H. KRUISWEG

Anna-Catharina Emmerick

Eerste statie
De Heer Jezus wordt ten dood veroordeeld

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

Nu voerden zij Jezus met de doornenkroon op het hoofd naar het paleis van Pilatus. Het bloed dat zijn ogen vulde en nedergevloeid was in zijn mond en baard, maakte de Heer onkennelijk.
Hij ging gebogen en wankelend. Toen de arme Jezus beneden aan de trap stond vóór Pilatus, voelde zelfs deze wreedaardige mens zich bevangen door medelijden en walg. Hij riep uit: “Als de duivel der Joden zo wreed is, kan men onmogelijk in de hel bij hem wonen.”
De beulen leidden de Heer naar de voorkant van het terras, naast Pilatus, zodat iedereen op het forum Hem kon zien.
Het was een vreselijk, hartverscheurend toneel, zoals daar de afzichtelijk ten toon gestelde Zoon van God, zijn ogen vol bloed op de massa richtte, van onder de verschrikkelijke doornenkroon.
Intussen zond Claudia, ongerust geworden door het aarzelen van haar man, nogmaals een bode naar het paleis.
Pilatus was besluiteloos, zijn oordeel helde nu een naar die kant, dan weer naar gene zijde over. Hij weigerde de waarheid te erkennen. Jezus, die vóór hem stond.
Het getier: “Aan het kruis met Hem! Weg met Hem!” verhief zich van alle kanten. De volksmenigte vóór het paleis begon zo wild te doen, dat een losbarsting van geweld te duchten viel.
Toen liet de landvoogd zich water brengen, en een dienaar goot het uit de schaal over zijn handen, ten aanschouwe van het volk, terwijl hij uitriep: “Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige.” Nauwelijks had hij aldus gesproken, of de hele massa, samengesteld uit mensen van alle steden en dorpen van het land, schreeuwden éénstemmig: “Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!” Het uitwerksel van deze zelfvervloeking was ontzettend en trof tot zelfs de kinderen in de moederschoot.
Na Zijn gruwzame foltering, werd de Heer overladen met de hoon van hovaardigen en lafhartigen, besprongen door de haat, de woede en de bloeddorstigheid van zijn vijanden en hun knechten, terwijl zovelen van zijn discipelen Hem loonden met ondank en verloochening.
Hij onderging Zijn allerbitterste lijden in voortdurend gebed, met nooit verminderde liefde voor zijn vijanden, steeds smekend om hun bekering.
Vandaag, wanneer zij het paaslam slachten, verstaan zij niet dat zij het Lam, dat de zonden der wereld wegneemt, ter dood brengen.
Bazuingeschal weerklonk en in de stilte die volgde, sprak Pilatus lafhartig en opgeblazen, het doodvonnis over Jezus uit. Wij moesten in de plaats van onze Verlosser staan, dat had het vonnis terecht verdiend mogen heten.
Bij de laatste woorden van Pilatus, zonk Maria, de Moeder, bewusteloos neer, alsof Zij sterven ging. Nu was het zeker, er viel aan de smadelijke dood van haar allerliefste Zoon niet te twijfelen.
Terwijl Pilatus het onrechtvaardig vonnis uitsprak, zond Claudia, zijn vrouw, het pand, dat hij haar had gegeven, terug en verbrak de verbintenis met hem; ‘s avonds vluchtte zij heimelijk uit het paleis weg. Het opschrift voor het kruis werd door de Romein geschreven: “Jezus van Nazareth, koning der Joden”.
Hier namen de opperpriesters afscheid van het ware Paaslam; zij spoedden zich naar de tempel om het zinnebeeldige lam te slachten en lieten het echt Lam Gods, dat de vervulling was van het beeld, door schandelijke beulen naar het altaar van het kruis voeren.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.
Tweede statie
De Heer Jezus neemt het kruis op zijn schouders

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

Gewapende Farizeeën, onder wie de zes grimmigste vijanden van Jezus, kwamen naar het forum gereden, om de stoet te vergezellen.
De beulen leidden Jezus tot in het midden van de markt. Slaven wierpen het kruishout met veel gedruis vóór zijn voeten neer; de twee dunne kruisarmen waren voorlopig aan de breden zware stam vastgebonden.
Toen het kruis daar vóór Jezus lag, viel Hij op de knieën, sloeg zijn armen om het martelhout heen en kuste het driemaal, terwijl Hij stil, een ontroerend gebed sprak, waarin Hij zijn Hemelse Vader dankte voor het aanvangen van de verlossing der mensen. Zoals de priester het altaar kust vóór de H. Mis, zo omhelsde de Heer zijn Kruis, het eeuwig altaar van het verzoenende, bloedige offer.
Geknield moest Hij de zware balk thans op de rechter schouder tillen, en hem met de rechter omvatten. De Heer werd geholpen door engelen, die voor anderen onzichtbaar bleven; zonder deze hulp uit de hemel vermocht Hij zeker niet, het kruis op zijn schouder te nemen, en ook nu boog Hij nog onder de last.
Nu weerklonk het bazuingeschal van Pilatus’ ruiterij en sprak: “Het is uit en gedaan met alle schone woorden, zorg dat wij van Hem afgeraken; voorwaarts, voorwaarts!”
De ganse last van het kruis, die mij, naar zijn eeuwige woorden Hem ter navolging moeten dragen, rustte op zijn schouder, en de hier ter wereld zo schandelijke, maar in de Hemel zo zalig geroemde triomftocht van de Koning der Koningen nam een aanvang.

