Preek Aswoensdag 2018

Evangelie en preek Aswoensdag 14-02-2018
Pater Daniel Artmeyer

Advertenties

6de zondag door het jaar B (2018)

Eerste lezing: Leviticus 13,1-2.45-46.
Tweede lezing: 1 Korintiërs 10,31-11,1.

Evangelie: Marcus 1, 40-45  

In die tijd kwam er een melaatse bij Jezus die op zijn knieën viel en Hem smeekte:  “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.”
Door medelijden bewogen stak Jezus de hand uit, raakte hem aan en sprak tot hem:  “Ik wil, word rein.”
Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.

Terwijl Hij hem wegstuurde vermaande Hij hem met klem: “Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven om ze het bewijs te leveren.”

Eenmaal vertrokken begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen en ruchtbaarheid aan de zaak te geven met het gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen verbleef. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.




Inleiding

In het evangelie van vandaag vindt een reiniging plaats en wel van een melaatse. Het evangelie ziet de mensheid als een melaatse, getroffen door een dodelijke ziekte waar niemand iets aan kan doen, alleen Jezus. “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.” Wij doen een beroep op God: ‘God, laat mij bij U bescherming vinden’. ‘Wees mij een veilige toevlucht.’

Preek

Een melaatse! Melaatsheid was in Jezus’ tijd wat vroeger bij ons tbc (tuberculose) was en wat tegenwoordig kanker is. Het erge van melaatsheid was dat het besmettelijk was, waardoor degenen die die ziekte hadden, in een isolement verkeerden, en bijvoorbeeld in gescheurde kleren rondliepen, zodat iedereen het aan hen kon zien. En als het niet te zien was, moesten ze het laten weten door hardop te roepen: ‘Onrein, onrein!’ Zo lang de ziekte duurde, was zo iemand onrein en moest hij apart wonen, en hoorde hij er niet bij. Dat was toen in die tijd nog veel erger dan nu. Onze maatschappij is geïndividualiseerd, de mensen leven als enkeling. Maar toen was de samenleving nog hecht, ze leefden niet volgens het ‘ik-patroon’, maar als ‘wij’, ‘wij-samen’. Het was dus heel erg voor een melaatse dat hij zich uit de gemeenschap moest terugtrekken, om een eenzaam leven te beginnen.

Wij hoeven niet beslist melaats te zijn om ons een melaatse te voelen, of om anderen als melaatsen te behandelen. Mensen zeggen wel eens: ‘Het lijkt wel of ik een melaatse voor hem ben.’ Of ik ga anderen uit de weg, zij zijn als melaats voor mij, ik sluit ze buiten. En dan is er nog een soort melaatsheid waarbij mensen zichzelf buitensluiten. Dat is gewoonlijk een gevolg van een zichzelf niet kunnen aannemen zoals ze zijn, of bepaalde eigenschappen niet kunnen aannemen. Als ze een paar mensen zien praten, denken ze al snel: ‘Die hebben het over mij’, of als ze iemand zien lachen als ze eraan komen: ‘Ze lachen me uit’, of als iemand zijn gezicht vertrekt, zoeken ze de reden meteen bij zichzelf.

Het komt ook nogal eens voor dat mensen die een zwaar verlies hebben geleden en in een rouwproces verkeren, zich een melaatse voelen omdat andere mensen hen mijden. Andere mensen vrezen ook bedroefd te worden, als ze in aanraking komen met zo’n bedroefd iemand. Dat is ook een manier om uitgesloten te worden. En zo kunnen we nog wel even doorgaan, bijvoorbeeld: mensen die het slachtoffer worden van een lastercampagne, van uitsluiting omdat ze tot een ander ras, tot andere cultuur behoren. Men ontloopt ze. Ze worden behandeld als melaatsen.

Zo’n melaatse komt nu bij Jezus. Eigenlijk mag een melaatse helemaal niet bij een gezond iemand komen, maar de man kán gewoon niet anders. Hij overtreedt alle regels die hem zijn opgelegd en hij komt bij Jezus. Hij, die melaatse, die van top tot teen ziek is, dodelijk ziek, uitzichtloos ziek, heeft één gave plek: namelijk zijn geloof in God. “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.”, zegt hij. In dat ene woord drukt die man zijn onmacht uit: ‘God, laat mij bij U bescherming vinden, wees mij een veilige toevlucht.’ Gij kunt mij redden.

