Uitgenodigd tot die maaltijd des Heren (28ste zondag dh jaar, A)

De parabel die we zojuist hoorden is zeer troostrijk! ‘De maaltijd van de Heer’ vindt plaats. God laat zich niet van de wijs brengen. Mensen kunnen zichzelf weliswaar buitensluiten, maar zij kunnen ‘de maaltijd des Heren’ niet tegen houden… Dit is een belangrijke en hoopvolle boodschap voor ons allen. Ik krijg wel eens de indruk dat velen vandaag de dag moe geworden zijn. Ze hopen niet meer op God, vertrouwen Hem niet meer, noch zijn beloften aan ons gedaan. “Het heeft toch allemaal geen zin?” “We schieten er geen steek mee op. Waarom dan toch nog als een van de weinigen in de familie doorgaan? En op het werk verklaren ze je voor gek wanneer je toch nog iedere week naar de kerk gaat? En misschien is het ook wel zo dat de anderen die inmiddels afgehaakt hebben, gelijk hebben…”

Met dergelijke bewoordingen is er dwars door onze parochies heen moedeloosheid merkbaar. Zo brandt het laatste restje geloof bij velen langzaam op. Jezus nodigt ons uit, om ons niet van de wijs te laten brengen… De maaltijd des Heren gaat desondanks door…, en wij zijn daartoe uitgenodigd! Nieuwe gasten komen van de hoeken van de straten, van de kruispunten van de wegen. Een merkwaardig gezelschap dat daar bijeenkomt: goeden en slechten. Een ding hebben ze gemeenschappelijk – een ding is slechts van belang – ze laten het als een weldaad, als een genadegave over zich heenkomen… ook ik wil daarbij horen… al moet ik dat merkwaardig gezelschap accepteren, mensen die ik mezelf ook niet uitgezocht heb. Hoofdzaak is: ik ben erbij!

Het is echter mogelijk dat ik op de bekoring inga en die uitnodiging afwimpel. Want ik besef: toentertijd was deze parabel voor de Joden bedoeld. Zij waren degenen die het eerst genodigd werden. Toen zij (de meesten van hen…) die uitnodiging afwezen, ging die over naar de hoeken van de straten en naar de kruispunten, naar de ongelovigen, naar de ‘heidenen’, naar ons. Zou zich datzelfde niet kunnen herhalen? Dat wij nu de eerstgenodigden zijn en dat wij die uitnodiging afwijzen? Waarom wimpelen de eerstgenodigden die eigenlijk af: “Ze gingen weg, de één naar zijn akker, de ander naar zijn zaken”? Die uitnodiging kwam hen blijkbaar niet gelegen tijdens de drukte van hun alledaagse bezigheden… Liever die kortstondige, consumptieve interesses dan een langdurige levensinzet… groei… ontwikkeling. Zitten we daarmee niet heel dicht bij de dag van vandaag? Het doet me denken aan mensen die alles, ja zelfs hun gezinsleven, opofferen aan hun drukke werkzaamheden; die zich tevreden stellen met het feit dat onze wereld enkel naar geld en macht kijkt? Ja, er zijn er zelfs die vandaag de dag de boodschappers afranselen, omdat hun blijde boodschap hen stoort in hun drukke bezigheden, in hun macht. Men wil liever niet gestoord worden.

Waar ontdekken wij onszelf nu in deze parabel? Waar bevind ik mij? Ik draag wat van allen in me mee: Ik ben de door God genodigde van de straat en het plein gehaald; met weldaden overladen, niet vanwege eigen verdiensten, vanwege rang of stand. Ik ben misschien hopelijk ook wel een beetje als de gezant, die anderen uitnodigt om mee te komen…

Ik ben echter ook degene die de uitnodiging telkens weer afwijst, omdat ze soms zo storend is; die zich goed gesetteld heeft en zonder kleerscheuren volgens het Evangelie wil leven… Ja, die scheidslijn gaat dwars door mij heen.

Zo kunnen we de uitnodiging van het Evangelie van vandaag verstaan, opdat we opveren uit onze gemakkelijke stoel en moed vatten, opdat we getroost op weg blijven gaan die ander, met elkaar. We hebben elkaar nodig omdat ieder persoon op zijn of haar plaats ook vaak maar alleen staat…

Om terug te keren bij het begin: die maaltijd des Heren gaat echt wel door… God vindt zijn gasten heus wel. En wij mogen daarbij zijn, wanneer we dat maar echt willen, nu en… voor altijd.

Pastoor Jack Geudens – Website prekenarchief

Advertenties