Tags

, , ,

Voor Jezus zijn

Eerste lezing: Num. 11,25-29. Toen daalde de HEER neer in een wolk, sprak tot hen en legde een deel van de geest die op Mozes rustte, op die zeventig oudsten. En toen de geest op hen rustte, profeteerden zij, maar later hebben zij dat niet meer gedaan. En twee van de mannen waren in het kamp gebleven. De een heette Eldad, de ander Medad. Ook op hen rustte de geest, zij stonden op de lijst al waren zij niet naar de tent gegaan, en zij profeteerden in het kamp. Een jongen ging het ijlings aan Mozes vertellen en zei: ‘Eldad en Medad zijn aan het profeteren in het kamp!’ Jozua, de zoon van Nun, die al als jongeman in Mozes’ dienst gekomen was, zei daarop tegen Mozes: ‘Mijn heer, dat moet u hun verbieden.’ Mozes zei hem: ‘Waarom kom je voor mij op? Ik zou willen dat heel het volk van de HEER profeteerde en dat de HEER zijn geest op hen legde.’

Tweede lezing: Jak. 5,1-6. En nu u die rijk bent: huil en jammer om de rampen die over u komen. Uw rijkdom is verrot, uw mooie kleren zijn door motten verteerd, uw goud en zilver is verroest. Die roest zal tegen u getuigen en als een vuur uw lichaam verteren. Schatten hebt u verzameld, terwijl het de laatste dagen zijn. Hoor, het loon dat u hebt onthouden aan de arbeiders die uw velden hebben gemaaid, roept luid, en de kreten van uw oogsters zijn doorgedrongen tot de oren van de Heer der heerscharen. U hebt op aarde gezwelgd en gebrast, u hebt uzelf vetgemest voor de dag van de slachting. U hebt de rechtvaardige gevonnist en vermoord; hij heeft geen verweer tegen u.

Evangelie: Mc. 9,38-43.45.47-48. Johannes zei tegen Hem: ‘Meester, we hebben iemand in uw naam demonen zien uitdrijven, en wij hebben hem tegengehouden, omdat hij geen volgeling van ons was.’ Maar Jezus zei: ‘Houd hem niet tegen, want iemand die in mijn naam een machtige daad verricht, zal niet gauw kwaad van Me spreken. Immers, wie niet tegen ons is, is vóór ons. Want als iemand je een beker water geeft omdat jullie van Christus zijn, Ik verzeker jullie, zijn loon zal hem niet ontgaan. Wie één van deze kleinen die op Mij vertrouwen ten val brengt, kan beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden. Als je hand je ten val brengt, hak haar dan af; je kunt beter verminkt het leven ingaan dan met twee handen in de hel verdwijnen, in het onblusbaar vuur. Als je voet je ten val brengt, hak hem dan af; je kunt beter kreupel het leven ingaan dan met twee voeten in de hel gegooid worden. Als je oog je ten val brengt, ruk het dan uit; je kunt beter met één oog het koninkrijk van God ingaan dan met twee ogen in de hel gegooid worden, waar hun worm niet van ophouden weet en het vuur niet dooft.

 

OPENINGSWOORD

Na een week van werken voor God en voor elkaar, willen wij geestelijk even op adem komen en stilstaan bij van wie wij al het goede hebben ontvangen en aan wie het hebben mogen doorgeven. Tegelijk wijst God ons weer de weg voor de week die gaat komen. Als je een lange reis maakt, moet je soms meerdere keren de weg vragen. Zo is het hier ook. God wijst de weg voor de komende week. En uit bijvoorbeeld de woorden van de tweede lezing van vandaag kunnen wij weten, dat wij, mensen, soms vergeten voor wie wij al het mooie en goede krijgen: niet alleen voor onszelf, maar ook om anderen daarin te laten delen.

PREEK

Wij allemaal hebben een bepaalde manier van denken. Hoe die wijze van denken is, hangt ook samen met ons karakter. Jezus Christus was – en is nog steeds – naast God, ook echt Mens. Ook Hij heeft karakter. Ook Hij heeft zijn manier van denken. Maar hoe was dat dan bij Hem? Was Hij als Zoon van God, een beetje extreem in z’n spreken, z’n doen en laten?

Als wij het evangelie van vandaag lezen, weten wij, dat Hij uitersten in zich draagt. Van de kleinste goede zaak kon Hij iets groots maken. Al geven wij iemand maar een beker koud water, omdat hij van Christus is, dan zullen wij ons loon daarvoor zeker krijgen. Maar aan de andere kant heeft Hij het ook over een molensteen om je hals als je een kleine, die gelooft, aanleiding tot zonde geeft. (Hij heeft het over het afhakken van handen en voeten).

