Tags

, , , , ,

29ste  zondag door het jaar, B, 2012

Drie vrouwen en de ene zoon

Eerste lezing: Jes. 53,10-11.

Maar het heeft de HEER behaagd hem ziek te maken en te breken. Waarlijk, hij heeft zichzelf tot een zoenoffer gemaakt hij zal zijn nakomelingen mogen zien, en lang blijven leven; en wat de HEER behaagt zal door zijn hand slagen. Vanwege het doorstane lijden zal hij het licht mogen zien en met kennis verzadigd worden. Mijn dienstknecht zal zich een rechtvaardige tonen voor velen, hun zonden laadt hij op zich.

Tweede lezing: Heb. 4,14-16

Nu wij een verheven hogepriester hebben, een die de hemelse sferen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten wij vasthouden aan onze belijdenis. Want wij hebben een hogepriester die in staat is om mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde. Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te vinden en zo hulp te krijgen op de juiste tijd.

Evangelie: Mc. 10,35-45

Toen kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, bij Hem: ‘Meester, we willen U vragen iets voor ons te doen.’ Hij vroeg hun: ‘Wat wil je dan dat Ik voor jullie doe?’ Ze zeiden Hem: ‘Dat een van ons rechts en de ander links van U mag zitten, als U in uw heerlijkheid gekomen bent.’ Maar Jezus zei hun: ‘Je weet niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die Ik drink, of gedoopt worden met de doop waarmee Ik gedoopt word?’ Ze zeiden Hem: ‘Ja, dat kunnen wij.’ Jezus zei hun: ‘De beker die Ik drink, die zullen jullie drinken, en met de doop waarmee Ik gedoopt word, daarmee zullen jullie gedoopt worden, maar rechts of links van Mij zitten – het is niet aan Mij om dat te vergeven. Dat wordt gegeven aan hen voor wie dat is weggelegd. Toen de tien dat hoorden, ergerden ze zich aan Jakobus en Johannes. Daarop riep Jezus hen bij zich en zei: ‘Jullie weten dat de erkende leiders van de volken heerschappij voeren over hen, en dat hun grote mannen hun gezag laten gelden. Maar zo is het onder jullie zeker niet. Wie daarentegen groot wil worden onder jullie, moet jullie dienaar zijn; wie onder jullie eerste wil zijn, moet slaaf van allen zijn. Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

Kinderen spelen wel eens het spelletje waarbij ze elkaars lengte vergelijken. Ze gaan naast elkaar staan en vergelijken wie groter is. Vaak draait het dan erop uit dat het geen spelletje meer blijft en dat ze elkaar proberen te overtreffen: ik ben beter, mooier, rijker dan jij. Ik kan beter zwemmen, haal betere punten, heb duurder speelgoed. Achter dit vergelijken steekt steeds dezelfde wens: groter dan de ander te zijn.

Merkwaardigerwijze spelen volwassenen dat spel verder – veel verbetener en geraffineerder dan kinderen – ik verdien meer dan jij, ik heb meer te vertellen dan jij, geniet meer aanzien en heb betere relaties. Ook hier gaat het om dezelfde wens: groter te zijn dan die ander.

Ook onder de vrienden van Jezus ontstaat er een strijd om de beste plaatsen. Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, richten zich tot Jezus met de vraag: “Geef dat in uw glorie een van ons aan uw rechter- en de ander aan uw linkerzijde moge zitten”. Met andere woorden, wanneer U in het Rijk Gods bekleedt bent met macht en majesteit en recht spreekt over de volken, dan willen ook wij iets van Uw macht hebben en die uitoefenen; we zouden graag willen, en het is ons toevertrouwd, een beetje uw rechter- en linkerhand te mogen zijn.

