Mt. 3,13-17

Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden

Wij herdenken vandaag het doopsel van Jezus. Het is voor de hand liggend, dat onze aandacht daarbij gaat naar ons eigen doopsel. Wat betekent voor ons het doopsel?

Het woord doopsel wordt door Jezus een paar keer gebruikt in een betekenis die wel wat afwijkt van wat wij heden onder doopsel verstaan. Op de weg naar Jeruzalem, waar Hij ter dood gebracht zal worden, zegt Jezus: “Ik moet een doopsel ondergaan en ik voel mij beklemd totdat het volbracht is.” Een andere keer komen de twee zonen van Zebedeus; Johannes en Jacobus, bij Hem om te vragen of ze alstublieft de belangrijkste plaatsen in zijn Rijk mogen bekleden. Jezus stelt hun dan de vraag: “Zijn jullie je in staat het doopsel te ondergaan waarmee ik gedoopt word?” Het is duidelijk dat Jezus in beide gevallen bedoelt: het doopsel van zijn dood (en daarna de verrijzenis)!

Ook zijn doopsel in de Jordaan verwijst naar zijn sterven. Wij lezen tegenwoordig niet meer zoveel in de Bijbel en zeker niet in het oudste gedeelte van het Oude Testament. Maar voor de eerste lezers van Gods Woord, destijds, was dat allemaal veel duidelijker. De woorden: “Dit is mijn Zoon, mijn welbeminde” herinnerden hen onmiddellijk aan de woorden van de profeet Jesaja over de ‘Dienaar van Jahwe’, de dienaar van God, die zijn leven doorbrengt in dienstbaarheid en lijdt en sterft voor het volk.

Zo wordt het doopsel van Jezus beschreven als de inwijding tot een leven van kleinheid en dienstbaarheid, dat zal eindigen met de dood op het kruis en dat zo de verlossing en daarmee de redding van de mensen zal betekenen. In dit blikveld moeten wij ook ons eigen doopsel proberen te begrijpen!

Door het doopsel wordt de mens gezuiverd van de erfzonde. Die erfzonde kwam in de wereld door de persoonlijke zonde van alleen Adam. Zijn nakomelingen (in de erflijn van Noach na de Zondvloed) – en wij dus ook – zijn belast met de gevolgen daarvan; ziekte, pijn en uiteindelijk de dood.

De verlossing van de erfzonde door Christus is ons in het doopsel in kiemvorm meegegeven. Steeds zullen wijzelf moeten meewerken dat de heilige Geest in ons boven al het egoïstische in deze wereld, dat ons telkens weer belagen en besmetten zal, kan uitgroeien. Zoals Jezus, gedreven door de heilige Geest, zich inzet voor de genezing van ons mensen; zo zullen wij ons ook, vanuit de kracht van ons doopsel, moeten inzetten voor de bevrijding van al het egoïstische in ons en buiten ons.

Daarom zegt Jezus ook tegen zijn leerlingen, voordat Hij hen voorgoed verlaat tijdens zijn Hemelvaart: ”Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden.” Jezus noemt hier gedoopt-zijn en geloven in één adem. Het gaat er dus om gedoopt te zijn en te geloven én te leven volgens dat geloof.

Wat dat concreet voor ieder van ons betekent kan niet in algemene woorden weergegeven worden, omdat ieder van ons zijn eigen roeping als gedoopte op zijn eigen wijze zal moeten beleven. Het is voor de waarde van ons gedoopt zijn niet zo belangrijk welk beroep wij uitoefenen, of wij nu dokter, onderwijzer of timmerman zijn, wij zijn geroepen dit beroep uit te oefenen als gedoopte mensen. Voor een gedoopte moet Jezus het middelpunt van zijn leven vormen en niet geld, werk, macht, of iets dergelijks.

Zo begrijpen wij waarom Jezus doopsel en dood met elkaar in verband brengt. Voor Hem was het doopsel het begin van een leven in dienstbaarheid, dat eindigde op het kruishout. Voor ons mag het doopsel hetzelfde zijn, namelijk het begin van een leven in dienstbaarheid dat pas eindigt op ons sterfbed. Zo kunnen wij dan Jezus nazeggen: “Nu is alles volbracht!” En na mijn dood wacht de verrijzenis!

Vgl. bron: J. Lammers, Woord van leven, A-cyclus, Westerlo, 1984, blz. 31-33.

Advertenties