Aan het onderste van de kruisstam had men twee touwen geknoopt en twee beulsknechten hielden daarmee het kruis zwevend. Ver genoeg van Jezus af stonden de vier kornuiten, die de touwen strak hielden, welke waren vastgemaakt aan de gordel, die men laatst om zijn middel had gelegd. De Heer herinnerde aan Isaak, toen deze het hout voor zijn eigen slachtoffering naar de top van de berg droeg.
Vóór de kruisstoet ging een bazuinblazer, die aan iedere straathoek de terechtstelling moest bekend maken. Achter hem volgden jonge beulsknechten en gespuis, met de werktuigen voor de kruisiging; verder enkele Farizeeën te paard en dan de knaap, die het opschrift van Pilatus droeg, en aan een stok de doornenkroon, die men Jezus had afgenomen.
Nu kwam Onze Heer en Verlosser onder de zware last van het kruishout, naar de grond gebogen, wankelend, het lichaam één pijn, als geradbraakt van vermoeienis. Sinds het laatste avondmaal had Hij niet geslapen en spijs noch drank genomen; aanhoudend had Hij de ergste mishandelingen moeten verduren. Door bloedverlies, wondkoorts, dorst, onuitsprekelijke zielesmart en angsten uitgeput, strompelde Hij voort op zijn blote, gekwetste voeten.
De vier kornuiten trokken Hem met de koorden vooruit, om Hem tot spoed aan te manen, zodat de Heer geen enkele stap kon zetten. Rondom Hem was louter hoon en boosheid, Hijzelf was onbeschrijfelijk ellendig gesteld, van martelingen verzadigd, maar tegelijk met onverwoestbare liefde vervuld. Zijn mond bad, zijn smartelijke blik smeekte en vergaf. Kinderen, daartoe aangespoord, verzamelden stenen en wierpen die vóór de voeten van Jezus, onder geschimp en gespot.
Ja, dat deden de kinderen Jezus aan, die hen zozeer had bemind, die hen gezegend had en zalig geprezen.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.
Derde statie
De Heer Jezus valt de eerste maal onder het kruis

 

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

De straat waar Jezus eerst werd doorgevoerd, was nauwelijks een paar stappen breed; zij liep tussen achtergevels en er lag veel vuilnis. De Heer kreeg het hier zwaar te verduren, wan de beulsknechten gingen dichter naast hem; uit vensters en deuren riep allerlei volk Hem achterna en wierp keukenafval en stinkende aal op Hem.
Waar de weg breder werd en begon te stijgen, lag een diepe plaats, die dikwijls vol water en modder stond. Hier lag een grote steen om deze plaats te overschrijden.
Waar de arme Jezus met zijn zware last bij deze plaats kwam, kon Hij niet meer verder. De beulsknechten trokken en duwden Hem zonder erbarmen voort, en de goddelijke Kruisdrager viel tegen de steen in zijn volle lengte ter aarde neer; het kruis plofte naast Hem op de grond. De kornuiten vloekten, rukten aan de touwen en schopten naar Jezus.
Er ontstond stremming in de stoet en drukte rondom Onze Heer.
Tevergeefs stak Hij zijn hand uit, opdat men Hem zou helpen.
“Ach, het zal spoedig gedaan zijn,” sprak Hij en bad. De Farizeeën schreeuwden: “Op! Trek Hem van de grond en vooruit met Hem, anders sterft Hij nog te vroeg!”
Hier en daar, terzij van de weg, stonden vrouwen te wenen, de kinderen die ze bij zich hadden, schreiden van angst.
Dank zij bovennatuurlijke hulp, hief Jezus zijn hoofd weer omhoog en de jonge beulsknechten, wreedaardig en duivels, namen een doornenkroon en drukten die om zijn slapen.
Toen zij de Heer dan, onder allerlei mishandelingen hadden doen opstaan, werd het kruis op zijn schouder gelegd, en Hij moest nu ten einde de zware last te kunnen dragen, zonder door de brede kroon te worden gehinderd, zijn ellendig gemarteld hoofd helemaal naar één kant houden, wat Hem in een schrikkelijke nood bracht.
Zo schreed Hij wankelend de brede klimmende weg op en de pijnen die Hij leed, waren dubbel zo groot als te voren.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.
Vierde statie
Jezus ontmoet zijn lieve moeder

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

Gebroken van smart, had Jezus’ Moeder, nadat het onrechtvaardig vonnis over haar Kind was uitgesproken, het forum verlaten.
Met Johannes en enkele vrouwen, bezocht Zij de plaatsen van de heilige lijdensweg, reeds door Jezus afgelegd, om die op aandoenlijke wijze te vereren.
Toen de kruisstoet vertrokken was, verlangde Maria vurig haar Goddelijke Zoon weer te zien en vroeg Johannes, Haar te brengen op een plaats, waar Jezus zou voorbijtrekken.
De Moeder des Heren zag bleek, haar ogen waren rood van het wenen, ze sidderde en beefde van het hoofd tot de voeten en was in een blauwgrijze mantel gehuld. Het lawaai kwam dichterbij en werd duidelijker; men vernam het bazuingeschal en de roep aan de straathoeken, dat er een ter kruisiging werd gevoerd. Maria bekloeg zich bij Johannes: “Moet ik het zien, zal ik het kunnen dragen?”
Hoe sneed het bazuingeschal door haar Hart! Jonge beulsknechten gingen vooraan met het gereedschap voor de kruisiging en één van hen hield de nagels spottend onder de ogen van de Heilige Maagd.
Zij echter keek alleen naar Jezus; eerst kwamen de Farizeeën te paard, dan de knaap met het opschrift en nu Gods Zoon, haar Zoon, de Heilige, de Verlosser, wankelend, gebogen, het hoofd met de doornenkroon moeizaam afwendend van de zware last op zijn schouder.
De beulen trokken Jezus aan de touwen vooruit; Zijn Aangezicht was met bloed bevlekt; geschonden door de slagen, zijn baard stond stijf van geronnen bloed. Met zijn roodbelopen, diepliggende ogen staarde Hij van onder het vreselijke, warrige vlechtsel van de doornenkroon, vol ernst naar zijn jammerende Moeder; Hij struikelde en viel op knieën en handen, ter aarde neer.
De Moeder, in de hevigheid van haar smart, zag geen soldaten en geen beulsknechten, Zij zag enkel haar ellendig mishandeld Kind.
In twee stappen was Zij bij Jezus, knielde naast Hem neer en omarmde Hem: “Mijn Zoon!” “Mijn Moeder!”
Er ontstond gedrang, de beulsknechten scholden, één van hen sprak: “Vrouw, wat zoekt Gij hier? Had gij Hem beter opgevoed, dan was Hij niet in onze handen terechtgekomen!”
Verschillende soldaten waren enigszins ontroerd, doch zij dreven de Heilige Maagd achteruit; geen van de beulsknechten raakte Haar aan. Johannes en de vrouwen leidden Maria naar de kant van de weg en tegen de hoeksteen van een poort zonk Zij als dood van smart op de knieën; handen en voeten van Jezus’ Moeder prentten zich in die steen af. Dit is even waar als het gezegde: Zoiets zou een steen vermurwen of zoals het woord indruk maken. De Eeuwige Wijsheid heeft in haar barmhartigheid nooit de boekdrukkunst behoed, om voor het nageslacht een getuigenis van het heilige te bewaren.
Onder het volk, dat meestal spottend en jouwend de stoet vergezelde, waren ook enkele gesluierde, wenende vrouwen.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.
Vijfde statie
Simon van Cyrene helpt Jezus het kruis dragen

