Tags

, ,

Het wonder van Hooidonk

De geschiedenis van de wonderbare Relikwie van het H. Kruis te Hooidonk-Nederwetten

door: F. J. Woestenhurg, pastoor te Nederwetten

Wanneer ge van Eindhoven naar het Noorden rijdende langs Eckart en Soeterbeek het kerkdorp Nederwetten gepasseerd bent, ziet ge links van U op ongeveer 1 km afstand van de kerk van Nederwetten langs de weg naar Breugel de bekende en schilderachtige watermolen van Hooidonk.
Afslaande voor de watermolen over de brug van de kunstmatige aftakking van de Dommel, betreedt ge historische grond. Hier op een van de meest aantrekkelijke plekjes langs de Dommel, waar thans een hoeve met bijgebouwen staat, bevinden zich in de grond de resten van wat eens het beroemde klooster van Hooidonk was. Het enige tot voor kort wat aan dit klooster herinnerde vindt ge terug in de nog intact zijnde kelders in het westen van dit z.g. eiland vlak bij de Dommel.
Hier hebben vijf eeuwen lang, van omstreeks 1146 tot 1650 de adellijke zusters, reguliere kanunnikessen van St. Augustinus in voor- en tegenspoed hun dagen gevuld met gebed en arbeid. Hier is het Wonder van Hooidonk gebeurd op de 4e en 7e september van het jaar 1244 in het Hoogkoor der kloosterkerk, waarvan de fundamenten onlangs zijn teruggevonden. Waar thans twee rozelaars in exuberante bloei rode rozen dragen, heeft het Bloed gevloeid uit de splinter van het H. Kruis, die thans na drie eeuwen afwezigheid weer in Nederwetten is teruggekomen.

Ten jare 1146 kwam de Augustijner koorheer Leo, in opdracht van zijn Abt te Rolduc naar Hooidonk, om de stichting voor te bereiden van een slotklooster voor adellijke zusters. De Abdij van Rolduc bevatte destijds behalve een convent voor mannen ook een convent voor adellijke dames. Hooidonk is gelegen aan de rechter oever van de Dommel. Ongeveer 1 km stroomafwaarts aan dezelfde oever lag eertijds een Slot, dat bewoond werd door de adellijke familie van Stakenburg. Het klooster van Hooidonk nam een wapen aan, dat behalve de rechter schildhoek hetzelfde is als dat van de familie van Stakenburg en dat op de omslag is afgebeeld. Vermoedelijk was kanunnik Leo een lid van deze adellijke familie. Althans droegen drie zusters van die er in de aanvang waren de naam van Stakenburg.

In 1148 werd de door Leo gebouwde houten kloosterkapel ingewijd door de Bisschop van Osnabrück, Philips van Katzenellenbogen. Deze kloosterkapel werd in 1244 vervangen door een kapel van steen met twee altaren, waaraan later nog een altaar werd toegevoegd. Deze nieuwe kloosterkapel, toegewijd aan O.L. Vrouw en St. Jan Evangelist, werd begin september 1244 geconsacreerd door de H. Bonifatius, gewezen bisschop van Lausanne, in opdracht van de bisschop van Luik onder wiens rechtsmacht dit gebied destijds hoorde.

Het slotklooster van deze adellijke zusters Augustinessen was afhankelijk van de Abdij van Rolduc. Het stond onder de bescherming van O.L. Vrouw en St. Jan Evangelist, wiens beeld boven de ingang van het klooster was aangebracht.
Door een aftakking aan de Dommel te graven, waaraan een watermolen werd gebouwd, hadden de zusters Hooidonk tot een soort eiland gemaakt. Op deze oppervlakte van ongeveer 3,5 H.A. stond in het midden het gastenkwartier alsmede een refter en slaapzaal voor gemeenschappelijk gebruik. De zusters woonden ieder apart in kleine huisjes, die langs de oever van de Dommel waren gebouwd. Ten Noorden van het vrij uitgestrekte kerkhof lag de kloosterkapel. Voor de verzorging van de geestelijke belangen woonden bij het klooster een rector, die door de abt van Rolduc werd benoemd. Het beheer van hun tijdelijke goederen hadden de zusters toevertrouwd aan een rentmeester, die op een hoeve woonde in de nabijheid van het klooster, vermoedelijk daar, waar thans nog enige kelders van het klooster zijn te zien. Het gilde van St. Anna te Nederwetten bezit nog een schild van de rentmeester van Hooidonk uit het jaar 1613.

