2013-12-11 Paus Franciscus. Audiëntie. Het laatste oordeel is vandaag.

Catechese over het eeuwig leven.

Rome (ZENIT.Org)

Jezus’ liefde is groot en zij vergeeft telkens iemand naar Hem toegaat om vergeving te vragen maar, zo legt paus Franciscus uit, het is voor de mens ook mogelijk dat hij “zichzelf veroordeelt tot uitsluiting van gemeenschap met God” en met zijn broeders, “met de eenzaamheid en diepe bedroefdheid die eruit voortvloeien”: paus Franciscus beschrijft aldus het alternatief dat zich aan de menselijke vrijheid aandient.

Hij wijdt zijn catechese van deze woensdag 11 december op het Sint-Pietersplein aan het laatste artikel van het Credo: het geloof in het eeuwig leven. En zegt dat het laatste oordeel van nu af begint in de keuzes die de mens doet ten overstaan van Christus en zijn broeders.

Dierbare broeders en zusters, goede dag!

Ik zou vandaag de laatste catechese over onze geloofsbelijdenis willen beginnen: “ik geloof in het eeuwig leven”. Ik sta meer in het bijzonder stil bij het laatste oordeel. Doch wij moeten niet bang zijn: laten we luisteren naar wat Gods woord zegt. Hierover lezen we in het Evangelie van de heilige Mattheus: dan zal Christus komen “in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen … Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker. … En deze zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven” (Mt. 25,31-33.46). Als wij aan de wederkomst van Christus denken en Zijn laatste oordeel dat tot in zijn laatste consequenties het goede zal manifesteren dat iedereen tijdens zijn leven op aarde heeft gedaan of nagelaten heeft te doen, bemerken wij dat wij voor een mysterie staan dat ons overstijgt, dat wij ons zelfs niet kunnen voorstellen. Een mysterie dat bijna instinctief in ons een gevoel van vrees opwekt, en misschien ook van onrust. Nochtans, als wij hier goed over nadenken, kan het alleen maar het hart van de christen verruimen en een grote reden zijn van troost en vertrouwen.

Het getuigenis van de eerste christengemeenschappen hierover is nog suggestiever. Zij hadden namelijk de gewoonte vieringen en gebeden te begeleiden met de uitroep “Maranatha”, een uitdrukking die bestaat uit twee Aramese woorden die volgens de manier waarop zij gezegd worden, als een smeekbede kunnen verstaan worden: “Kom, Heer!” ofwel als een zekerheid vanuit het geloof: “Ja, de Heer komt, de Heer is nabij”. Het is de uitroep waarin heel de christelijke openbaring ten top gevoerd wordt aan het einde van de wonderlijke aanschouwing die Johannes ons geeft in de Apocalyps (cf Ap. 22,20). Daar richt de Kerk-Bruid zich in naam van de mensheid, van heel de mensheid, en als aanvang van de mensheid, tot Christus, haar Bruidegom, ongeduldig om in Zijn armen, in Jezus’ armen gesloten te worden in een volheid van leven en liefde. Zo sluit Jezus ons in Zijn armen. Als wij in dat perspectief aan het oordeel denken, verdwijnen iedere angst en aarzeling en maken zij plaats voor verwachting en diepe vreugde: dat zal precies het ogenblik zijn waarop wij zullen geoordeeld worden, eindelijk klaar om als een bruidskleed bekleed te worden met de heerlijkheid van Christus en naar het bruiloftsmaal geleid te worden, beeld van de volle en definitieve gemeenschap met God.

Een tweede reden tot vertrouwen wordt ons geboden wanneer wij vaststellen dat wij op het ogenblik van het oordeel niet alleen gelaten worden. Jezus zelf kondigt in het Evangelie van Mattheüs aan hoe degenen die Hem gevolgd zijn, op het einde der tijden in de heerlijkheid zullen plaats nemen om met Hem het oordeel te vellen (cf Mt. 19,28). De apostel Paulus zegt vervolgens in zijn brief aan de christenen van Korinthe: “Weet gij niet dat de heiligen de wereld zullen oordelen? … Hoeveel te meer dan over alledaagse dingen” (1 Kor. 6,2-3). Hoe mooi is het te weten dat wij niet alleen op Christus zullen kunnen rekenen, onze Vertrooster, onze Voorspreker bij de Vader (cf Joh. 2,1), maar ook op de voorspraak en welwillendheid van zo veel oudere broeders en zusters die ons zijn voorgegaan op de weg van het geloof, die hun leven voor ons hebben gegeven en ons op een onuitsprekelijke manier blijven liefhebben! De heiligen leven reeds in Gods aanwezigheid, in Zijn stralende heerlijkheid en bidden voor ons die nog op deze aarde leven. Deze zekerheid is zo een troost voor ons hart! De Kerk is werkelijk moeder en als mama streeft zij het welzijn van haar kinderen na, vooral van degenen die het meest veraf staan of beproefd worden, tot zij haar volheid vindt in het verheerlijkte lichaam van Christus met al Zijn ledematen.

Een andere suggestie krijgen we in het Evangelie van Johannes, waar uitdrukkelijk staat: “God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered. … Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God” (Joh. 3,17-18). Dat betekent dus dat het laatste oordeel reeds werkzaam is, het begint nu, tijdens ons leven. Dat oordeel wordt op elk moment van ons leven meegedeeld, in antwoord op de gelovige manier waarop wij het aanwezige heil dat in Christus werkzaam is, onthalen, of daarentegen op ons ongeloof, die beslotenheid op onszelf die het meebrengt. Doch als wij ons voor Jezus’ liefde afsluiten, veroordelen wij onszelf. Het heil bestaat erin zich voor Jezus te openen en Hij, Hij redt ons; als wij zondaars zijn en dat zijn we allemaal, dan vragen we Hem vergiffenis en als we naar Hem toegaan met het verlangen goed te zijn, vergeeft de Heer ons. Maar daarom moeten wij ons openstellen voor Jezus’ liefde die sterker is dan alles. Jezus’ liefde is groot, Jezus’ liefde is barmhartig, Jezus’ liefde vergeeft; maar gij moet u openstellen en zich openstellen betekent berouw hebben, zich beschuldigen van het verkeerde dat wij gedaan hebben. De Heer Jezus heeft zich gegeven en blijft zich aan ons geven, om ons met heel de barmhartigheid en genade van de Vader te vervullen. Het zijn wij dus die in zekere zin rechters over onszelf kunnen worden, door onszelf te veroordelen tot uitsluiting van gemeenschap met God en onze broeders, met de eenzaamheid en diepe bedroefdheid die daaruit voortvloeien.

Worden wij het dus niet moe te waken over onze gedachten en gedragingen, om reeds nu de warmte en pracht te smaken van Gods gelaat – en dat zal heel mooi zijn – die wij in heel zijn volheid zullen schouwen in het eeuwige leven. Laat ons doorgaan, denkend aan het oordeel dat nu begint, dat reeds begonnen is. Laat ons zo doorgaan dat ons hart zich openstelt voor Jezus en Zijn heil; laat ons zonder angst doorgaan want de liefde van Jezus is groter en als wij vergeving vragen over onze zonden, vergeeft Hij ons. Zo is Jezus. laat ons dus doorgaan met deze zekerheid die ons zal leiden naar de heerlijkheid van de Hemel!

Vert. Maranatha-gemeenschap

Advertenties