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

De kruisstoet volgde de brede straat en trok door de gewelfde binnenpoort van een binnenmuur der stad. Aan gene kant van die poort was een plein waarop drie straten uitliepen.
Jezus moest hier weerom over een grote steen stappen, wankelde, zonk ineen en het kruis viel nevens Hem neer. Hijzelf viel tegen de steen ellendig ter aarde en kon zich niet meer oprichten.
Er kwamen groepjes welgeklede mensen langs, die zich naar de tempel begaven en zij riepen vol medelijden: “O wee, de arme mens sterft!”
Er ontstond opnieuw gedrang, zij konden Jezus niet van de grond krijgen en de Farizeeën, die met de stoet meereden, zeiden tot de soldaten: “Wij brengen Hem niet levend ginder; ge moet iemand zoeken, die Hem helpt zijn kruis te dragen.”
Toen kwam daar juist, uit de middelste der drie straten, Simon van Cyrene aangestapt, een heidens man, vergezeld van zijn drie zoontjes. Hij droeg een bundel rijshout onder de arm; hij was hovenier en had vandaag gewerkt in de tuinen, die bij de oostelijke stadsmuur liggen.
Ieder jaar, op de dagen van het feest, kwam hij met vrouw en kinderen naar Jeruzalem om er, zoals vele andere mannen van zijn vak, de hagen te snoeien.
Simon was een kloeke veertiger; hij ging blootshoofds, droeg een kort spannend opperkleed en zijn lenden waren met lappen omwonden; zijn sandalen, voorzien van riemen, die om de benen weren vastgemaakt, hadden spitse punten. Zijn zoontjes droegen bontgestreepte rokken, zij heetten Rufus en Alexander en werden later onder de leerlingen opgenomen. De derde was een kleine dreumes; hij kwam later als knaap bij Stephanus.
Het gedrang verhinderde Simon uit te wijken en de soldaten, die hem aan zijn kleding herkenden als een heiden en een geringe handwerker, pakten hem beet; hij moest de Galileeër zijn kruis helpen dragen. Simon weerde zich, stribbelde hevig tegen, maar zij dwongen hen met geweld. Zijn zoontjes schreiden en riepen; enige vrouwen, die de man kenden, namen de kinderen onder hun hoede.
Simon voelde grote walg en tegenzin: de arme Jezus zag er zo vreselijk ellendig uit en gehavend, zijn klederen waren vol modder en straatvuil; maar Hij weende en keek Simon zo erbarmelijk aan.
Die moest eerst Onze Heer helpen opstaan. Toen bonden de beulsknechten een dwarsbalk meer naar achter de kruisstam en schoven het touw met een strop over de schouder van de Cyreneër.
Simon stond dicht achter Jezus, die nu een minder zware vracht te dragen zou krijgen.
Nadat zij Onze Heer de doornenkroon anders op het hoofd hadden gezet, vervolgde de treurige stoet eindelijk zijn weg.
Toen Simon een korte tijd de Heer zijn kruis had helpen dragen, werd hij een diepe ontroering gewaar.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.

 

Zesde statie
Veronica droogt het aanschijn van Jezus af

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

Ongeveer tweehonderd schreden ver had Simon de Heer zijn kruis helpen dragen, toen uit een mooi woonhuis, een grote, schone vrouw met een meisje aan de hand, op de kruisstoet kwam toesnellen.
De vrouw, die het huis verliet, was Serafia, de echtgenote van Sirach, een lid van de tempelraad. Door de daad, die zij vandaag volbracht kreeg zij de naam Veronica. (Vera Icon = ware afbeelding.)
Serafia had een kostbare kruidenwijn bereid en haar vroom verlangen was, de Heer daarmee op zijn bittere lijdensweg te verkwikken.
Zij kwam nu, het hoofd gesluierd, de straat opgelopen; een doek hing over haar schouder en het meisje aan haar zijde, dat zowat negen jaar oud was, droeg de kruik met wijn, verborgen onder een doek.
Tevergeefs poogden zij, die vóór de stoet liepen, haar terug te drijven; zij was van liefde en medelijden buiten zichzelf. Met het kind, dat zich aan haar kleed vasthield, drong zij door het volk, de rij soldaten en de groep beulsknechten heen, knielde bij Jezus neer en hief het doek, aan één kant opengevouwen, naar Hem op, terwijl zij smeekte: “Laat mij toe, Heer, dat ik Uw aangezicht afwis!”
Jezus nam het doek met de linkerhand en drukte het tegen zijn bebloed aangezicht; dan schoof Hij het doek naar de rechterhand die van onder de dwarsbalk van het kruis uitstak, plooide het met beide handen tezamen en gaf het dankend terug.
Serafia kuste het doek, verborg het onder haar mantel tegen haar hart, en stond op. Toen hief het meisje schuchter de wijnkruik omhoog, maar de schimpende kornuiten en soldaten lieten niet toe, dat Serafia Jezus ook nog laven zou.