De dagen in het klooster van 4 uur ‘s morgens tot 9 uur ‘s avonds werden doorgebracht met koorgebed en andere geestelijke oefeningen en handenarbeid. Zeer verdienstelijk hebben de zusters van Hooidonk zich gemaakt door de omliggende lage gronden droog te maken en te ontginnen en hierop hoeven te stichten.
Voor de bewoners van de omgeving werd reeds in 1250 een kerkje gebouwd, waarmede tevens de grondslag werd gelegd voor de parochie van Nederwetten. De rector van Hooidonk werd met de zielzorg van deze mensen belast. Zo is het te verklaren dat de pastoors van Nederwetten vroeger werden genoemd: pastoor van Hooidonk en Nederwetten.
Na enige eeuwen van een vrij sober bestaan geraakte het klooster omtrent 1400 tot een grotere uiterlijke bloei. Het moet in die tijd zijn geweest, dat de kloosterkapel werd vergroot en het kerkje voor de bewoners van de omliggende hoeven werd vervangen door een grotere kerk met toren; welke toren, zij het ook in jammerlijke staat van verval, thans nog te zien is bij het tegenwoordige ‘kerkhof’ te Nederwetten.
Wanneer er troebele tijden aanbreken, heeft ook Hooidonk zijn deel daarvan gehad. In 1564 werd het klooster door een rondtrekkende bende in brand gestoken. Enige jaren daarna blijkt het grotendeels weer te zijn herbouwd.

Geldelijke moeilijkheden verhinderden een algehele restauratie op korte termijn. Die heeft het klooster trouwens nooit meer mogen beleven. Want het einde van de oorlog bracht tevens het einde van ‘t klooster van Hooidonk. In 1650, toen Agnes van Pollaert priorin was, werden de zusters door de Staten-Generaal verdreven en het klooster met zijn roerende goederen publiek verkocht. Ofschoon voor andere doeleinden gebruikt, bleven de kloostergebouwen aanvankelijk nog intact. Later, omtrent 1800, waren van deze gebouwen niet meer over dan ruïnen. De archieven van het klooster zijn tot op heden nooit teruggevonden.
De terugkeer van de relikwie van het H. Kruis was aanleiding om in de grond te gaan zoeken naar overblijfselen van de oude kloosterkapel. Deze pogingen werden spoedig met succes bekroond. In samenwerking met de Rijksdienst voor oudheidkundig bodem onderzoek werd nagenoeg de gehele fundering van de kloosterkapel blootgelegd. Talrijke scherven uit de 12e tot de 17e eeuw werden gevonden, alsmede in de omgeving van het vroegere priesterkoor ‘n aantal scherven van gebrandschilderd glas. De kapel bleek aanvankelijk 6 x 11 meter groot te zijn geweest, maar later voornamelijk aan de rechterzijde en aan de achterkant uitgebreid, zodat de totale breedte 9 en de lengte 13 meter werd. Onder het priesterkoor werden de resten gevonden van een kelder, waaruit blijkt dat het priesterkoor omtrent een meter hoger moet zijn geweest dan de rest van de kapel. Uit de opgravingen blijkt, dat na 1800 over het middengedeelte en het priesterkoor een boerderij is gebouwd, die naderhand is afgebrand. Op deze resten werd wederom een boerderij gebouwd, die eveneens door brand is verwoest en wel in het jaar 1937. Zo was het mogelijk om de resten van de kloosterkapel terug te vinden. Hiermede werd tevens de plek grond teruggevonden, die geheiligd is door een wonderbaar gebeuren.