Hoe doet Jezus dat, hem genezen? Hij handelt “door medelijden bewogen”. De macht van Jezus bestaat uit zijn barmhartigheid. Hij laat het leed van de melaatse diep in zijn eigen Hart binnenkomen, Hij voelt zijn verbittering, zijn eenzaamheid en vertwijfeling, Hij neemt er deel aan, Hij lijdt er zelf ook aan.

St. Franciscus van Assisi heeft eens beschreven hoe hij zich voelde toen hij een melaatse zag. Hij werd door Jezus uitgenodigd, om hem niet alleen aan te raken, maar zelfs te omhelzen. Wat hij toen in zich voelde, was alsof zijn maag in zijn lichaam omdraaide. Maar Jezus kent geen aanrakingsangst. Hij werd door medelijden bewogen, waardoor Jezus het genezende woord spreken kan: “Ik wil, word rein.”

Wat betekent dat alles nu voor ons? Op die barmhartige houding en wil kunnen wij beroep doen. De Jezus van tweeduizend jaar geleden is nu onder ons met zijn wilsbeschikking, met zijn testament, zijn nieuwe testament. Dit is het Nieuwe Verbond, tot vergiffenis van de zonde en tot reiniging en genezing.

Vgl. www.petruscanisiusstichting.nl/prekenboek (pater Bots)

Jezus heeft altijd gebeden – 5de zondag door het jaar B 2018

INLEIDING

temptation_jesus20Wij maken kennis met Jezus door Hem te volgen in zijn eerste optreden in Kafarnaüm: thuisgekomen van de gebedsdienst in de synagoge, doen Petrus en diens metgezellen Andreas, Jakobus en Johannes een beroep op Jezus ten behoeve van Simons zieke schoonmoeder. Hij genas haar. Onmiddellijk zet zij haar vrijgeworden kracht in ten behoeve van anderen: “zij bediende hen”. ’s Avonds na zonsondergang, stroomde de hele stad voor Jezus’ deur samen om hun zieken te laten genezen. Maar Jezus heeft het gevoel, dat zijn eigenlijke zending er dreigt vast te lopen. Hij trekt zich daarom terug in de eenzaamheid, “waar Hij bleef bidden”. En als ze Hem willen komen halen om Hem zijn taak als wonderdoener te laten voortzetten, antwoordt Jezus: “Laten we ergens anders heen gaan.” In trouw aan de zending van zijn Vader van Wie Hij is uitgegaan.

PREEK

 “Zodra Jezus uit de synagoge kwam, ging Hij met Jakobus en Johannes naar het huis van Simon en Andreas.”

“Uit de synagoge”. Wij zouden zeggen: uit de kerk. Jezus was een trouwe kerkganger. Hij voegde zich in in de bestaande tradities van zijn volk om God te ontmoeten. Het eerste onderricht vindt plaats in de synagoge. Buiten die wekelijkse gang naar de synagoge, trok Jezus er dikwijls op uit om in de eenzaamheid te bidden. Ook zijn er die momenten van spontaan gebed, waarin Jezus een kort contact heeft met zijn Vader in de hemel. Jezus heeft altijd gebeden. In de omgang met de mensen bleef Hij verbonden met de hemelse Vader. Uit zijn kracht deed Hij de tekenen, zijn woord sprak Hij in gehoorzaamheid aan Hem.

“De schoonmoeder van Simon lag met koorts te bed; zij spraken Hem aanstonds over haar. Hij ging naar haar toe, pakte ze bij de hand en deed haar opstaan; zij werd vrij van koorts en bediende hen.”