Door de snelheid en de moed van haar optreden, dat een gedrang van nieuwsgierigen teweegbracht, had zij de stoet dan toch een paar minuten opgehouden, wat voldoende was om het zweetdoek toe te reiken.
De Farizeeën en beulsknechten ontstaken in woede over deze nieuwe vertraging en nog meer over het feit, dat Jezus hier zo openlijk werd vereerd. Zij begonnen de Heiland te slaan en Hem over en weer te rukken. Serafia vluchtte met het kind haar woning binnen.
Nauwelijks was zij haar kamer binnengekomen en had het zweetdoek vóór zich op de tafel gelegd, of zij zonk in bezwijming neer; het meisje knielde jammerend met de wijnkruik nevens haar. Later vond men haar zo bij het opengespreide doek liggen, waarop het bloedig aangezicht van Jezus verschrikkelijk maar wonderbaar duidelijk was afgedrukt.
Uit haar bewusteloosheid gewekt, knielde zij voor het doek, weeklagend, maar ook vol vertroosting en riep uit: “Nu wil ik alles verlaten, de Heer heeft mij een aandenken geschonken!”
Het wonderbaar zweetdoek hing bij Serafia altijd aan het hoofdeinde van haar bed; na haar dood hebben de heilige vrouwen het doek aan de Moeder Gods gegeven en door de apostelen is het in het bezit gekomen van de Heilige Kerk.
Zij was verwant van de oude priester Simeon en bleef met diens zonen in betrekking; na zijn overlijden. Lange tijd bleven vele goede mensen door dezelfde heilsverwachting met elkaar verbonden als door een stille liefde, waarvan de anderen niets afwisten.
Toen de twaalfjarige knaap Jezus te Jeruzalem was achtergebleven, bezorgde zij Hem zijn eten.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.

Zevende statie
Jezus valt de tweede maal onder het kruis

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

De kruisstoet ging in de richting van de stadspoort en de weg begon af te hellen. De stadspoort was lang en versterkt; eerst stapte men onder een gewelf, vervolgens over een brug en dan weer onder een gewelf.
Toen de stoet de poort naderde, dreven de beulsknechten heviger tot spoed aan. Enkele stappen vóór de poort, te midden van de oneffen stukgereden weg, lag een grote plas; de wrede kornuiten trokken Jezus voort en men liep dicht opeen.
Simon van Cyrene probeerde terzij te stappen, de kruislast verschoof en de arme Jezus stortte vóórover in de modderige plas, zodat Simon ternauwerdood het kruis nog kon houden.
Met hoge, weliswaar gebroken, maar toch luide stem, jammerde de Heer: “Wee, wee Jeruzalem! Heb ik u daarom bemind zoals de klokhen, die haar kuikentjes verzamelt onder haar vleugels, dat ge Mij zo gruwzaam uitstoot en buiten uw poort wil werpen!”
De Heer was bitter bedroefd, maar de Farizeeën kwamen op Hem af en scholden: “De rustverstoorder gaat dóór met zijn spel, Hij heeft weet wat te kletsen”, en zo meer dergelijke uitlatingen.
Zij sloegen en stompten Jezus, sleurden Hem overeind uit de plas.
Toen ontstak Simon in gloeiende gramschap over de wreedheid van de beulsknechten en riep uit: “Indien ge niet ophoudt met uw schurkenstreken, gooi ik het kruis neer, het moge dan mijn leven kosten!”

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.

 Achtste statie
Jezus troost de wenende vrouwen

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

Aanstonds buiten de poort liep de straatweg uit op een niet al te breed zijpad, dat in enkele minuten klimmens naar de top van de kalvarieberg geleidde.
In het midden van de straatweg, bij de plaats, waar het zijpad van de Calvarieberg begint, had men een paal gezet met een bord, waarop het doodvonnis van onze Heiland, en ook van de twee moordenaars, geschreven stond.
Niet ver van daar, aan de kromming van het zijpad, stond een hele schaar wenende en weeklagende vrouwen, deels jonge dochters en vrouwen met kinderen uit Jeruzalem, die de stoet vooruit waren gelopen, deels vrouwen van Bethlehem, Hebron en andere plaatsen van het omliggende, die naar het feest kwamen en zich bij vrouwen van de stad hadden aangesloten.
Jezus viel hier wel niet helemaal op de grond, maar zonk als bewusteloos in elkaar, zodat Simon, die achter Hem liep, het kruis liet zakken en de Heer naderde om Hem te ondersteunen.
Jezus leunde tegen Simon aan. Toen de vrouwen en maagden zagen, hoe vreselijk ellendig de Heer daar voorkwam, begonnen ze luid te jammeren en te weeklagen, terwijl ze Hem, naar Joodse trant, doeken toestaken, opdat Hij zijn zweet ermee zou afdrogen.
Jezus nu keerde zich tot hen en sprak: “Gij dochters van Jeruzalem” – dit betekent ook: Gij vrouwen uit de dochtersteden van Jeruzalem – “ween niet over Mij, maar over uzelf en uw kinderen, want een tijd zal komen, waarin men zeggen zal: “Gelukkig de onvruchtbaren, zalig diegene, wier schoot niet gebaard heeft en wier borsten niet hebben gezoogd!”
Dan zal men roepen:”Gij bergen val op ons neer, en heuvelen bedek ons”, want indien men zo handelt met het groene hout, wat zal er dan met het dorre hout geschieden?”
Hij sprak tot hen nog andere heerlijke woorden. Hij zegde onder meer dat hun wenen zou beloond worden en dat zij van nu af andere wegen zouden gaan.
Gedurende deze pauze trokken een honderdtal Romeinse soldaten voorop naar Calvarië.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.