Het klooster van Hooidonk was reeds vroeg in het bezit van een relikwie, bestaande uit een bijzonder grote splinter van het H. Kruis, ongeveer 5 cm lang en 5-8 mm breed. Toen de reeds genoemde H. Bonifatius, die in het klooster Ter Cameren bij Brussel woonde, in het jaar 1244 naar Hooidonk kwam om de nieuwe kloosterkapel te consacreren, wilde hij bij die gelegenheid de echtheid van deze relikwie beproeven. Hij had gehoord, dat een relikwie van het H. Kruis als echt kon worden beschouwd, als het in tegenstelling met wat gewoonlijk gebeurt, in het water zou zinken. Wij weten thans, dat hierdoor de echtheid niet met zekerheid kan worden bewezen. Als waardering voor zijn kinderlijk geloof en vroom gemoed ontving hij een beter en zekerder teken. Lezen wij, wat hij heeft ervaren, in het document dat hij van de gebeurtenissen heeft gemaakt en met zijn zegel heeft bevestigd en dat hieronder uit het latijn in Nederlandse vertaling volgt:

“Aan alle Christengelovigen, die dit schrijven zullen zien, wenst Bonifatius door Gods voorzienigheid weleer aangesteld als Bisschop van Lausanne duurzaam heil in den Stichter van ons heil. Het zij aan alle gelovige christenen bekend en mocht het ook aan de ongelovigen bekend worden (ter beschaming der vijanden van het Kruis van Christus en tot lof en eer van hen, die zich beroemen op het kruis van O.H. Jezus Christus) het wonder van Gods barmhartige goedheid, dat O.H. Jezus Christus zich gewaardigd heeft te bewerken in ene partikel van het kruishout onzes Heren in het Stift van de vrouwen der orde van den H. Augustinus, Hoydonck genaamd, onder het bisdom Luik in het land van Brabant het jaar O.H. 1244 in de maand augustus op den Octaafdag van den H. Augustinus.
Toen ik derwaarts gekomen was om een kerk en twee altaren ter liefde van God en op verzoek van den Hoogwaardige Vader, heer Robert, Bisschop van Luik, te wijden, zag ik er onder vele andere relikwieën van Heiligen, die mij vertoond werden, een stuk hout ter lengte van een vinger, dat het Stift geloofde en bevestigde te zijn van het kruishout van onze Heer.
Ik had eertijds te Lausanne gehoord van de bisschop van Cevennes, die het weder van een ander vernomen had, dat het hout van het kruis van onze Heer, als men het in het water legt, zinkt terwijl alle andere hout van natuur in het water drijft. Hij verzekerde, dat hij op die wijze proefondervindelijk zeker was een partikel van het kruis van onze Heer te bezitten.
Daar ik mij de proefneming van de even genoemde Bisschop herinnerde, deed ik mij bij het zien van voormeld hout een beker met water van middelbare grootte brengen, teneinde een dergelijke proef te nemen.
Daar stonden en zaten een groot getal kloosterzusters uit dat huis en enige andere religieuzen alsmede vele wereldlijke personen rondom mij, toen ik voormeld hout tussen de duim en wijsvinger van de rechterhand genomen hebbende, er driemaal het kruisteken mede boven de beker met water maakte, de Heer smekende in de naam van de Vader en de Zoon en de H. Geest, dat Hij zich gewaardigen mocht om te tonen of dit stukje hout van het H. Kruis van onze Heer was.
Toen ik het in het water legde, daalde het terstond op de bodem neer als een steen. Nadat ik het met dezelfde vingers van de bodem van de beker boven het water opgeheven had, vloeiden er vele druppels dik bloed, welke de een na de ander op de bodem van de beker neerdaalden, uit het onderste gedeelte van datzelfde hout, wat alle omstaanders en omzittenden zagen.