De koortsige schoonmoeder is een treffend beeld van de mens in onze samenleving. Hij lijdt aan een koortsachtige onrust. Alles gaat sneller en sneller. We moeten steeds meer zien en overzien en verwerken. We worden jachtig en gejaagd. We leven in een stroomversnelling. Zoals bij de koorts het bloed versneld door onze aderen jaagt en ons rusteloos maakt, zo jaagt het leven van nu door de communicatiekanalen van onze samenleving. Maar daardoor komen we niet meer aan onszelf toe. En ook de zwakkeren worden er de dupe van, mensen die zichzelf niet kunnen redden en op het dienstbetoon van anderen zijn aangewezen. Jezus is er ten behoeve van al die achterblijvers, die uitvallers, die marginalen, die afgeschrevenen, die het niet meer kunnen bijbenen. Daar heeft Jezus oog voor. Daar is het evangelie voor: als een correctie op de geest van al te grote voortvarendheid van onze samenleving. Om die kracht van Jezus te kunnen ervaren, is zijn aanraking nodig en, de bereidheid om je te willen láten aanraken: “Hij ging naar haar toe, pakte ze bij de hand.” Er zit levenwekkende kracht in de hand van Jezus…

“Zij werd vrij van koorts en bediende hen.”

Haar vrijgekomen kracht besteedde zij niet voor zichzelf, maar in dienstbaarheid aan “hen”. Dat is de kracht van het evangelie: mensen worden bevrijd van hun onrust, van het koortsachtig zoeken van zichzelf. Daar worden de armen beter van. Want aan hen wordt de vrij gekomen energie besteed. Jezus stelde zijn hele leven in het teken van de dienst: “de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” (10,45).

“Hij antwoordde hun: Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat Ik ook daar kan prediken.”

Daar dient het gebed voor: om weer op dreef te komen als we dreigen te verzanden, bijvoorbeeld in het drijfzand van het succes. Jezus heeft zich niet laten vangen in het succes. Aan zijn zelfverloochening hebben wij het te danken, dat zijn woord tot ons is gekomen. Want “de dorpen in de omtrek” van Kafarnaüm zijn het begin geworden van wat zou uitgroeien tot een wereldwijd apostolaat: “Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping” (16,15). In steeds wijdere kringen, tot in ons land toe, tot op de dag van vandaag. Dat wij nu het evangelie lezen en overwegen, is te danken aan het feit, dat er steeds mensen zijn geweest, die, zoals Jezus, zich onthecht hebben van een gemakkelijk succes en een comfortabel leven.

 “Daartoe immers ben Ik uitgegaan.”

Uitgegaan? Waaruit? Uit Kafarnaüm. Maar uiteindelijk is Jezus uitgegaan van de Vader. Het leven van Jezus heeft iets van een uittocht: weg uit de geborgenheid bij de Vader, een bestaan van een dienstknecht, door lijden en dood.

Op zijn uittocht ontmoet Hij ons, neemt ons bij de hand, zoals de schoonmoeder van Simon Petrus, om ons op te wekken uit onze terneergeslagenheid, uit de uitputtende koorts van onze hartstochten, om ons mee te nemen, terug naar zijn Vader. “Daartoe immers ben Ik uitgegaan.”

Vgl. Dr. J. Bots SJ, Komt allen tot mij, Meditatie bij de zondagsevangelies van het jaar B en register, Uitgeverij Tabor, Brugge, 1990, blz. 222-230.

Job – 5de zondag door het jaar B (2018)

WELKOM

job36-job-and-his-friendsVandaag krijgen we een klacht over ons uitgestort. Een kort stukje van de lange klaagzang die Job laat horen over het leed dat hem overkomen is, dat hem is aangedaan. Is het soms niet beter om het leven maar los te laten en alles op te geven? Is het dan niet beter om je geloof en je waarden los te laten?
In de ellende die mensen soms beleven, tegenover de immer onbeantwoorde vraag van het waarom, kan het verleidelijk zijn om het lijden te ontkennen of om het te bagatelliseren. “Het zal wel goed komen, je moet het niet zo zwaar zien.” wordt dan tegen je gezegd.

Hoe staan wij tegenover het lijden van onze geschiedenis? Hoe staan tegenover het lijden van mensen die wij kennen? Kunnen we daar iets brengen van Gods helende aanwezigheid zoals Hij dat in Christus heeft willen doen? Durven wij het aan trouw te blijven aan mensen die een zwaar lijden dragen, ook als we zonder antwoord of verklaring zijn?

