We beginnen weer onze jaarlijkse weg naar Pasen. De jaarlijkse veertigdagentijd stelt ons de vroeg hoe onze band met Jezus er voorstaat en wat doen we met alles wat met die vriendschap met Jezus samenhangt. De eerste prefatie van de veertigdagentijd zegt: “Dit is een tijd van meer toeleg op het bidden en grotere aandacht voor de liefde tot de naaste, van grotere trouw aan de sacramenten, waarin we zijn herboren”. Rond dat eerste, een tijd van meer toeleg op het bidden, wil ik even een mooie gedachte aanreiken aan de hand van een verhaal wat een van onze parochianen mij bezorgde. Het mag ook u sterken in uw gebedsleven…
Toen de priester de kamer binnenkwam, vond hij de arme man in bed, zijn hoofd gesteund op twee kussens. Naast het bed stond een stoel zodat de priester dacht dat de man verwacht had dat hij hem zou komen opzoeken. “Ik neem aan dat u mij verwachtte”, zei hij. “Nee, wie bent u?”, zei de zieke. “Ik ben de priester die uw dochter heeft geroepen om met u te bidden. Toen ik binnenkwam, viel me de lege stoel naast uw bed op, ik dacht dat u wist dat ik u een bezoek zou brengen”. “O ja, die stoel… Vindt u het vervelend om de deur dicht te doen?”, vroeg de zieke. De priester deed verrast de deur dicht. De zieke ging verder: “Ik heb het nooit tegen iemand gezegd, maar ik heb mijn hele leven lang niet geweten hoe ik moest bidden. Als ik naar de kerk ging, hoorde ik altijd over het gebed spreken, hoe je moet bidden en welke voordelen dat meebracht, maar altijd dat bidden, ik weet het niet… Het gaat het ene oor in en het andere uit. Hoe dan ook, ik had geen idee hoe het moet. Dus heb ik lang geleden het bidden er maar helemaal bij laten zitten. En voor mij was dat de waarheid, tot ongeveer vier jaar geleden. Ik praatte toen met mijn beste vriend en hij zei tegen me: ‘Jos, het doel van bidden is gewoon een gesprek te hebben met Jezus. Kijk, zo moet je het aanpakken: je gaat op een stoel zitten en je zet een lege stoel tegenover je en met geloof kijk je naar Jezus die tegenover je zit.’ Dat is niet raar om te doen want Hij heeft gezegd: ‘Ik zal altijd bij je zijn’. Dus ik praatte tegen Hem en luisterde naar Hem, op dezelfde wijze als u het vandaag met mij doet. Ik deed dat één keer, maar het beviel me zo goed dat ik ermee door ben gegaan, iedere dag ongeveer twee uur. Ik pas altijd goed op dat mijn dochter het niet ziet, want zij zou me meteen laten opsluiten in een gekkenhuis.” De priester was diep geraakt toen hij dit hoorde en zei tegen Jos dat het heel goed was wat hij deed en dat hij er vooral nooit mee moest ophouden. Hij zei toen samen met Jos een gebed, gaf hem de zegen en ging terug naar zijn parochie. Twee dagen later belde de dochter van Jos de priester om te zeggen dat haar vader gestorven was. De priester vroeg: “Is hij vredig gestorven?” “Ja, toen ik het huis uitging, ongeveer 2 uur ’s middags, roep hij me en ben ik naar hem toegegaan. Hij zei dat hij van me hield en kuste me. Toen ik na enkele boodschappen na een uurtje weer thuis kwam, vond ik hem dood. Maar er was iets vreemds aan die dood, want het leek alsof hij vlak voor zijn dood de stoel bij zijn bed naar zich toe getrokken had en er zijn hoofd op had neergelegd. Zo heb ik hem gevonden. Wat denkt u daarvan, wat zou dat toch kunnen betekenen?” De priester die diep ontroerd was, antwoordde: “Laten we hopen dat we allemaal op een zo vredige manier mogen heengaan”.

door pastoor A. Penne.
www.priesterpenne.be

Advertenties