1ste zondag van de Advent (B) Gezinsmisviering

Welkomstwoord
kind:
Advent, een tijd waarin we samen uitzien naar de komst van Jezus.
Maar ook een tijd van donkere dagen,
waarin de natuur tot stilstand lijkt gekomen.
Een tijd waarin bijna alle bomen kaal zijn en staan te wachten op de nieuwe lente.
Gelukkig zijn er nog groene struiken en bomen over.
Ze zeggen ons: “wacht maar, straks is alles weer groen”.

kind:
Groen, de kleur van hoop.
Om onze hoop naar nieuw leven uit te drukken,
maken wij in de advent een krans van blijvend groene takken,
met een lint en kaarsen.
Vandaag zetten we een eerste stap.
De eerste adventskaars zal worden ontstoken.

kind:
We hebben vier kaarsen.
We hebben vier weken de tijd.
Vier weken, waarin we tijd nemen om ons te bezinnen
en uitzien naar de komst van Jezus onder ons.

Zegening van de adventskransen

Openingsgebed
Pastoor: God, wij zijn hier bijeen om ons voor te bereiden op het komende kerstfeest. Wij danken U om Jezus, uw Zoon, die net als de kaarsen op onze krans Licht wil zijn voor alle mensen. Wij danken U om het groen van de krans, dat voor ons een teken is van hoop op leven, door de geboorte van het kind Jezus. Geef dat wij het groen van de krans en het licht van de kaars meedragen in ons hart. Zo willen wij bezorgd zijn voor elkaar, naar het voorbeeld van Jezus, uw Zoon, die met U en de heilige Geest leeft in eeuwigheid. Amen.

Eerste lezing (Jesaja 63,16-64,7)
U, Heer, onze Vader, van oudsher heet U onze verlosser. Waarom, Heer, liet U ons van uw wegen afdwalen, waarom liet U ons hart verstenen, zodat het U niet meer vreest? Keer terug, omwille van uw dienstknechten, de stammen die uw eigendom zijn. Als U de hemel toch openscheurt om af te dalen! De bergen zouden wankelen voor uw aangezicht. Geen oor heeft het vernomen, en geen oog heeft een God buiten U gezien, die zo optreedt voor de mensen die op Hem vertrouwen. U ontmoet mensen die recht doen, en uw wegen gedenken. U bent kwaad, want wij zondigden. U bent kwaad op ons omdat we zondigden, toch worden wij gered. Wij hebben ons allemaal verontreinigd, heel onze gerechtigheid werd als bevlekte kleren; wij zijn allen als verwelkte bladeren, de wind van onze zonden blaast ons weg. Niemand is er die uw naam nog aanroept, niemand heeft de moed om op U te steunen; want U hebt uw gelaat voor ons verborgen, en ons prijsgegeven aan onze schuld. En toch, Heer, bent U onze Vader. Wij zijn de leem, U bent de boetseerder, wij zijn allen het werk van uw hand. Heer, wees niet te zeer kwaad. Gedenk niet eeuwig onze schuld; kijk op ons neer, wij zijn allen uw volk.

Evangelie (Marcus 13, 33-37)
Kijk uit, wees waakzaam. Want je weet niet wanneer het moment daar is. Het is als met iemand die naar het buitenland is, zijn huis heeft achtergelaten en het beheer heeft overgedragen aan zijn knechten, ieder zijn eigen taak, en aan de poortwachter heeft opgedragen om waakzaam te zijn. Wees dus waakzaam, want je weet niet wanneer de heer des huizes komt, ’s avonds laat of midden in de nacht of bij het kraaien van de haan of bij het eerste ochtendlicht, zodat hij niet onverwacht komt en jullie in slaap vindt. Wat Ik jullie zeg, zeg Ik tegen iedereen: wees waakzaam.’

