Tags

,

Die schitterende ontmoeting

Openingswoord
Welkom in deze Eucharistieviering op de 30ste zondag door het jaar. In het evangelie van vandaag horen we het verhaal van de genezing van een blinde. We worden ertoe aangespoord om eens na te gaan: wie die blinde nu eigenlijk is. Niemand van ons is volmaakt. Ieder van ons is wel eens blind: ziet dingen over het hoofd, schiet te kort in menselijk opzicht. Pijnlijk zijn we ons er van bewust; en dat is al een stap in de richting van genezing…
Houdt goede moed zegt Jezus ons. Bij Hem kunnen we om genezing vragen en genezing ontvangen, als we maar in Hem geloven, op Hem vertrouwen. Hij wijst ons de weg!

Verdieping
“Ik zie het niet meer”, kan een verzuchting zijn, wanneer we door de bomen het bos niet meer zien, wanneer we geen uitweg weten in een ingewikkelde situatie. Uiteraard bedoelen we met de verzuchting; ‘Ik zie het niet meer zitten’, niet dat we fysiek blind geworden zouden zijn.

Het is duidelijk; blijkbaar is er ook nog een ander, een dieper zien. Laten we het maar noemen: het zien met de binnenkant van je ogen (je innerlijk). Wel, medegelovigen en dan komt het evangelie van vandaag over de genezing van de blinde al een stuk dichterbij. Dan zijn we er allemaal bij betrokken. Want wie van ons is niet wel eens ziende blind? Problemen hebben zich opgestapeld, onschuldig lijkende kwesties zijn een berg geworden, een kluwen van draden die verstrikt zijn geraakt (we hebben het dan over ons eigen innerlijk). En hoe meer we aan dat ingewikkelde kluwen trekken, hoe vaster het komt te zitten. Het komt erop aan om het juiste draadje te vinden waarmee we dat kluwen kunnen ontrafelen…

Zo kunnen mensen verstrikt raken in zichzelf, wanneer ze het nalaten om hun hart, hun geweten, hun innerlijk te verzorgen. De stem van het geweten wordt dan tot zwijgen gebracht en al ziende wordt men blind.

Wanneer het geweten tot zwijgen gebracht wordt, wanneer men niet meer luistert naar die innerlijke stem, die van tijd tot tijd inderdaad tegendraads kan zijn, tegen gangbare meningen ingaat; dan gaat men al snel de grote massa napraten… Enquêtes en opinieonderzoeken gaan dan het leven van mensen bepalen en men heeft geen boodschap meer aan de blijde boodschap van Christus.

Juist en goed wordt dan wat de meerderheid zegt, die overigens een ‘elkaar-naloop-meerderheid’ kan zijn.

In het Evangelie krijgen we een indrukwekkende gebeurtenis te horen over een eenling die langs de kant van de weg zit. Er wordt van hem gezegd dat hij blind is. Dat is de vraag! Er is een over en weer tussen de eenling en de menigte.

De menigte die Jezus volgt van Jericho naar Jeruzalem heeft aanvankelijk geen oog voor deze eenling. Het is de menigte die met alle winden meewaait; ‘zoals de wind waait waait mijn jasje’. Het is de menigte van de opinieonderzoeken, de grootste gemene deler. Ze leeft bij de waan van de dag. Ze is weersgevoelig. Wat vandaag modern is, is morgen ouderwets. Dat blijkt ook in het Evangelie want het is diezelfde menigte die bij de intocht in Jeruzalem Jezus lof zal toezwaaien met de woorden: ‘Hosanna’, en enkele dagen later zal schreeuwen: ’Kruisig hem’.

Die menigte heeft geen oog voor Bartimeus, die luidkeels begint te roepen: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij”. Neen, ze proberen hem tot zwijgen te brengen. De menigte, de massa, is doof voor de stem van het geweten. Ze is blind! Wie is er ziende en wie is er blind? kunnen we ons hier afvragen… de menigte of Bartimeus…?

En dan begint die schitterende ontmoeting van hart tot hart tussen Jezus en Bartimeus. Bartimeus heeft geen gehoor gegeven aan het gebod van de menigte om te zwijgen. Hij heeft de moed om tegen de gangbare mening in te gaan. Ja, zelfs nog harder roept hij: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!”  En Jezus hoort hem… zoals hij ieder van ons hoort…

Deze hoegenaamde blinde is zich bewust van zijn eigen tekorten, weet dat hij zwak is, kent zijn zondigheid en weet het onder ogen te zien; maar hij weet ook waar zijn genezing ligt: Jezus Christus, de Zoon van God. Jezus blijft staan en zegt: “Roept hem eens hier”. En de menigte die even verstomd was, tapt nu uit een ander vaatje: “Heb goede moed, Hij roept U”.

De blinde staat op… schitterende uitdrukking van het feit dat Jezus in staat is om hen die in dood, zondigheid en duisternis gehuld zijn te doen opstaan… en feilloos weet de blinde Jezus te vinden. Hij heeft daar een gelovige intuïtie voor.

En wanneer Jezus vraagt: “Wat wil je dat ik voor je doe?” Dan antwoordt de blinde met een aandoenlijke uitdrukking van gelovig vertrouwen: “Rabboeni, maak dat ik zien kan!”

Zo kan het ook bij ons zijn: Problemen hebben zich opgestapeld in het leven. We zien het niet meer. We zijn verstrikt geraakt in onszelf. We zijn in dood, zonde en duisternis gehuld. Een oplossing is er slechts (vanuit een innerlijke blik). Je eigen zondigheid en tekorten onder ogen durven zien. Durven te kijken met de binnenkant van je ogen, naar je eigen innerlijk. Christus is er die geneest en die ons vraagt: Wat kan ik voor je doen…? En we mogen tegen Hem zeggen: “Heer, maak dat ik zien kan”. Zo kan het verstrikt geraakte leven tot een sacrament leiden: het sacrament van boete en verzoening. Opdat ik weer kan zien (van binnen uit)! Amen.

Pastoor Geudens

Advertenties