Laten we in deze eucharistie de kracht van Christus zoeken die net als Job tot de bodem van het lijden is gegaan.

HOMILIE

Wat Job is overkomen verandert zijn persoon volkomen. Wie dit Bijbelboek leest van begin tot einde, leest het verhaal van de moderne mens die niet zo maar op alles ja zegt, niet alle zoete woorden zomaar slikt, een mens die snakt naar oprechte en authentieke vriendschap. Job is en blijft een religieuze, een godsdienstige mens. Ondanks zijn ellende verandert dit niet, maar zijn levenservaring en zijn lijdenservaring veranderen zijn relatie met de wereld en met de mensen om hem heen. Hij leert de wereld beter kennen. Hij leert zijn zogenaamde vrienden beter kennen.

Het lijden openbaart niet nieuwe of andere kennis over God die mensen dit lijden aan zou doen – het boek Job wijst uiteindelijk geen schuldige aan, ook God niet – maar het lijden maakt eerder duidelijk wie mensen zijn. In de opstelling van de vrienden blijkt wat mensen elkaar aan kunnen doen, wanneer het onbegrijpelijke lijden mensen treft. In hun theorieën en vrome woorden getuigen de vrienden van hun leegheid en geestelijke armoede. De zogenaamde vrienden die met Job in gesprek zijn, luisteren niet, maar willen alleen hun eigen theorieën bevestigd zien.

Eigenlijk dringt het lijden van Job en zijn probleem omdat hij zich als een rechtvaardige zoon van de levende God beschouwt, niet door tot de vrienden. Integendeel zij zijn bang voor hem en worden woedend op hem; omdat hij hun goedbedoelde, maar armoedige adviezen niet overneemt en niet berust in zijn lijden als een straf voor zijn verborgen misstappen. Job moet wel schuldig zijn in hun ogen. Job wordt omringd door mensen die zijn lijden alleen maar kleiner willen maken, die het alleen maar wegpoetsen, ja zelfs ontkennen. Ze maken hem zwart en ontnemen hem zijn waardigheid. Ze zeggen: “je hebt het aan jezelf te danken dat je zo in ellende zit. Je moet je straf zwijgend aanvaarden en dragen.” Dit maakt Jobs lijden en eenzaamheid en zijn frustratie alleen maar groter.

Aan dit ontwijkgedrag weigert Job mee te doen. Hij gaat tot de bodem van het lijden om aan het einde God te ontdekken en Hem zelfs te ontmoeten en te ervaren dat hij op dat moment met God komt te spreken. Daar ligt het begin van zijn terugkeer tot het leven. Wanneer hij het woord van God heeft verstaan, krijgt zijn leven weer nieuwe proporties en een nieuw kader. Zelfs zijn gehavende leven is niet door God vergeten of uitgesloten of verdoemd. Hoe onbegrijpelijk dit ook is: de lijdende mens wordt teken van Gods voortdurende trouw. Of het nu gaat om de slachtoffers van de Holocaust – zes miljoen Joden en honderdduizenden anderen zoals zigeuners en verstandelijk gehandicapten – of kinderen die als kindsoldaten daders en slachtoffers tegelijk zijn: zij worden allen door Gods ontferming omarmd. Daar waar wij geen antwoorden hebben, geeft God zijn antwoord dat ons overstijgt en dat wijst op de kracht van zijn schepping, van zijn liefde die eeuwig blijft.

Dit perspectief dat ons in het boek Job wordt geboden, helpt ook de schoonmoeder van Petrus weer op de been en de vele zieken en lijdenden die men bij Jezus brengt. Zij komen in een nieuw bestaan waarin dienstbaarheid jegens de andere mens centraal staat. De schoonmoeder staat immers niet op om zomaar koffie in te schenken, maar om dienstbaar te zijn, dienstbaar aan God, aan de mensheid, aan haar levensroeping en levensopdracht die zij als het ware opnieuw ontvangen heeft. Er klinken nog wel boze geesten – horen we hier niet opnieuw de stemmen van de vrienden van Job? – die door Jezus in het evangelie definitief het zwijgen krijgen opgelegd.