Verbaasd bij het aanschouwen van dit wonder, liet ik inderhaast een rein flesje halen om het vloeiende bloed op te vangen. Daar echter, toen men het flesje bracht, het bloed opgehouden had te vloeien, legde ik ten tweeden male het hout in het water; en nadat het eruit genomen was, vielen er andermaal, doch minder dikke bloeddruppels af, die in het glazen flesje werden opgenomen. Toen het vloeien ophield, legde ik ten derde maal hetzelfde hout in het zelfde water; ik nam het er vervolgens wederom uit en de bloeddruppels, die er ten derde male afvielen, werden in dezelfde ampul opgenomen.
Dit ten tweede en derde male van het voormelde hout opgevangen bloed wordt thans in een kristallen flesje in het bovengenoemde klooster bewaard. Het water uit de beker roodgeverfd door de druppels dik bloed, die bij de eerste ophaling van het hout uit het water erin waren gevallen, bevindt zich in hetzelfde huis in een glazen ampul.
Alvorens ik echter ten derde male het hout in de beker legde, maakte ik met hetzelfde hout een kruis boven het water van de beker en er verscheen op de bodem een rood kruis, dat de Priorin van het huis en vele anderen van de omstaanders en omzittenden hebben gezien.
Zeker aanzienlijke wereldlijke vrouwe, Hildegondis genaamd van Wulfsombeke dit kruis eveneens ziende, werd als waanzinnig. Op de bodem van de beker bevonden zich bloeddruppels, die zich naar de verklaring der kloosterzusters daar nooit hebben vertoond. Naderhand heb ik de beker in een andere beker met water uitgespoeld; en na deze afwassing en na het verdwijnen der bloedkleur dronken velen van dat water, die verklaard hebben dat het een honingzoete smaak had.
Een van de kloostervrouwen en anderen hebben ervan gedronken en ook de bovenvermelde Hildegondis, die daardoor van een ziekte genezen werd, waaraan zij drie jaar leed en welk noch door geneesheren, noch door geneesmiddelen kon verdreven worden, gelijk zij zelf mij verhaald heeft, de vijfde dag na deze gebeurtenis. Op de vierde dag (t.w. na deze geschiedenis) de vooravond van O.L. Vrouw Geboorte, heb ik, na de H. Mis gelezen te hebben, met geheel het voor mij gezeten convent, eerst de algemene schuldbelijdenis en de daarop volgende kwijtscheldingsgebeden gesproken en daarna O.H. Jezus Christus gesmeekt, dat Hij zich gewaardigen mocht tot lof en eer van Zijn naam om enig teken van Zijn wil omtrent het voormeld hout te geven.
Nadat men dus de meer (=vaker) gemelde beker met water had gebracht, maakte ik driemaal het teken van het kruis onder aanroeping van de Vader en de Zoon en de H. Geest, en toen ik vervolgens het hout in het water legde, zonk het terstond op de bodem. Ik nam het eruit en alstoen vielen er weder bloeddruppels af, die bij het vorige bloed in het kristallen flesje werden opgevangen.
En zo gebeurde het ten tweede en ten derde maal, wat ik met eigen ogen gezien heb, evenals het volk en Frater Henricus van Averbode, een priester, die de kristalen ampul vasthield, waarin de bloeddruppels tot driemaal toe opgenomen werden telkens wanneer ik het hout in het water legde en het er weer uitnam gelijk boven verhaald is. Deze voormelde priester bezit een stuk zijde, dat hij mij geheel blank overhandigde, en dat rood geverfd is van het aan mijn vingers klevende bloed.
Arnulphus, ridder van Stakenbroeck was daar ook aanwezig, welke ook reeds getuige geweest was van het eerste wonder in al zijn bijzonderheden. Er waren ook vele andere leken. Toen ik met een scherp mes in het voormelde buitengewoon harde hout sneed, viel er een zeer klein, door het gevoel of het gezicht schier niet waarneembaar deeltje af, zwart zoals het hout zelf zwart is, hoewel op zekere plaats wit.
Daar ik echter twijfelde of dit uiterst geringe deeltje van voormeld hout was, deed ik het in het water en het zonk op de bodem; en toen ik het eruit nam en tussen mijn vingers wreef, werden deze rood van bloed.
Ik legde dit splintertje in de kristallen ampul waar het bloed in opgevangen was en het bleef kleven tegen het binnenste van liet kristallen flesje, alwaar het terstond in bloedkleur overging, wat ikzelf en alle toeschouwers hebben gezien. Toen hield ik het flesje in schuine richting naar het splintertje toe, zodat dit door het bloed aangeraakt onder het bloed bleef in dezelfde kristallen ampul.
Dit heb ik op verzoek van meergemeld (=vaker gemeld) convent en van een menigte andere mensen in schrift opgesteld tot eer en glorie van onze Heer Jezus Christus, tot heil der gelovigen, ter beschaming der ongelovigen en ter bevestiging van het christelijke geloof. En ik heb er mijn zegel aan gehecht, ter verheerlijking van het levendmakend hout van het Kruis, waaraan ons Heil en Leven, O. H. Jezus Christus heeft gehangen. Hem zij eer en ons met Hem de zaligheid en het leven door Hem in de eeuwige vreugde door alle eeuwen der eeuwen. Amen.”