Toen de apostelen vóór Pasen en Pinksteren nog in de leerschool van Christus waren, gebeurde het geregeld, dat zij verhalen van Jezus niet begrepen. Maar ná zijn Verrijzenis maakte Hij hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften (Lucas 24, 45). Sindsdien herinnerden zij zich zeer goed wat Jezus allemaal heeft gezegd en zij kenden ook de betekenis van alle uitspraken. En geen van de apostelen heeft ooit die radicale teksten over het afhakken van handen en voeten letterlijk uitgelegd. Het afhakken van een hand zou trouwens te weinig helpen, want het gaat niet alleen om de hand waarmee je bijvoorbeeld iemand wilt slaan, het gaat ook om het verlangen dàt je iemand wilt slaan, om de boosheid of wraakgevoelens, en die leven in je hart.

Waar het Jezus Christus om gaat is dat wij in onze keuze voor of tegen God niet kunnen komen aanzetten met allerlei compromissen. Er is geen gulden middenweg. Met zijn radicale woorden wil Jezus benadrukken wat er op het spel staat. Onze keuze voor God, ons leven met God, ons leven met Gods grote mensenfamilie, is waardevoller dan onze hand, onze voet of ons oog.
In het bedrijfsleven en ook in het privéleven zijn mensen bereid om heel wat op het spel te zetten. Mensen studeren soms jaren lang om dàn te kunnen profiteren van een goede baan en een goed salaris. Als je het aan je hart hebt en de dokter zegt, dat je nog jaren kunt voortleven…  àls je níet meer rookt, géén vet meer eet, méér beweegt en mínder gestrest leeft; dus als je radicaal je leven verandert, zijn dan niet de meeste mensen zonder meer daartoe bereid? Zouden ook wij niet offertjes moeten (willen) brengen omwille van dat nog veel grotere geluk van het samenleven met God en zijn grote mensenfamilie?

Misschien denken wij van onszelf dat wij een dergelijke radicale keuze niet kunnen opbrengen? Dat dat alleen maar is weggelegd voor de apostelen en andere grote heiligen. Dat meende al de helper van de grote profeet Mozes, zo hoorden wij in de eerste lezing van vandaag. Twee mannen, Eldad en Medad, stonden wèl op de lijst, maar waren niet naar de tent van samenkomst gekomen – zeg maar ‘niet naar de Kerk gekomen’ – en toch profeteerden (=woorden spreken in de kracht van Gods Geest)  zij in het kamp. Jozua meende, dat dat niet kon en wilde het laten verbieden, maar Mozes wees hem erop, dat hij zou willen dat héél het volk profeteerde en dat God zijn Geest op héél het volk zou laten neerdalen.

Ook de apostelen in het evangelie van vandaag meenden, dat een grootse daad als het uitdrijven van de boze duivel alleen maar aan hen was voorbehouden, maar Jezus zei heel rustig: “Belet het hem niet, want iemand die een wonder doet in mijn Naam zal niet zo grif ongunstig over Mij spreken”.

Wij hebben natuurlijk allemaal een verschillende taak, óók binnen de Kerk. Wij zijn niet allemaal pastoor, niet allemaal koster, niet allen zorgen wij voor de bloemen; maar geroepen tot grote daden is wel iedereen, en iedereen kan van God de kracht krijgen om het te kunnen… als wij maar willen… als wij maar vragen om de Geest, die levend maakt.

Beste mensen, er staat in de heilige Schrift, de Bijbel, geschreven, dat het Rijk Gods komt met geweldige kracht en dat geweldige mensen er lid van kunnen worden. Niet geweldig in de zin van ongelofelijk knap, intelligent, maar mensen, die beslissingen durven nemen en zichzelf aanpakken.

Wij lopen er misschien al maanden aan te denken om bijvoorbeeld wat vrijwilligerswerk te gaan doen, maar als wij nooit de telefoon pakken en tegen onszelf zeggen: “En nou ga ik mezelf opgeven”, dan komt het er nooit van!

Of een ander voorbeeld: Wij voelen al een hele tijd aan dat wij die ene ruzie in orde moeten maken. Wij zijn al een jaar niet meer bij elkaar geweest. Maar dan moeten wij tegen onszelf zeggen: “En nou ga ik naar hem toe” en wij springen op de fiets of pakken de auto en maken het in orde!

Jezus navolgen is: de koe bij de horens vatten, beslissingen durven nemen. Je leven durven veranderen. Een goede beslissing voor vandaag zou zijn: God, vanaf vandaag gaat het niet meer om mij. Het gaat voortaan om U en mijn medemensen. U wil ik eren. Mijn medemensen wil ik helpen. Durven wij het aan. Een beloning er voor zullen wij zeker krijgen. Amen.

Dit is een bewerking van een preek van pastoor Domen,  vgl bron: http://www.preken.be/index.php?option=com_content&view=article&id=3482:26e-zondag-b-2006

Advertenties