Als Jezus zelf als man smarten het lijden moet ondergaan en daarin nog verder moet gaan dan Job en het leven moet loslaten tot aan de nederdaling in de dood, houdt de theorie van de straf geen stand. Dit lijden kan geen straf zijn voor zonde, maar is teken van dienstbaarheid van Gods Zoon zelf die alles uit handen geeft.

Er zijn in onze tijd andere vrienden opgestaan. In tegenstelling tot de vrienden die Job zeggen dat hij moet berusten in de straf van God, klinken nu de stemmen dat de mens zich moet losmaken van God. Het lijden is teken van Gods zwijgen, ja van zijn afwezigheid. Zo maakt de mens zich meester van het leven, maar dit is evenmin een antwoord op het lijden dat immers alomtegenwoordig blijft en onbegrijpelijk. Meester willen zijn van het leven uit zich in allerlei eigenmachtige beslissingen omtrent het leven, dit uit zich in een levensovertuiging waarin de mens zichzelf tot maat van alle dingen maakt en zijn eigen ethiek creëert. De mens wil zo graag meester van het leven zijn, het leven naar zijn hand zetten en het in eigen hand nemen.
Uiteindelijk blijft dit een illusie en een ontkenning van de menselijke waardigheid: het lijden dat soms genadeloos kan inbreken in het leven, blijft zonder antwoord.

In deze eucharistie vieren we dat er wel een antwoord is dat niet aan het lijden voorbijgaat. Dat antwoord is gelegen in de ontmoeting met de Meester van het Leven zelf, met de lijdende Christus. Job aanvaardt uiteindelijk zijn leven inclusief het lijden wanneer God tot hem spreekt, omdat hij beseft dat hij steeds mag rekenen op Gods liefde en zorg voor hem. Wij mogen dat zelf ook verstaan in deze eucharistie waarin God zijn liefde en zorg toont voor de mensheid van vandaag die nog steeds geen einde aan haar lijden ziet. Mogen wij zelf ook de stem van God verstaan, van Hem die de liefdevolle Meester van het Leven is. Amen.

>> www.preken.be (Ad van der Helm)


 

 

De schoonmoeder van de paus – 5de zondag door het jaar B (2018)

sne-ca-zp-127

Weet u dat de paus een schoonmoeder heeft? Nee, ik bedoel niet déze paus. Het gaat over de tijd dat pausen nog eerzame huisvaders waren. De schoonmoeder van de eerste paus is ernstig ziek. Jezus geneest haar en legt haar de handen op. De hele stad stroomt er samen. Ze brengen alle zieken met hen mee. Jezus gaat er tussenuit en zoekt een eenzame plaats om er te bidden. Ze gaan naar Hem op zoek. Het Griekse woord katadioko is eigenlijk veel sterker dan zoeken. Ze jagen op Hem! Ze zitten achter Hem aan! Maar Jezus is niet van plan terug te keren. Hij wil doorgaan met wat Hem te doen staat: de verkondiging van Gods Koninkrijk en zijn Gerechtigheid. Jezus wil niet te boek staan als een wonderdoener. Zijn zending ligt op een veel dieper vlak. Gaandeweg zal dat steeds duidelijker worden. Jezus neemt de schoonmoeder van Simon Petrus bij de hand en “doet haar opstaan”. Het zijn woorden die we tegen komen in het Paasverhaal. Het optreden van Jezus is bestemd tot val en opstanding van velen. Velen staan op tot nieuw leven. Het gaat Jezus om de genezing van allen “die geen leven hebben”.