Dit is het verhaal, zoals de H. Bonifatius het zelf voor ons heeft opgetekend. In het middelste raam van het priesterkoor van de parochiekerk van Nederwetten, waar deze wonderbare relikwie voortaan zal worden bewaard, is deze gebeurtenis afgebeeld.
Eeuwen lang bleef deze reliek in het klooster van Hooidonk in hoge ere. Toen in 1650 het klooster werd opgeheven en de zusters her- en derwaarts een goed heenkomen zochten, ging de laatste priorin, Agnes van Pollaert, met dit kostbaar bezit naar de abdij van Rolduc. Daar werd ze bewaard, tot in 1793 deze abdij werd vernietigd. De kloosterling Tilman Laurens Welter nam toen de relikwie mede naar de parochiekerk van Waubach in Zuid-Limburg waar ze tot op heden eerbiedig wordt vereerd. In 1824 is Welter als pastoor van Waubach overleden.
Door de bemoeienissen van de overleden pastoor van Nederwetten, W. Roelofs, werd in 1952 de helft van deze relikwie door de pastoor van Waubach afgestaan. Veler giften, voornamelijk van de parochianen van Nederwetten, hebben het mogelijk gemaakt voor deze reliek een prachtige reliekhouder te laten vervaardigen.
Er wordt een gedachtenis- en devotiekapel gebouwd precies op dezelfde plaats op Hooidonk, waar eertijds op 4 en 7 september 1244 de H. Bisschop Bonifatius met zovele anderen getuige was van dit wonderbare gebeuren.

Ruim 700 jaren scheiden ons van dit gebeuren. Ruim 700 jaren is een lange tijd. Wat is er intussen allemaal niet anders geworden. Er is hier in de omgeving nauwelijks iets wat ons aan het verleden herinnert. Wat is er niet veranderd in de opvattingen en de geestesgesteldheid van de mensen. Men vraagt zich wel eens af, waarom deze dingen zo lang geleden gebeurden en waarom men tegenwoordig bijna nooit meer zoiets meemaakt.
Meer dan 1900 jaren geleden wandelde Petrus over het water naar zijn Meester; Petrus, die als ervaren visser het gevaar aanwezig wist onder het rimpelloze watervlak als geen ander. Hij werd door het water gedragen zolang hij zonder bedenkingen en zonder reserve geloofde en vertrouwde. Waarom gebeuren deze dingen zo weinig in deze tijd? Ligt het antwoord misschien in de vraag, waar dit gelovig vertrouwen zonder reserve gebleven is?
De splinter van het H. Kruis, die wij bewaren en vereren is een deel van het Instrument onzer Verlossing. Meer dan alle souvenirs, die tegenwoordig zo gretig worden verzameld, boven alle handtekeningen van groten op welk gebied is dit ons dierbaar. Geen afbeelding en geen symbool kan worden vergeleken bij het hout van het kruis, dat niet alleen het zinnebeeld van het geloof is, maar in werkelijkheid het werktuig is geweest waarmede Christus het werk van onze verlossing heeft gebracht. Bovendien heeft Hij het geheiligd door zijn aanraking. “Boven alle cederhout zijt gij alleen verheven; aan U heeft het Leven der wereld gehangen, heeft Christus gezegepraald. Schone en luisterrijke Boom met het purper des konings gesierd, gij zijt verkoren met Uw verheven stam in aanraking te komen met zo heilige leden.” Daarom vereren wij het.

