Tags

,

28ste ZONDAG DOOR HET JAAR

Eerste lezing: Wijsh. 7,7-11; Tweede lezing: Hebr. 4, 12-13; Evangelie: Mc. 10,17-30

Hierbij de eerste preek bij gelegenheid van de opening van het ‘Jaar van het Geloof’, gegeven door het bisdom Roermond door vicaris mgr. Maessen van de Dienst Liturgie en Kerkmuziek.

Vijftig jaar geleden werd het tweede Vaticaans Concilie geopend; de grote kerkvergadering die een nieuw élan en bezieling aan onze Kerk wilde geven. Ter herdenking heeft de paus nu een Jaar van het Geloof uitgeroepen om – in de geest van dit Concilie- opnieuw ons geloof te herijken en te verdiepen.  In de afgelopen halve eeuw is er in Kerk en maatschappij veel veranderd; daarom lijkt de vraag niet overbodig: wat houdt ons geloven eigenlijk in? Wat wordt er in ons geloof van ons gevraagd?

Niet weinig, zo laat Jezus vandaag in het evangelie blijken. De rijke jongeling uit dat evangelie: wij zouden hem een doorsnee-gelovige kunnen noemen. Hij lijkt in allerlei opzichten wel op menigeen van ons.  Hij is, zoals de meesten van ons, welvarend; maar toch houden ook de grote vragen van het leven hem bezig. Hij is een gelovige, zoals ook wij dat willen zijn: hij gelooft in het eeuwige leven bij God.  Maar hoe dit nu te bereiken: hoe in je leven bij de eeuwige God te geraken; hoe in contact met Hem te komen? Dat is dringende vraag waarmee hij naar Jezus toe gaat. Want klaarblijkelijk heeft hij veel vertrouwen in Hem.

En Jezus houdt hem in eerste instantie de geboden voor, die deze man als godsdienstig mens moet onderhouden:  “gij zult niet doden, gij zult niet stelen” etc. De meesten van ons kennen wellicht nog de rijtjes uit de katechismus van vroeger. Wij leerden ze van buiten, zoals b.v. de Tien Geboden. De rijke jongeling heeft er niet de minste moeite mee. Met een gerust hart kan hij verklaren: “maar, al die geboden die heb ik van kindsbeen af onderhouden”. En Jezus neemt dit ook van hem aan. De jongeling leeft volgens de voorschriften van zijn geloof, en is dus op weg naar eeuwig leven, naar God.

Zijn dringende vraag lijkt beantwoord. Het gesprek met Jezus lijkt beëindigd. Totdat dit gesprek ineens een heel nieuwe wending krijgt: “Toen keek Jezus hem liefdevol aan”. Alles wordt nu anders. Tot nu toe was de ontmoeting tussen de jongeling en Jezus zakelijk. Men sprak over geboden, over de wet. Maar plotseling  grijpt Jezus hier boven uit. Hij boort dieper en raakt het innerlijk van deze jonge man. Een persóónlijke ontmoeting komt tot stand. Harten openen zich voor elkaar. Geloven is nu niet langer meer slechts een kwestie van het onderhouden van geboden. Het is voor alles persoonlijk contact met Jezus; een geraakt worden door zijn liefde.

Maar als geloven in Jezus dit inhoudt, dan brengt dat wel zijn consequenties met zich mee. Dat maakt Jezus de rijke jongeling en, via hem,  ook ons wel duidelijk: “Eén ding ontbreekt je. Wil je met Mij mee gaan, wil je Mij dus navolgen, dan zul je er wel alles voor moeten over hebben. Heel je hebben en houden is dan in het geding. Niets blijft onberoerd. Alles wat je bent, alles wat je hebt, beschouw het niet langer eigenzinnig en hebberig als louter iets van en voor jezelf. Laat je liefde voor Mij blijken uit je liefde voor je naaste, vooral voor de naasten in nood. Deel met hem of haar”.

De rijke jongeling kreeg het zonder omhaal van woorden te horen: “Verkoop al wat je bezit en geef het aan de armen, kom dan terug en volg Mij”.  Maar dat is blijkbaar te veel gevraagd voor hem. Hij blokkeert. Al te zelfzuchtig zit hij nog vast aan wat Hij bezit. “Ontdaan ging hij heen”.

En Jezus, Hij mijmert erover na. Is het dan te radicaal wat Hij heeft gevraagd? Hij denkt: “wat zitten toch mensen vastgehecht aan al wat zij bezitten. Hoe moeilijk wordt het dan voor hen om echt lief te hebben, om echt te geloven. Zij kunnen zo moeilijk loslaten”.

In het gesprek met de rijke jongeling is gebleken dat geloven allereerst een persoonlijke ontmoeting met de liefde van Jezus is: een liefde die om wederliefde vraagt. Deze blijft echter niet zonder consequenties; maar zal zich in daden gaan uiten van delen-met-de-ander.

Als Jezus ons liefdevol aankijkt, wordt dus méér van ons gevraagd dan het louter onderhouden van geboden. Zijn liefde laat niets onberoerd en maakt alles anders. Wij kijken anders tegen ons leven aan. Aan al wat wij hebben en zijn raken wij onthecht.

Maar als dat geloven is, wordt er dan niet te veel gevraagd. Vraagt de Heer dat echt van iedereen?  Hij vraagt het van ieder die Hij liefdevol aankijkt… En dat is toch ieder van ons. Amen.

Advertenties