Ondanks het feit dat Jezus hen net nog gesproken had van zijn lijden en sterven: “Ze zullen Hem bespotten en bespuwen, ze zullen hem geselen en doden”, ondanks dat zullen ze ongetwijfeld bekoord zijn door de laatste opmerking: “En na drie dagen zal Hij verrijzen”. Wellicht was dat laatste de aanleiding om zich te bekommeren om hun eigen toekomst en zich een goede uitgangspositie te verwerven, ja zelfs, wanneer het moest gaan ten koste van anderen.

Gedroegen ze zich daarmee niet een beetje onbehouwen ten opzichte van de andere leerlingen? Hun reactie verstaan we maar al te goed: ze worden kwaad bij het horen van de onbeschaamde wensen van de zonen van Zebedeüs. En ze hebben daarbij niet in de gaten dat ze door hun ergernis verraden dat ze zelf graag de eersten zouden willen zijn…

Jezus laat dan zien dat het bij hen anders moet zijn dan bij de heersers der volken die met ijzeren vuist regeren. Als gelovige moet je herkenbaar anders leven: je moet bereid zijn jezelf klein te maken. Dienen is belangrijker dan heersen. Liefde telt meer dan macht.

Mocht uiterlijke grootheid al te meten zijn, moeilijker wordt het bij innerlijke grootheid, zoals bij de drie moeders in het volgende verhaal van Leo Tolstoi:

Drie vrouwen gingen water putten bij de bron. Niet ver van de bron zat een grijsaard die hoorde hoe de vrouwen hun zonen loofden. “Mijn zoon, zei de eerste, is een heel handige kerel. Hij overtreft in behendigheid alle jongens van het dorp.” “Mijn zoon, zei de tweede moeder, heeft de stem van een nachtegaal. Wanneer hij zingt dan worden alle mensen stil en bewonderen hem. Hij zal nog wel een grote zanger worden.” De derde vrouw zwijgt. ”Waarom zeg jij niets over je zoon?”, vragen de beide anderen. ”Ik zou niet weten waarmee ik hem zou kunnen loven”, antwoordde ze. ”Mijn zoon is een heel gewone jongen en heeft niets bijzonders. Maar ik hoop, dat hij in het leven zijn mannetje zal weten te staan.” De vrouwen vulden hun emmers en gingen huiswaarts. De grijsaard ging langzaam achter hen aan. Hij zag hoe moeilijk ze het hadden om de zware emmers te dragen en het verbaasde hem niet dat ze na een tijdje hun last moesten neerzetten om wat uit te rusten. Op dat moment kwamen de drie jongens aanzetten. De eerste maakte de handstand en diverse salto’s. ”Wat is hij lenig”, riepen de drie vrouwen. De tweede zette een lied in en de vrouwen luisterden aangedaan met tranen in de ogen. De derde jongen liep naar zijn moeder, nam zonder een woord te zeggen, de beide emmers en ging huiswaarts. De drie vrouwen richten zich tot de grijsaard en vroegen: ”Nou, wat zeg je van onze zonen?” “Jullie zonen?” zei de grijsaard verbaasd, “Ik zie maar een zoon!

”Wie onder jullie groot wil wezen, moet dienaar zijn”, zegt Jezus. Werkelijke grootheid van mensen laat zich hieraan herkennen, dat hij bereid is anderen te ondersteunen. Daaraan herkende de grijsaard wie de beste onder de drie zonen was. Daaraan mogen we ook een echte christen herkennen.

Het gaat ons niet om de strijd om de beste plaats. Wanneer we naar Jezus kijken, dan weten we hoe we moeten leven. Want ook Hij is niet gekomen als de gevierde ster, die zich door anderen liet bejubelen. Hij is gekomen om de mensen te tonen hoezeer God ons liefheeft.

”Geloof, hoop en liefde, maar de grootste van de drie is de liefde”, zegt de heilige Paulus ons. En hij heeft gelijk: aan de liefde kan men de ware gelovige herkennen. Laten we proberen met zijn allen groter te worden in dienende liefde!

Pastoor Geudens, https://bid24uur.wordpress.com

Advertenties