Het is voor ons echter niet alleen een voorwerp van verering, Wij willen het ook gebruiken om Degene, die er aan gehangen heeft, gunsten te vragen. Wij willen dan in kinderlijk vertrouwen vragen, waarom de Kerk ons laat bidden: “Red ons, Christus, door de kracht van Uw kruis; Gij, die Petrus gered hebt op de zee.”

Wel niemand van ons ontgaat de dreiging in deze tijd van de vijanden van het kruis, omdat ze tevens de vijanden zijn van de ziel zowel als van het lichaam van iedere gelovige. Er doemen echter daarnaast gevaren op voor ons geloof, ternauwernood onderkend, gevaarlijker dan deze. Gevaarlijker omdat ze moeilijker te onderscheiden zijn. Deze bedreigen niet ons leven, maar alleen ons geloof. Ze bedreigen dat niet met een vreeswekkend uiterlijk, maar in de vorm van verleiding; de wolf in de klederen van een schaap. Wanneer we gewoon zijn Gods lieve Heiligen aan te roepen om diverse gevaren van ons af te wenden, zullen we op de eerste plaats vragen aan Christus om deze meest dreigende gevaren af te wenden van ons en onze kinderen. “Zie het kruis des Heren, vlucht vijandige machten; want overwonnen heeft de leeuw uit de stam van Juda, de wortel van David.”

Nu de plaats is teruggevonden, waar deze wondere gebeurtenis heeft plaats gegrepen (is het de Voorzienigheid, die dit juist in deze tijd deed terugvinden?), willen we de herinneringen voor het nageslacht bewaren. De fundamenten van de kloosterkapel zijn tot boven de grond opgebouwd. Op de plaats van het Hoogkoor wordt een devotiekapel gebouwd. Het ligt in de bedoeling om telkenjare op de eerste zondag van september naar deze plaats te pelgrimeren. Daar waar Gods goedheid op aanroeping van de H. Bonifatius destijds Zijn wil omtrent dit Hout kenbaar maakte, zal dan de wonderbare relikwie van het H. Kruis worden vereerd.
Wanneer dan daar de schare verzameld is, die we gewoon zijn gelovigen te noemen, zal het gebed worden gebeden, dat evenals alle op deze bladzijden aangehaalde gebeden genomen is uit de liturgie der kerk: “O Kruis, schitterender dan alle sterren, overal geroemd door de mensen zeer bemind en heilig boven alles; dat alleen waardig is geweest de losprijs der wereld te dragen; liefelijk hout, dragend liefelijke last: wees tot heil aan deze schare, die heden tot u lofprijzing is vergaderd.”

Nihil Obstat – F. Meulemans Libr. Cens.
Eindhoven. 8 augustus, 1953.

Bron
Het wonder van Hooidonk, De geschiedenis van de wonderbare Relikwie van het H. Kruis te Hooidonk-Nederwetten, door: F. J. Woestenhurg, pastoor te Nederwetten, Ongewijzigde herdruk door de Zr. A.C. Emmerickstichting, Nuenen.

Links
http://natuur.50plusser.nl/weblog/print.php?warticle_id=73721
http://www.hansvandenheuvel.nl/public_html/html/historieagnes.htm
http://www.donb.nl/webquest/12440907.html
http://www.meertens.knaw.nl/bedevaart/bol/plaats/356

Advertenties