Waarom moeten mensen lijden? Waarom worden mensen ziek? Elk mens leeft tussen ziekte en gezondheid. Het zijn maar twee woorden: jong en oud, krachtig en zwak, ziekte en gezondheid. Maar daartussen ligt een hele wereld. Ziekte vormt een aanslag op je leven. Zeker een langdurige ziekte isoleert een mens. Je komt terecht in een spanningsveld waar gezonde mensen geen weet van hebben. Je bent bang voor wat komen gaat, je wereld stort in elkaar, toekomstdromen vallen in puin. Het is een eeuwig gevecht tegen ziekte en dood, al zijn de oude zalfjes intussen vervangen door uitgekiende moderne geneesmiddelen. Medicijnmannen zijn vervangen door chirurgen die in grote medische fabrieken – waarin veel menselijk lijden ligt opgeslagen – met ingewikkelde en de meest geavanceerde apparatuur tegen ziekte en dood ten strijde trekken.

God staat niet onverschillig tegenover het lijden van mensen. Hij wil niet de ziekte, maar de gezondheid van ieder mens. God heeft geen vreugde in het in elkaar storten van al wat leeft.

Jezus heeft – zo blijkt uit de Schriften – een andere opvatting van ziek-zijn en genezen-worden dan wij normaliter hebben. Voor ons betekent genezen een storing opheffen: een ziek oog, een stijf been, een melaatse huid. Het gaat Jezus om de héle mens. Mensen hebben geen ziekte, maar zíjn ziek. Ziek zijn geeft een drievoudige communicatiestoornis: een stoornis met onszelf, met anderen en met God. Als je lichaam of je geest ziek is, is er sprake van een communicatiestoornis in jezelf. En mensen die langdurig ziek zijn, weten hoe de omgeving op hun ziek-zijn kan reageren. Je raakt buiten het arbeidsproces, vrienden van vroeger, collega’s, zijn je zó vergeten. Zolang we jong, sterk, gezond zijn, is er niets aan de hand. Dan handhaven we ons wel. Dan staan we midden in de gemeenschap.

Door ziekte kan ook je contact met God verstoord raken. Wij vragen ons af: waarom moest dit gebeuren? Waarom ik? Waar blijft God nou? Als Jezus mensen geneest, geeft Hij ze weer terug aan zichzelf, aan elkaar. Hij gaf de mens terug aan zichzelf: sta op en wandel. Hij gaf mensen weer naar elkaar terug: Zacheüs, de melaatsen en de vrouw bij de bron zijn daar sprekende voorbeelden van. Maar Hij bracht mensen ook weer terug naar God: “Ga heen en zondig niet meer”.  

De zin en zinloosheid van het lijden komen we ook tegen in de eerste lezing. Het is een soort klaaglied, waarin Job reageert op de schrale troost die zijn vriend Elifas hem te bieden heeft. Elifas ziet in de ellende van Job de straffende hand van God en zegt hem op Gods redding te vertrouwen.

Job kan met dit antwoord niet uit de voeten: “Overdekt is mijn lijf met vuil en wormen, van top tot teen etter en kloven” (7:3). Zo is Job de spreekbuis van velen die op zoek zijn naar een antwoord op hun lijden. Dan denk ik aan wat ik bijvoorbeeld meemaak in Lourdes. Weinig mensen komen genezen terug, maar uit hun verhalen proef ik iets van de troost en de kracht van Gods Aanwezigheid in hun lijden; in heel hun leven.

>> www.preken.be (Ambro Bakker s.m.a.)


Een nieuwe leer met gezag – 4de zondag dh jaar B 2018

Een nieuwe leer met gezag

10404859_10207549441362765_2602033924009095089_n

“De mensen waren buiten zichzelf van verbazing over zijn leer, want Hij onderrichtte hen niet zoals de Schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezat.” Wát Jezus leert, staat er niet bij. De inhoud van zijn leer zat niet in het nieuwe, wat zou Jezus anders gezegd hebben dan dat God van de mensen houdt en dat de mensen God moeten liefhebben? Wat zou Jezus anders gezegd hebben dan wat er altijd gezegd is? Het nieuwe zit hem dus niet in wát Hij zegt, maar in de kracht waarméé Hij het zegt, het gezag, de volmacht. Jezus doet wat Hij zegt. Hij maakt zijn woorden waar. Hij zegt: ‘eruit!’ en ze doen het ook nog! We hoorden;“Hij geeft bevel aan de onreine geesten en ze gehoorzamen Hem.” Geen vrijblijvend advies dus: ‘Als ik jullie was zou ik maar vertrekken’. Nee, zijn woorden zijn krachtwoorden, actiewoorden.