Voorbeden
kind:
Goede God, in deze tijd zijn de planten en bomen niet meer groen, ze lijken wel dood. Vol verwachting kijken we uit naar de bloei. Het begin van nieuw leven. Geef ons ook de moed om als het nodig is opnieuw te beginnen.
Laat ons bidden
Allen: Wij bidden U verhoor ons

kind:
Goede God, vol verwachting kijken we naar het eerste kaarsje. Wij vragen U of U licht kunt geven aan zieke en eenzame mensen, zodat hun pijn en leed wordt verzacht.
Laat ons bidden
Allen: Wij bidden U verhoor ons

kind:
Goede God, vol verwachting zijn we op weg in deze donkere dagen. Samen willen we proberen om het licht te zien en te werken aan een betere wereld voor jong en oud.
Laat ons bidden
Allen: Wij bidden U verhoor ons

kind:
Goede God, vol verwachting kijken we uit naar het komende Kerstfeest. Laat het niet alleen een feest zijn van hebben en krijgen, eten en drinken, maar vooral een feest van blije en tevreden mensen, een feest van de geboorte van Jezus.
Laat ons bidden
Allen: Wij bidden U verhoor ons

Gebed na de Communie
Pastoor: Heer, zegen onze bereidheid waarmee we deze adventstijd ingaan. Laat ons actief wachten op de komst van Jezus in ons leven, in onze wereld. Geef dat wij in vriendschap omgaan met elkaar, de armen niet uitsluiten, de machtigen niet naar de ogen zien. Laat ons mensen worden naar het hart van Jezus.

Slotwoord
toneelstukje
Verteller: Het is 750 jaar voor de geboorte van Jezus. Het zijn slechte tijden in Jeruzalem. Koning Achaz is bang dat het grote leger van Assyrië zijn land binnenvalt. De mensen in Jeruzalem zijn bang en heel ongelukkig. Koning Achaz wil een verbond sluiten met een vreemde koning van een ander land. Maar Jesaja vindt dat geen goed idee, want hij zegt dat alleen God de Koning is. We gaan even kijken en luisteren naar Jesaja in gesprek met koning Achaz en enkele ministers.

(Jesaja komt binnen met een verrekijker, Achaz en enkele ministers zij erbij)

Koning Achaz: Wat doe je daar, Jesaja?
Jesaja: Ik wacht en ik kijk.
Minister 1: Waarop wacht je en waarnaar kijk je?
Jesaja: Ik wacht op hem, die God beloofd heeft en ik kijk uit naar de nieuwe koning.
Koning Achaz: Nieuwe koning? Ik ben de koning. Ik zit op de troon van David.
Jesaja: Koning ben je en je zit op de troon van David, maar je vertrouwt niet op God zoals David.
Minister 2: Jesaja, je bent een dromer en iedereen weet dat.
Jesaja: Vraag een teken aan God. Hij zal een teken geven en je zal zien dat Hij ons niet in de steek laat.
Koning Achaz: Ik denk er niet aan, ik een teken vragen aan God? Nooit.
Jesaja: Je durft niet, koning Achaz. Daarom zal God zelf een teken geven. Zie, de vrouw krijgt een kindje en zijn naam zal zijn Immanuël, God-met-ons.
Minister 3: Een nieuwe koning? Droom maar verder, Jesaja! Koning Achaz is de koning en hij doet wat hij wil.

(Achaz en de ministers gaan boos weg. Jesaja rolt de boekrol uit en leest voor:)

Een groot Licht zal over ons opgaan.
Het zal schijnen in onze duisternis.
God is ons, mensen, heel nabij.
Een jonge vrouw verwacht een Kind en als het is voldragen en onder ons een plaatsje vindt, komt God in onze dagen.
De dagen zullen komen dat God bij ons zal wonen.

(Jesaja rolt de boekrol op en gaat weg)

Verteller: Wij weten dat de nieuwe Koning geboren zal worden. Wij zullen zijn geboorte met Kerstmis vieren.

Advertenties