Tags

,

Drie overdenkingen


I. Reïncarnatie en het christelijk verrijzenisgeloof

MECHELEN (RKnieuws.net) – In het juni-nummer van Pastoralia, het informatieblad van het aartsbisdom Mechelen-Brussel, is een interessant artikel van Marc Steen verschenen met als titel ‘Reïncarnatie en christelijk geloof’. Het reïncarnatiegeloof wint aan populariteit. Hoe komt dat eigenlijk? En is reïncarnatiegeloof verzoenbaar met het christelijke verrijzenisgeloof? Steen geeft enkele aanzetten tot antwoord. Eén vijfde van onze Europese tijdgenoten zou in reïncarnatie geloven. Reïncarnatie is evenwel geen eenduidig begrip maar een vlag die verschillende ladingen dekt, aldus Steen.

Dat het reïncarnatiegeloof bij veel westerlingen aantrekkelijk overkomt, heeft meerdere redenen. Reïncarnatie sluit meer aan bij de gevoeligheid van de hedendaagse ‘ietsisten’, mensen die in ‘Iets méér’ geloven, eerder dan in ‘Iemand méér’. Gelovigen hebben niet de hoop dat er ‘iets’ maar ‘Iemand zal zijn’. Christenen hopen dat God, in wiens goede handen we nu geborgen zijn, er ook zal zijn aan de overkant en ons zal thuisbrengen. Overigens is het verrijzenisgeloof gebaseerd op de overtuiging dat God Jezus als eerste uit de dood heeft doen opstaan.

Het reïncarnatiedenken zit ingebed in een heel andere levensvisie dan het christendom. Er zijn echter ook een aantal raakvlakken: zo stellen beide dat er leven is na de dood; ze hechten groot belang aan de spirituele dimensie en de verantwoordelijkheid van de mens; ze zijn niet strikt rationeel bewijsbaar, maar beroepen zich op ‘aanwijzingen’…

Volgens Steen lijken reïncarnatieopvattingen theologisch gezien onverzoenbaar met het christendom. Er zijn essentiële verschilpunten. Eerst en vooral verschilt de kijk op de aardse geschiedenis. Volgens de Bijbels-christelijke visie is het leven van een mens op aarde eenmalig, uniek en onherhaalbaar. Voorts huldigen reïncarnatie-opvattingen een dualistische mensvisie, waarbij lichaam en geest als twee onafhankelijke aspecten van de mens worden opgevat. Ten derde ligt in de christelijke opvatting veel sterker de nadruk op het gave-aspect van leven na de dood. Leven na de dood is een geschenk van God, geen natuurlijk proces. In de meeste vormen van reïncarnatie-geloof ligt de klemtoon op zelfverlossing door de mens. De christelijke optiek gaat in tegen deze ‘zelfhulp’-visies: God schenkt ons het leven na de dood, onverdiend. Onze opname bij Hem is steeds te danken aan Zijn barmhartige, louterende liefde. Het is God die mensen thuisbrengt en voltooit. Het heil is uiteindelijk geen prestatie van de mens, maar een cadeau van God. Genade dus, aldus Marc Steen.
 
Bron: Pastoralia, http://www.rorate.com/nws.php?id=46849

II. Reïncarnatie, kan dat?

Niet-christenen zeggen dat reïncarnatie in strijd is met de bijbel, want Johannes de Doper wordt wel de nieuwe Elia genoemd, door Jezus zelf, in Mt. 11,14.

Maar nergens zegt Jezus dat Elia is gereïncarneerd in Johannes de Doper. Het ligt meer voor de hand de woorden van Jezus te verstaan in het licht van wat de engel tegen Zacharias zegt, in Lc. 1,17: “Hij (Johannes) zal voor Hem uitgaan met de geest en de macht van Elia.” Zoals wordt gezegd dat de LPF doorgaat “in de geest van Pim Fortuyn”. Dat betekent toch ook niet dat de ziel van Pim reïncarneert in 26 nieuwe Kamerleden?

Als de bijbel reïncarnatie zou leren, dan had het er echt duidelijker in moeten staan. De Bhagavad-Gita, bijvoorbeeld, het boek van de Indische veda’s, doet dat in deze bewoordingen: “Zoals de belichaamde ziel in dit lichaam geleidelijk van kinderjaren overgaat naar jeugd en ouderdom, zo gaat ze bij de dood naar een ander lichaam over” (II,13). Het doel van de hindoe is immers het één worden met Brahman, de Eeuwige Geest – met God dus – door middel van een hele reeks wedergeboorten. Maar het christendom kent maar één wedergeboorte, de wedergeboorte “uit water en geest” (vgl. Joh. 3,3 vv.), die plaatsvindt in dit leven, met het lichaam dat we nu hebben. En dat leven is eenmalig, zegt de schrijver van de Hebreeënbrief: “Het is het lot van de mens eenmaal te sterven, en daarna komt het oordeel” (Hebr. 9,27).