 Negende statie
Jezus valt de derde maal onder het kruis

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

De Farizeeën te paard bleven staan aan de westkant van de plaats van terechtstelling, waar de berg een zachte helling heeft; de kant naar de stad toe, die men opklom met Jezus en de twee moordenaars, is woest en steil.
De Heer werd met zijn kruis, het lastige, ruwe, pad opgedreven, terwijl met Hem sloeg en aan de touwen trok. Op de plaats waar dit kronkelpad afbuigt, deed de arme Jezus een zware smartelijke val onder het kruis.
De beulsknechten sloegen Hem, dreven Hem voort, wreedaardiger dan ooit, tot Jezus de top bereikte en op de rotsige grond neerviel.
Een grote massa volk, hoofdzakelijk gemene lieden, vreemdelingen, knechten, slaven, heidenen, en vele vrouwen, allemaal mensen die verontreiniging niet hoefden te vrezen, verdrongen zich om de ronde plaats van de top van de Calvarieberg.
Het was ongeveer kwart vóór twaalf, toen Jezus binnen de wal gesleept, onder zijn kruis neerstortte en Simon van Cyrene werd weggejaagd. Ze trokken de Heer aan de touwen omhoog: hoe ellendig en droef, hoe gebroken, bleek en met bloed bevlekt – een beeld van verschrikking – stond de arme Jezus daar op de plaats van zijn marteling.
Ze rukten Hem weer op de grond en riepen spottend: “We moeten zien op de troon naar maat is, koning!”
Maar Jezus ging zelf gewillig op het kruis liggen; was Hij er niet zo ellendig aan toe geweest. Hij zou het vlugger gedaan hebben en de beulsknechten hadden Hem niet op de grond moeten rukken.
Ze rekten zijn ledematen en maakten tekens, waar de handen en voeten kwamen. De Farizeeën schimpten en scholden de hele tijd.
Nu trokken ze Jezus opnieuw overeind en voerden Hem geboeid een zeventigtal schreden de berg af naar een soort kelder, die daar in de rots was uitgehouwen. Ze namen de stenen deur weg en stieten Hem zo onbarmhartig in de diepte, dat Hij zijn knieën op de harde rotsige bodem zou hebben gebroken, als een wonder Hem daarvan niet had gered.
Men hoorde zijn luide, heldere jammerklacht. Ze sloten de kelder weer dicht en lieten er een wacht achter.
Engelen waren de Heer ter hulp gesneld, zodat Hij zijn knieën niet brak, maar Hij jammerde en kloeg hartverscheurend. De rotssteen is onder zijn knieën week geworden.
De beulsknechten legden het kruis van Christus op de plaats waar de aannageling moest geschieden; ze verbonden de twee armen met de stam, spijkerden het voetblokje vast, boorden de gaten voor de nagels en het opschrift van Pilatus, sloegen wiggen onder de dwarsbalken, staken hier en daar de stam een weinig uit, opdat Jezus’ Lichaam meer zou staan dan hangen, opdat Onze Heer langer zou lijden en zijn handen niet zouden afscheuren.
Welke vreselijke pijnen doorstond Maria, toen Zij de plaats der kruisiging zag en de berg beklom; het waren al de pijnen en smarten van Jezus, die Zij in haar ziel leed en daarbij kwam nog het gevoel achter te blijven.
Hoe pijnlijk de blik van de Moeder van Smarten naar het vreselijke kruis vóór Haar lag, de hamers, de touwen, de wrede nagels, die men bijeen had geworpen!

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.

