Tags

, , , , ,

Marcus 12, 38-44

Die arme weduwe

“In die tijd gaf Jezus bij zijn onderricht ook deze waarschuwing: “Wacht u voor de schriftgeleerden, die graag in lange gewaden rondlopen, die zich laten groeten op de markt, belust zijn op de voornaamste zetels in de synagogen en op de ereplaatsen bij de maaltijden, maar die de huizen der weduwen opslokken terwijl ze voor de schijn lange gebeden verrichten; over deze mensen zal een strenger vonnis worden uitgesproken.”

Wanneer bij dit laatste twistgesprek de tweede partij praktisch wegvalt, is de boodschap er niet minder belangrijk om. Zeker als we onszelf in de huid durven steken van de schriftgeleerden. Iedereen van ons is wel eens een (schrift)geleerde. We worden liever gediend dan te dienen. Concreet toegepast: de presentatie van de Kerk in haar bedienaren is soms het omgekeerde van wat het moet zijn. Zich laten eren, de voornaamste plaatsen opzoeken, voor de schijn gebeden verrichten, strookt niet met haar wezen. De laatste tijd is een groter bewustzijn dat dit niet kan. Ieder van ons moet meewerken aan haar waarachtigheid, want het beeld van de Kerk wordt vertekend door enkelingen die niet leven volgens de juiste geest. Dit is des te erger naarmate ze een grotere verantwoordelijkheid dragen. Deze houdingen worden dan zieke plekken die het geheel schade toebrengen.

Geen wonder dat Jezus zijn eerste deel besluit met te zeggen dat over deze mensen een streng oordeel zal worden uitgesproken.

Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek toe, hoe het volk daarin koperstukken wierp terwijl menige rijke er veel in liet vallen. Er kwam ook een arme weduwe, die er twee penningen, ter waarde van een cent, in wierp. Hij riep nu zijn leerlingen bij zich en sprak…

Zijn laatste verblijf in de Tempel rondt Jezus af met zijn leerlingen alleen. Tussen de tempelgangers onderscheidt Hij allerlei soorten mensen. Tegenover hen stelt Hij nu de arme weduwe. Wanneer anderen slechts geven van hun overvloed, geeft zij van het noodzakelijke. Hij stelt haar als voorbeeld van de geloofsgemeenschap.

“Voorwaar, Ik zeg u: die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen die iets in de offerkist wierpen; allen wierpen ze er iets in van hun overvloed maar zij offerde van haar armoede al wat ze bezat, alles waar ze van leven moest.”

De vrouw wordt zelfs een voorafbeelding van Jezus zelf. Hij zal de Tempel verlaten om Zijn leven te geven tot losprijs voor velen. Nu vestigt zich een nieuwe cultus, die van de geliefde Zoon. De liefde is God dierbaarder dan alle brandoffers. Dit is de christelijke houding. Jezus prijst de offergave van de arme mens. Zij is een voorafbeelding van Zijn eigen offerande van lichaam en bloed onder de nederige tekens van brood en wijn. In de eucharistie geeft Jezus ons werkelijk zichzelf met al wat wij nodig hebben om van te leven. Wat we geven van onszelf bepaalt de waarde van onze gave. In de Bijbel is een weduwe een berooid iemand. God heeft de nederige lief. Zij staan het meest open voor zijn oproep van bekering. God mag hen alles vragen en zij mogen van God alles verwachten. God vertrouwt zozeer op de heldhaftige inzet van de mens, dat Hij het risico wilde lopen zijn eigen Zoon te offeren om de mensen te brengen tot onvoorwaardelijke gave van zichzelf. Is het niet de roeping van de kerkgeloofsgemeenschap als een arme weduwe haar aardse zekerheden op te geven om meer oprecht te getuigen van haar geloof in het ene Woord dat leven geeft?

Uit; Bezinningen bij Gods Woord van dag tot dag, Norbertijnen van de Abdij Postel,  Turnhout, Brepols, 1989, blz. 412-414

Advertenties