Voor de christen is het lichaam ook helemaal niet iets bijkomstigs, iets wat je “in kunt ruilen”. Ook ons lichaam maakt deel uit van Gods schepping, zegt de bijbel: “En God zag dat alles, wat Hij gemaakt had, zeer goed was” (Gn. 1,31). In Jezus Christus wordt ons bovendien geopenbaard dat het lichaam niet alleen de plaats is waar wijzelf wonen, maar waar God zelf wil wonen: “Ja, het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond” (Joh. 1,14). Wat zowel “joden” als “Grieken” niet konden bedenken – dat de Eeuwige, de zuivere Geest die God is, een lichaam zou aannemen en als mens onder ons zou wandelen – dat laat Jezus ons zien. Je zou het mysterie van de Incarnatie (zonder “re” ervoor) kunnen zien als één grote opwaardering van het lichamelijke bestaan dat wij leiden. De theologie van de Menswording zou ons definitief moeten zuiveren van alle neiging om het lichamelijke als minderwaardig te beschouwen. Voor God is het lichaam een dusdanig onlosmakelijk deel van de menselijke persoon die Hij schiep, dat het, net als de ziel, deel zal hebben aan de eeuwige heerlijkheid. Vandaar dat het dogma van de verrijzenis van het lichaam in de bijbelse openbaring centraal staat. En verrijzenis en reïncarnatie gaan niet samen. Het is het één of het ander. Want wie verrijst tot eeuwig leven, hoeft niet terug te keren hier op aarde.

Dat verrijzenisgeloof heeft alles te maken met de boodschap van verlossing die Jezus is komen brengen. Hier ligt ook een fundamenteel verschil met de hypothese van de reïncarnatie. Waarom is reïncarnatie zo populair? Omdat het betekent dat je jezelf verlost, jezelf door middel van “herkansingen” hier op aarde zuivert van je onvolmaaktheden, tot aan de volledige “vergeestelijking” in het Absolute Al. Jezus leert ons echter dat je nóg zoveel levens kunt hebben, je zult altijd Gods almacht nodig hebben om je waardig te maken zijn koninkrijk binnen te gaan. Niet wijzelf, maar God zuivert ons en maakt ons heilig. En daar is nederigheid voor nodig: om het geluk dat God bereid heeft te ontvangen uit zijn handen, en niet op eigen kracht zelf te willen bereiken. Eigenlijk zit er een stuk hoogmoed achter de reïncarnatiegedachte, die zowel de (soms nogal vernederende) lichamelijke dimensie van de mens, als het feit dat de heiligheid een cadeau is van God, verwerpt. En dat die heiligheid zich uitstrekt tot over ons lichaam, leert de H. Paulus in zijn eerste Korintiërsbrief: “Gij weet toch dat uw lichamen ledematen zijn van Christus?” En iets verder: “Uw lichaam is een tempel van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God hebt ontvangen.” Dus: “Eer God dan met uw lichaam” (1 Kor. 6,12-20).
 

III. In de Bijbel wordt niet over reïncarnatie gesproken.

Er is echter een tekst, die m.i. de mogelijkheid van reïncarnatie uitsluit, namelijk Hebreeën 9:27: het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel….. De gedachte aan reincarnatie hangt nauw samen met de gedachte, dat de mens van zijn fouten (in het ene leven) moet leren om vervolgens (in een volgend leven) te boeten en het beter te doen. De grondgedachte is dus: zelfverlossing. De Bijbel leert echter, dat er door (onze eigen) werken geen verlossing is. Bovendien kent de Bijbel niet deze gedachte, dat de mens na het sterven in een ander lichaam geboren wordt. De mens kan vanuit Bijbels oogpunt wel wedergeboren worden, maar dit is dan een geestelijke geboorte, waarbij de mens niet eerst lichamelijk sterft, maar goddelijk leven ontvangt in zijn eigen lichaam. Bij de gedachte aan reïncarnatie past ook, dat het eindpunt gezien wordt als onstoffelijk: de ziel van de mens zal uiteindelijk bevrijd worden van de last der lichamelijkheid. Maar de Bijbel laat zien, dat God niet alleen onze zielen wil behouden, maar geest, ziel en lichaam (1 Thessalonicenzen 5:23). De mens kan dus na het sterven niet terugkomen in een ander lichaam (van mens of dier), omdat hij hetzelfde lichaam terugkrijgt in de opstanding der doden.

Advertenties