Tiende statie
Jezus wordt van zijn kleren beroofd

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

De beulsknechten rukten Onze Heer de mantel af, ze maakten de gordel los, waaraan ze hun touwen hadden vastgeknoopt, ontdeden Hem van zijn eigen gordel en trokken het wil wollen opperkleed over zijn hoofd.
Vervolgens namen ze de lange smalle doek van zijn schouders, en daar ze de bruine naadloze rok, door zijn Moeder vervaardigd, niet over de doornenkroon konden trekken, rukten ze Hem de kroon af, zodat de wonden van het hoofd weer opengingen.
Dan schortten ze de rok op en haalden hem zo, onder gehoon en vermaledijdingen, over zijn hoofd vol bloed en wonden.
Daar stond nu de Mensenzoon: sidderend, besmeurd met bloed, door builen en striemen, droge en lopende wonden, bevlekt en geschonden. Hij had nog alleen het korte wollen scapulier en de lendendoek aan. Het scapulier was in zijn wonden geplakt, was in de nieuwe, diepe schouderwonde doordrongen, die de kruislast had veroorzaakt en zulks deed Hem geweldig veel pijn. Zonder het minste mededogen trokken ze het scapulier van zijn borst en Jezus stond daar bijna geheel naakt, vreselijk gezwollen en als doorkorven, de schouder opengereten tot op het been, met plukjes wol hier en daar aan de wondkorsten en in het opgedroogde bloed.
De beulsknechten rukten Hem nu het laatste stuk kleding af: de doek om zijn lenden. Gans naakt, kromde de Heer zich van schaamte, en toen Hij onder hun handen dreigde neer te zinken, zetten ze Hem op een steen, die ze in der haast aanrolden en boden Hem te drinken uit de kruik met gal en azijn, doch Hij wendde zwijgend het aangezicht af.
Toen de beulsknechten Jezus even daarna bij de armen pakten, en Hem aan de armen waarmede Hij probeerde zijn naaktheid te bedekken,wilden oprichten, om Hem op het kruis te werpen, ontstond in de kring der vrienden grote verontwaardiging, luid gejammer en gemor over de schande die men de Heer aandeed.
Jezus’ Moeder bad vurig; Zij stond op het punt haar sluier los te maken, door te dringen tot bij haar Zoon en Hem de sluier toe te reiken, opdat Hij zich zou kunnen omhullen.
Maar God verhoorde haar gebed, want zie, daar sprong een man, die dwars door het volk kwam aangelopen, met opgeschorte klederen en buiten adem over de aarden wal te midden van de beulen en gaf Jezus een doek. De Heer nam dankbaar dit doek aan en wond het derwijze om zijn middel, dat het uiteinde tussen de benen door aan de rugzijde nog kon vastmaken.
De door God gezonden helper van Onze Heer had in zijn onstuimigheid iets gebiedend. Hij hief de vuist dreigend omhoog naar de beulsknechten en zei : “Laat deze arme mens toe zijn naaktheid te bedekken, hoort ge! Hij sprak met niemand anders en verdween even vlug als hij gekomen was.
Boven de Heer waren grote figuren van wenende engelen en andere majestatische verschijningen.
Zulke engelen van medelijden en vertroosting verschenen ook boven de Heilige Maagd en de goedgezinden, die zo gesterkt en opgebeurd werden.
Gedurende zijn heilige doodsangst in de hof van Olijven, schouwde Jezus reeds dit tafereel: het diepst bedroefde Hem de schaamteloze ontkleding, die Hij zou moeten dulden, om te boeten voor de onkuisheid van de mensen en Hij smeekte, dat Hem toch aan het kruis een lendendoek gegund mocht worden, dat dit ergste van Hem zou worden afgewend.
Niet door de beulen, maar door een goed mens werd Hij hierin geholpen.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.

Elfde statie
Jezus wordt aan het kruis genageld

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

De Heer Jezus, een beeld van ellende, werd door de beulen op het kruis uitgestrekt; ze duwden Hem op de rug, trokken zijn rechterarm tot de hand kwam liggen boven het nagelgat in de rechterkruisbalk, en bonden zijn arm stevig vast.
Een der beulsknechten ging geknield op zijn borst zitten, een ander hield de hand van Jezus open en een derde zette de hand van Jezus open en een derde zette de lange, zware nagel met de spitsgevijlde punt in het dikke deel van de gezegende rechterhand en gaf met de hamer woeste slagen.
Een zoet en helder, hoewel gebroken geschrei klonk uit de mond van Onze Heer; zijn bloed spatte op hun armen.
De Heilige Maagd schreide zacht en scheen onttogen aan het uiterlijk gebeuren, terwijl Magdalena geheel buiten zichzelf was.
Nadat ze de rechterhand van Onze Heer hadden vastgenageld, ontdekten de kruisigers dat zijn linkerhand niet tot bij het nagelgat kwam. Ze slingerden nu touwen om zijn linkerarm, schoorden zich met hun voeten tegen het kruis en trokken zo lang tot Jezus’ linkerhand reikte, tot waar ze de nagel moesten inslaan.
De Heer kreunde hartroerend, want ze rukten zijn armen uit het gelid, zijn oksels waren een wijde holte, zijn borst welfde naar boven en zijn knieën waren opgetrokken.
De kruisigers sloegen de wrede nagel in de linkerhand, het bloed vloeide; tussen de zware hamerslagen in, klonk de zachte, heldere klacht van de Zaligmaker;
De Heilige Maagd voelde al de pijnen, die Jezus onderging, ze werd lijkbleek en zachte klanken van smart kwamen over haar lippen.
Aan de kruisstam, tussen de benedeneinde en het midden, was een vooruitspringend blok bevestigd om er de voeten van Onze Heiland op vast te nagelen, zodat Hij méér zou staan dan hangen.
De beulen drukten nu Jezus’ knieën met geweld omlaag, maar zijn heilige voeten kwamen op verre na niet tot op het blok.
Toen begonnen de kruisigers te vloeken en te schelden en enkelen zeiden spottend: “Hij wil zich niet rekken, maar we zullen Hem wel helpen!” Ze snoerden dan koorden om Jezus’ rechterbeen en trokken met martelende ruwheid de voet op het steunblok. Het lichaam spande zich zo geweldig dat de borst kraakte en de Heer luid jammerde: “O God, O God!”
Het onderlijk was geheel ingedrukt, terwijl het leek of de ribben door de borst zouden heenschieten. De pijnen waren verschrikkelijk.
Altijd even woest en ruw trokken de beulen de linkervoet naar beneden en bevestigden hem op de rechter. Ze doorboorden eerst nog de voetwreef met een stift en dreven dan de langste wrede nagel met grote inspanning door de wonde van de linkervoet en vervolgens door de rechtervoet, in het gat van het steunblok en verder in de kruisstam. Het vastnagelen van de voeten was wel het gruwelijkst van al; de weeklacht van Onze Heiland klonk helder en rein; de stemmen van de spotters en haters rondom klonken dof en donker.
De Heilige Maagd Maria zonk in de armen van haar gezellinnen; van de kant der vrouwen vernam men een schreeuw van medelijden en men hoorde roepen: “O, waarom verslindt de aarde de schurken niet, waarom valt het vuur van de hemel niet op hun hoofd!”
Jezus’ weeklachten waren louter klank, Hem door de pijnen ontrukt, maar Hij hield niet op te bidden in psalmverzen en met woorden van de profeten, die nu in vervulling gingen. Wenende engelen verschenen telkens weer boven Jezus gedurende de schrikkelijke foltering.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.
Twaalfde statie
Jezus sterft aan het kruis