Jezus zegt dat God goed is en Hij laat dat ook zien. Gods goedheid werkt door Hem. Jezus is zo vol van de liefde van God dat, als Hij erover praat, de mensen die liefde ook voelen. Ja, uitzinnig worden van die liefde.

“Heel het volk was verrukt over zijn leer.” Ze waren buiten zichzelf, extatisch. Hun hart werd geraakt en in extatische beroering gebracht in liefde voor God. De boze geest eruit en de liefde van God erin, de mensen worden door die liefde meegesleept. Zij merken dat Jezus een profeet is die leert met gezag, niet alleen aan wat er met die bezeten man in de synagoge van Kafarnaüm geschiedt, maar ook aan wat er met hen zelf gebeurt…

De kracht van iemand of iets kun je merken aan het vermogen tegenkrachten te overwinnen. De kracht van een auto, van een motor, overwint de weerstand van de lucht, de weerstand van de weg, van het gewicht. De kracht van Jezus’ woord, merkten ze in de synagoge van Kafarnaüm door zijn vermogen, de tegenkracht, de macht van de boze geest te overwinnen.

“Er bevond zich in de synagoge juist een man die in de macht was van een onreine geest.” De macht van een onreine geest, dat is een bovenmenselijke macht die dikwijls in het meervoud wordt voorgesteld. “Jezus van Nazareth wat hebt Gij met ons te maken? Gij zijt gekomen om ons in het verderf te storten?” En elders in het H. Evangelie staat er: “Daarop vroeg Hij hem: wat is uw naam? Hij antwoordde: mijn naam is Legioen, want we zijn met velen”. Meer dan levensgroot, bovenmenselijk. Die bovenmenselijke macht van de onreine geest schuilt in zijn onverdeelde aandrang om kwaad aan te richten. Niets van die energie gaat verloren, hij zet alles in: verstand, hart, voorstellingsvermogen, energie, wil.

Hier op de wereld is niets zwart of wit, alles is in tinten grijs, van heel donker tot heel licht grijs, ja tegen het witte aan, maar het is altijd nog gemengd. Zelfs mensen in criminele organisaties, zoals je die tegenwoordig hebt, die zich met heel hun wezen, verstand, hart toeleggen op de misdaad; is het verkeerde toch altijd nog gemengd met goed. Hier in onze wereld bestaat er geen puur kwaad zonder meer. Dat is wel buiten onze wereld te vinden (en dat is in de hel!). Hier in de wereld bestaat ook geen zuiver goed, tenzij door de Menswording van Gods Zoon Jezus, in de Kerk, in de sacramenten en in de heilige Schrift.

“Een nieuwe leer met gezag.” Dat geeft meteen de manier aan waarop wij moeten luisteren, waarop wij voor het woord van God moeten openstaan. Maken wij ook inderdaad die ruimte, dat Hij niet alleen onze oren, ons verstand bereiken kan, maar ook ons hart? Luisteren wij werkelijk met ons hart, zodat daarin de kracht komt die aan Jezus’ goddelijk Woord is verbonden? Deze kracht was het die de menigte die van dit alles getuige was, die Jezus’ woord hoorde, aan zichzelf bespeurde. Goddelijk gezag, goddelijke kracht, bovenmenselijke liefde, een liefde die in staat is de mensen volkomen in verrukking te brengen, los van egoïsme, gegrepen door Gods liefde alleen.

Vgl. J. Bots SJ, Een woord van God in mijn hart, elke dag opnieuw, preken bij de zondagsevangelies, jaar B, Boxtel, 2004, blz. 247-250.

Derde zondag dh jaar B – Jezus Barmhartige Liefde, Hulpverlener

legioen-kleine-zielen-1c

Jezus Barmhartige Liefde (bron van de afbeelding)

Als iemand verslaafd is aan alcohol of drugs, dan kun je die mens nog zo graag willen helpen, als hijzelf niet echt wil, dan gaat het niet. Ze gaan misschien wel hun ondergang tegemoet en dat weten ze ook, maar als ze de motivatie missen om te keren van die weg, dan kan geen enkele hulp uitkomst brengen. Daar weet iedere hulpverlener.

