit onze terneergeslagenheid, uit de uitputtende koorts van onze hartstochten, om ons mee te nemen, terug naar zijn Vader. “Daartoe immers ben Ik uitgegaan.”

Vgl. Dr. J. Bots SJ, Komt allen tot mij, Meditatie bij de zondagsevangelies van het jaar B en register, Uitgeverij Tabor, Brugge, 1990, blz. 222-230.

Job – 5de zondag door het jaar B (2018)

WELKOM

job36-job-and-his-friendsVandaag krijgen we een klacht over ons uitgestort. Een kort stukje van de lange klaagzang die Job laat horen over het leed dat hem overkomen is, dat hem is aangedaan. Is het soms niet beter om het leven maar los te laten en alles op te geven? Is het dan niet beter om je geloof en je waarden los te laten?
In de ellende die mensen soms beleven, tegenover de immer onbeantwoorde vraag van het waarom, kan het verleidelijk zijn om het lijden te ontkennen of om het te bagatelliseren. “Het zal wel goed komen, je moet het niet zo zwaar zien.” wordt dan tegen je gezegd.

Hoe staan wij tegenover het lijden van onze geschiedenis? Hoe staan tegenover het lijden van mensen die wij kennen? Kunnen we daar iets brengen van Gods helende aanwezigheid zoals Hij dat in Christus heeft willen doen? Durven wij het aan trouw te blijven aan mensen die een zwaar lijden dragen, ook als we zonder antwoord of verklaring zijn?

Laten we in deze eucharistie de kracht van Christus zoeken die net als Job tot de bodem van het lijden is gegaan.

HOMILIE

Wat Job is overkomen verandert zijn persoon volkomen. Wie dit Bijbelboek leest van begin tot einde, leest het verhaal van de moderne mens die niet zo maar op alles ja zegt, niet alle zoete woorden zomaar slikt, een mens die snakt naar oprechte en authentieke vriendschap. Job is en blijft een religieuze, een godsdienstige mens. Ondanks zijn ellende verandert dit niet, maar zijn levenservaring en zijn lijdenservaring veranderen zijn relatie met de wereld en met de mensen om hem heen. Hij leert de wereld beter kennen. Hij leert zijn zogenaamde vrienden beter kennen.

Het lijden openbaart niet nieuwe of andere kennis over God die mensen dit lijden aan zou doen – het boek Job wijst uiteindelijk geen schuldige aan, ook God niet – maar het lijden maakt eerder duidelijk wie mensen zijn. In de opstelling van de vrienden blijkt wat mensen elkaar aan kunnen doen, wanneer het onbegrijpelijke lijden mensen treft. In hun theorieën en vrome woorden getuigen de vrienden van hun leegheid en geestelijke armoede. De zogenaamde vrienden die met Job in gesprek zijn, luisteren niet, maar willen alleen hun eigen theorieën bevestigd zien.

Eigenlijk dringt het lijden van Job en zijn probleem omdat hij zich als een rechtvaardige zoon van de levende God beschouwt, niet door tot de vrienden. Integendeel zij zijn bang voor hem en worden woedend op hem; omdat hij hun goedbedoelde, maar armoedige adviezen niet overneemt en niet berust in zijn lijden als een straf voor zijn verborgen misstappen. Job moet wel schuldig zijn in hun ogen. Job wordt omringd door mensen die zijn lijden alleen maar kleiner willen maken, die het alleen maar wegpoetsen, ja zelfs ontkennen. Ze maken hem zwart en ontnemen hem zijn waardigheid. Ze zeggen: “je hebt het aan jezelf te danken dat je zo in ellende zit. Je moet je straf zwijgend aanvaarden en dragen.” Dit maakt Jobs lijden en eenzaamheid en zijn frustratie alleen maar groter.

Aan dit ontwijkgedrag weigert Job mee te doen. Hij gaat tot de bodem van het lijden om aan het einde God te ontdekken en Hem zelfs te ontmoeten en te ervaren dat hij op dat moment met God komt te spreken. Daar ligt het begin van zijn terugkeer tot het leven. Wanneer hij het woord van God heeft verstaan, krijgt zijn leven weer nieuwe proporties en een nieuw kader. Zelfs zijn gehavende leven is niet door God vergeten of uitgesloten of verdoemd. Hoe onbegrijpelijk dit ook is: de lijdende mens wordt teken van Gods voortdurende trouw. Of het nu gaat om de slachtoffers van de Holocaust – zes miljoen Joden en honderdduizenden anderen zoals zigeuners en verstandelijk gehandicapten – of kinderen die als kindsoldaten daders en slachtoffers tegelijk zijn: zij worden allen door Gods ontferming omarmd. Daar waar wij geen antwoorden hebben, geeft God zijn antwoord dat ons overstijgt en dat wijst op de kracht van zijn schepping, van zijn liefde die eeuwig blijft.

Dit perspectief dat ons in het boek Job wordt geboden, helpt ook de schoonmoeder van Petrus weer op de been en de vele zieken en lijdenden die men bij Jezus brengt. Zij komen in een nieuw bestaan waarin dienstbaarheid jegens de andere mens centraal staat. De schoonmoeder staat immers niet op om zomaar koffie in te schenken, maar om dienstbaar te zijn, dienstbaar aan God, aan de mensheid, aan haar levensroeping en levensopdracht die zij als het ware opnieuw ontvangen heeft. Er klinken nog wel boze geesten – horen we hier niet opnieuw de stemmen van de vrienden van Job? – die door Jezus in het evangelie definitief het zwijgen krijgen opgelegd.

Als Jezus zelf als man smarten het lijden moet ondergaan en daarin nog verder moet gaan dan Job en het leven moet loslaten tot aan de nederdaling in de dood, houdt de theorie van de straf geen stand. Dit lijden kan geen straf zijn voor zonde, maar is teken van dienstbaarheid van Gods Zoon zelf die alles uit handen geeft.

Er zijn in onze tijd andere vrienden opgestaan. In tegenstelling tot de vrienden die Job zeggen dat hij moet berusten in de straf van God, klinken nu de stemmen dat de mens zich moet losmaken van God. Het lijden is teken van Gods zwijgen, ja van zijn afwezigheid. Zo maakt de mens zich meester van het leven, maar dit is evenmin een antwoord op het lijden dat immers alomtegenwoordig blijft en onbegrijpelijk. Meester willen zijn van het leven uit zich in allerlei eigenmachtige beslissingen omtrent het leven, dit uit zich in een levensovertuiging waarin de mens zichzelf tot maat van alle dingen maakt en zijn eigen ethiek creëert. De mens wil zo graag meester van het leven zijn, het leven naar zijn hand zetten en het in eigen hand nemen.
Uiteindelijk blijft dit een illusie en een ontkenning van de menselijke waardigheid: het lijden dat soms genadeloos kan inbreken in het leven, blijft zonder antwoord.

In deze eucharistie vieren we dat er wel een antwoord is dat niet aan het lijden voorbijgaat. Dat antwoord is gelegen in de ontmoeting met de Meester van het Leven zelf, met de lijdende Christus. Job aanvaardt uiteindelijk zijn leven inclusief het lijden wanneer God tot hem spreekt, omdat hij beseft dat hij steeds mag rekenen op Gods liefde en zorg voor hem. Wij mogen dat zelf ook verstaan in deze eucharistie waarin God zijn liefde en zorg toont voor de mensheid van vandaag die nog steeds geen einde aan haar lijden ziet. Mogen wij zelf ook de stem van God verstaan, van Hem die de liefdevolle Meester van het Leven is. Amen.

>> www.preken.be (Ad van der Helm)