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

Ev. Lucas 23,33-49
Toen ze op de plaats gekomen waren, die Calvarië wordt genoemd, sloegen ze Hem aan het kruis en ook de misdadigers, één aan zijn rechterhand, één aan zijn linkerhand.
En Jezus zei: “Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen”. En ze verdeelden zijn klederen bij het lot.
Het volk stond toe te zien, maar de oversten beschimpten Hem en zeiden “Anderen heeft Hij gered, laat Hij nu zichzelf redden, zo Hij de uitverkoren Christus van God is.” Ook de soldaten bespotten Hem; ze kwamen Hem azijn aanbieden en zeiden: “Zo gij de koning van de Joden zijt, red dan uzelf”.
En boven zijn hoofd stond als opschrift: Dit is de koning der Joden.
Ook één van de gekruiste misdadigers begon Hem te honen, en zei: “Zijt Gij de Christus niet? Red dan uzelf en ook ons”!
Maar de ander strafte hem af en gaf hem ten antwoord: “Vreest ge God nog niet, nu ge dezelfde straf ondergaat? En wij terecht. Wij krijgen ons verdiende loon, maar Hij heeft toch niets verkeerds gedaan”.
Toen zei hij : “Jezus, gedenk U mijner, wanneer Gij in Uw rijk zijt gekomen”. En Jezus sprak tot Hem: “Voorwaar, ik zeg u, heden zult ge met Mij zijn in het paradijs”.
Het was nu reeds ongeveer het zesde uur en tot het negende uur werd het donker over heel het land, want de zon werd verduisterd. Ook scheurde het voorhangsel van de tempel middendoor.
Toen riep Jezus met luider stem: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest”. Na deze woorden gaf Hij de geest.
Toen nu de honderdman zag, wat er gebeurd was, verheerlijkte hij God en zei: “Waarachtig, deze Man was een Rechtvaardige”.
En heel de menigte, die voor dit schouwspel was samengestroomd en het gebeurde aanschouwd had, sloeg zich op de borst en ging heen.
Maar al zijn bekenden met de vrouwen die Hem van Galilea af waren gevolgd, stonden toe te zien.
A.C. : Tussen zijn weeklachten in, Hem door de pijn ontrukt, hield Jezus niet op te bidden, in psalmen en met woorden van de profeten, die nu in vervulling gingen. Het heilig Kruis stond opgericht in het middelpunt van de aarde, gelijk ééns de boom des levens in het midden van het Paradijs, en uit de wonden van Jezus vloeiden vier heilige stromen neer, vier stromen die de vloek van de aarde zouden wegspoelen en haar vruchtbaar maken, als een ander Eden, voor deze Nieuwe Adam.
Toen onze Heiland met de kruisboom werd opgeheven, klonk van uit de tempel het geschal van vele trompetten en bazuinen. Zij kondigden aan dat de slachting van het zinnebeeldige paaslam was begonnen en het geluid van hun geschal hing plechtig rond het Ware Geslachte Lam Gods.
Menig hart dacht aan de woorden van Johannes de Doper: “Zie het Lam Gods, dat de zonden van de wereld op zich genomen heeft”! Door Jezus aan het kruis werd Maria tot Moeder gegeven aan allen, die Hem ontvangend en gelovend in zijn Naam, zoals Johannes, kinderen van God geworden zijn, niet uit de wil van vlees of man, maar uit God geboren zijn.
De oversten der Joden, bleven hardnekkig gedurende de zonsverduistering, ze verklaarden alles als een natuurlijk verschijnsel en bekeerden zich niet; vele anderen bekeerden zich wel.
Door de aardbeving bij de dood van Christus, steeg in de tempel de paniek ten top en werd een einde gemaakt aan het slachten van de paaslammeren. De verwanten van Jezus stonden naast het kruis of zaten er tegenover, schreiend en treurend.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.
Dertiende statie
Jezus wordt van het kruis afgenomen