Jezus Barmhartige Liefde is de grote Hulpverlener van de mens. Hij wil die mens helpen gelukkig te worden en dat kan alleen als hij luistert naar en op weg blijft naar zijn God, als oorsprong en doel van zijn leven. Als de mens iets anders nastreeft, iets verkeerds nastreeft dan zijn God, gaat hij zijn ongeluk tegemoet, is hij op weg naar het niets, naar de godverlatenheid.

Jezus houdt niet op de mensen, die verslaafd zijn aan deze wereld, aan hun driften, aan hun egoïsme op te roepen zich te bekeren, om te keren van die heilloze weg en zich toe te keren tot Hem. De Bijbel is er vol van.

Kijk maar naar Ninive. Die stad is zo slecht dat ze regelrecht op de ondergang afkoerst. En Jona had het maar het liefst zo gelaten. Hij gunde die inwoners van Ninive de ondergang. Die hadden ze volgens hem wel verdiend. Hij wilde niet met Gods woord naar die stad gaan. Na een vluchtpoging die mislukte, gaat Jona dan tegen zijn zin naar Ninive en verkondigt daar Gods woord: “Als je zo doorgaat, dan ga je je ondergang tegemoet”. En de inwoners van Ninive geloofden het woord van God. Ze trokken boetekleren aan, ze begonnen te vasten om te laten zien dat hun ernst was, dat ze anders wilden gaan leven. Ze keerden zich van hun slechte gedrag af en ze keerden zich naar God. Ninive had zich bekeerd en werd gered.

God wil de grote hulpverlener van mensen zijn, maar de mens moet zelf proberen daarvoor te kiezen. Gods hulpverlening wordt het meest duidelijk als Hij niet meer Jona stuurt of zomaar een profeet, maar zijn eigen Zoon Jezus Christus.

De evangelist Markus vat vandaag heel de prediking van Jezus aan het begin van zijn optreden in één zin samen: “De tijd is vervuld. Het Rijk Gods is nabij: bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap”. Dat is het wat Jezus namens God steeds weer zegt; de tijd is vervuld. Het komt er nu voor jullie mensen op aan. Je moet nu echt kiezen. Het Rijk van God is dichtbij. Je kunt in dat Rijk van God leven als je wilt. Je kunt dicht bij God zijn, gered worden. En wat moet je dan doen? Net als de mensen in Ninive: je bekeren: je afkeren van de verslaving aan de aarde, aan jezelf.

Zoals St. Paulus het zegt; die met het aardse omgaan moeten er niet in opgaan. Je moet leven gericht op God en op zijn toekomst. Positief gezegd; geloof in het evangelie, in de blijde boodschap, in de beloften van God.

Wat betekent dat concreet voor ons, hier en nu: je bekeren en Jezus volgen. Ik denk op de allereerste plaats voldoende tijd in je leven inruimen voor God: bidden en naar de kerk gaan en zo laten zien dat je werkelijk in God gelooft. Wordt biddende mensen. Dan zul je ook gevoelig worden voor wat God van je vraagt.

Op de tweede plaats betekent je bekeren: voldoende tijd inruimen voor je medemens. We zijn vaak zo druk met onszelf, onze eigen genoegens bezig. We kunnen zo moeilijk onszelf opzij zetten, offers brengen voor onze medemensen. Daar moet je bewust voor kiezen. Je telkens bekeren: geloven in de blijde maar vaak moeilijke boodschap van de liefde.

Jezus Barmhartige Liefde, de Hulpverlener, de Verlosser staat machteloos als wij ons niet willen omkeren, als we vast willen blijven zitten aan onze aardse verslaving. Pas als we kiezen voor God en voor zijn blijde boodschap dan kan Hij ons leiden naar zijn toekomst, naar het Rijk Gods, dat zo dichtbij is. Amen.

Vgl. bron: www.mennenpr.nl