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.
Dan legden zij het heilige Lichaam, op een doek uitgestrekt, in de armen van de Moeder. Jezus’ heilig hoofd leunde op haar rechter knie, het lichaam lag uitgestrekt op het doek.
De droefheid en de liefde van de heilige Moeder waren even groot. Zij hield haar Jezus, die Zij gedurende de lange marteling geen liefde had kunnen betonen, weer in haar armen.
Zij zag nu van dichtbij, in zijn wonden, de verschrikkelijke mishandelingen, die Hem werden toegebracht; Zij kuste zijn bloedige wangen, terwijl Magdalena met haar aangezicht op zijn voeten lag.
Al de heilige vrouwen waren Maria behulpzaam door het aanreiken van schalen met water, sponsen, zwachtels, zalven en specerijen.
Niettegenstaande haar onuitsprekelijke droefheid, was de Heilige Maagd met sterke moed bezield; hoe bedrukt Zij zich ook gevoelde, toch kon Zij het heilig lichaam in zijn ellendige toestand niet laten en daarom begon Zij het dadelijk te reinigen en te verzorgen.
Zij maakte de doornenkroon van achter los en nam ze voorzichtig, door de anderen geholpen, van Jezus’ Hoofd; de stekels die vastzaten, trok Zij uit de wonden en toonde ze aan de medelijdende omstanders. Het aangezicht van de Heer was nauwelijks te herkennen, zo geschonden was het door wonden en geronnen bloed; wat overbleef van hoofdhaar en baard plakte verward aaneen.
Maria waste en weekte het opgedroogde bloed met natte sponsen, en zo vertoonde zich steeds duidelijker de gruwzame mishandeling, die Jezus had ondergaan; van wonde tot wonde groeide haar medelijden en ook de liefderijke toewijding waarmee Zij haar werk verrichtte.
Het hoofdhaar, dat Jezus behouden had, streek zij links en rechts achter de oren glad. Toen het Hoofd gereinigd was, kuste de Heilige Maagd Jezus’ wangen. Zij bedekte het Hoofd en reinigde hals en schouders, rug en borst, de armen en de bloedige handen.
Ach, nu zag Zij pas de volle gruwelijkheid van de verwoesting, door de beulen aangericht: de beenderen waren van hun gewrichten: de rechter schouder, waarop het kruis gedragen werd, was één wonde; het bovenlijf was vol geselstriemen, bulten en bleinen; in zijn rechterzijde gaapte de brede wonde van de lansstoot, die zijn Hart had doorboord.
Na de reiniging zalfde Maria het heilig Hoofd en de wonden, Zij kuste de handen van Onze Heer en vulde de wonden met balsem.
Het gebruikte water werd niet weggegoten, maar bijgehouden in lederen zakken, waarin men ook de sponsen had leeggewrongen.
Nu drukte de H. Maagd zijn half gebroken ogen dicht, liet haar hand daarop een tijd rusten en sloot zijn mond.
Zij omarmde het heilig Lichaam van haar Zoon en hield wenend haar wangen tegen de Zijne. Magdalena, raakte Jezus’ aangezicht uit eerbied niet aan, zij hield haar wangen tegen zijn voeten.
Nu kwamen de mannen, ze tilden het heilig Lichaam uit Maria’s schoot en droegen het naar de plaats van de laatste verzorging.
Jezus’ Moeder, opnieuw overgelaten aan haar smart, nadat Zij in het liefdewerk van wassen en zalven enige troost had gevonden, viel hevig snikkend neer in de armen van de heilige vrouwen.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.
Veertiende statie
Jezus wordt in het graf gelegd

Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.

Evangelie van Johannes, 19, 38-42
Jozef van Arimatea, die een leerling van Jezus was, maar alleen in het geheim uit vrees voor de Joden, vroeg daarna verlof aan Pilatus om Jezus’ Lichaam te mogen afnemen en Pilatus stond het hem toe. Hij kwam dan en nam het Lichaam af.
Nikodemus, die Hem vroeger ‘s nachts had bezocht, kwam eveneens en bracht een mengsel van mirre, hars en aloë, ongeveer honderd pond. Ze namen het Lichaam van Jezus en wikkelden het in lijnwaad, tezamen met de geurige kruiden, zoals het onder de Joden bij de begrafenis de gewoonte is.
Nu lag er op de plaats, waar Hij werd gekruisigd, een hof en in de hof een nieuw graf, waarin nog niemand was bijgezet. Daar het de vóóravond van het Paasfeest der Joden was en het graf dichtbij was gelegen, legden ze Jezus daarin neer.
A.C. Emmerick: Ten slotte legden ze het Lichaam van Onze Heer op het zes ellenlange doek, dat Jozef gekocht had.
Toen ze nu allen, wenend bij de gebalsemde lijk neerknielden, vertoonde zich een ontroerend wonder: zij zagen namelijk het heilige Lichaam van Jezus met al de wonden, bruin – roodachtig afgebeeld op het bovendoek. Het was alsof de Heer uit dankbaarheid voor de liefderijke zorg en voor hun tranen, zijn Beeltenis, door alle hulsels heen, wilde nalaten.
Wenend en klagend kusten zij die wonderbare afbeelding.
De mannen legden nu het heilig Lichaam op en draagbaar en droegen het naar het graf. Maria en de heilige vrouwen volgden, laatst kwamen Cassius en zijn soldaten.
Onder het zachte weemoedige zingen van psalmen, trok de lijkstoet door het dal naar de tuin van Jozef. Vóór de grafrots tilden zij het Heilig Lichaam op en legden het in het Graf, nadat zij een gedeelte van het graf gevuld hadden met specerijen. Nu bewezen zij de Heer nog hun liefde met tranen en omarmingen en verlieten het gewelf. De H. Maagd ging nu alléén binnen, nam plaats aan het hoofdeinde van het graf en boog wenend neer over het lijk van haar Kind. Daarna snelde Magdalena naar binnen met bloemen uit de tuin en omhelsde jammerend de voeten van Onze Heer.
De grote steen was zeer zwaar en de mannen schoven hem met staken tegen de gesloten deur.
Maria van Agreda:
Zohaast het graf van Jezus toegedaan was, sloten zich opnieuw de graven, die zich openden bij de dood van de Heiland.
Engelen kwamen de wacht optrekken bij het graf op de voorbede van hun Koningen, die haar grote schat moest achterlaten.
De nederige dienstmaagd des Heren bedankte allen die zich voor de begrafenis hadden ingezet en Haar hierdoor getroost hadden.
Zij begreep dat de Allerhoogste, na de schandelijke dood van haar Zoon te hebben toegelaten, een menigte personen opwekte om Hem een eervolle begrafenis te bezorgen, mensen, die Hem erkenden als hun God en Verlosser en die openlijk verklaarden dat Hij heilig, onschuldig en rechtvaardig was.
Smartvol en Onbevlekt Hart van Maria, toevlucht van de zondaars, bid voor ons.

Onze Vader… Weesgegroet…Glorie zij de Vader…
Ontferm U over ons; Heer, ontferm U over ons.
God, wees ons, zondaars, genadig.

Men bidt hier éénmaal Onze Vader…. Wees gegroet… en Glorie zij de Vader… tot intentie van de Z. H. de Paus om de volle aflaat te verdienen.
Bron: Anna-Catharina Emmerick ziet de H. Kruisweg en de Rozenkrans

Advertenties