Kindercatechese: ‘De gasten van vadertje Panov’

Het was kerstavond, en hoewel het nog steeds middag was dansten de lichtjes vrolijk de straten en de huizen in van het kleine Russische dorp, want de korte winterse dag was bijna voorbij.

Oude vadertje Panov, de schoenmaker van het dorp, stapte zijn winkel uit zodat hij voordat de avond begon nog een keer buiten kon rondkijken.
De geluiden van het geluk, de felle lichten en de heerlijke geuren van Kerstdiners deden hem denken aan vroegere tijden van kerstmis, toen zijn vrouw nog leefde en zijn eigen kinderen nog klein waren.
Zijn meestal vrolijke gezicht keek nu verdrietig.
Hij ging terug naar binnen, sloot de luiken en maakte een warme kop chocolademelk.

Vadertje Panov was alleen. Hij hield een oude familiebijbel op schoot en las opnieuw het verhaal van de eerste Kerst, op zoek naar een beetje gezelschap.

Daar waren Maria en Jozef, moe en hongerig van een reis naar Bethlehem. Ze konden nergens slaap, ze vonden geen slaapplek in de herberg.
Ik had ze wel een kamer gegeven, dacht vadertje Panov.
In mijn oude huis is plaats genoeg en ik had Jezus kunnen toedekken met mijn warme deken.

Ook de herders waren er. En de engelen. En drie koningen uit het oosten die geschenken bij zich hadden.
Wat zou ik hebben meegebracht, vroeg vadertje Panov zich af. Toen klaarde zijn gezicht op. Zijn gedachten vlogen naar een kleine doos die op de bovenste plank in zijn winkel stond. In die doos zaten twee piepkleine schoentjes, die hij ooit met zijn eigen handige vingers had genaaid – vingers die nu stijf en stram waren geworden.
Dat zou ik voor hem hebben meegebracht, glimlachte vadertje Panov. Mijn allerbeste werk! Daarna zakte zijn hoofd langzaam naar één kant en viel vadertje Panov in slaap.
En terwijl hij sliep, droomde hij. Hij droomde dat iemand in zijn kamer was en hij wist meteen wie het was. Het was Jezus.

Jezus zei: ’Ik ben Jezus, ik heb uw eenzaamheid en uw verdriet gezien. Daarom zal ik op deze kerstdag bij u op bezoek komen. Kijk maar naar me uit, vadertje Panov.

De oude man schrok wakker. De ochtendzon scheen in zijn ogen. Het was Kerst! En als de droom waar was, dan zou Jezus hem komen bezoeken!

Vadertje Panov keek naar buiten en zag Sergei, de straatveger van het dorp. Zelfs op kerstdag deed hij trouw zijn werk

Vadertje Panov deed zijn deur open en riep naar de man: ‘U ziet er koud uit, mijn vriend. En het is vast eenzaam, zo op kerstochtend op straat. Kom binnen en drink een kopje koffie mee. De straatveger ging snel vadertje Panovs huis binnen.
En vadertje Panov gaf hem een warme beker, hij hield die gewoon een tijdje vast en liet hij de stoom als een warme wolk over zijn koude gezicht gaan.
Sergei dronk langzaam zijn koffie op. Terwijl vadertje Panov beleefd met hem praatte ( en hem zelfs over zijn droom vertelde), hield de schoenmaker steeds een oogje op de straat.
‘Nou, ik hoop dat uw droom uitkomt,’ zei de straatveger ten slotte. ‘Maar ik moet weer aan het werk. Bedankt voor de koffie en uw vriendelijkheid.’ En met een ‘Fijne Kerst!’ pakte hij zijn bezem en liep de straat weer op om te vegen.

Vadertje Panov keek weer naar buiten, maar er was nog nergens een teken van Jezus te bekennen.
Er liep wel een meisje. Een meisje dat hij niet kende. Ze liep langzaam over straat – met een bundel in haar armen. Omdat haar kleren oud en versleten waren, huiverde ze bij iedere stap van de kou.
Vadertje Panov deed zijn deur weer open, hij riep het meisje: ‘Kom maar. Hier is het warm!’

Vadertje Panov schonk weer een kop koffie in en gaf het meisje een stoel vlakbij de kachel. Hij bood aan om de bundel van haar over te nemen en gaf het kindje warme melk. Hij warmde de voetjes van het kindje bij de warme kachel, en zei dat het kindje schoentjes nodig had.

Zijn gedachten vlogen meteen weer naar de kleine doos. De doos die op de bovenste plank stond. Maar die schoentjes waren voor Jezus! Zei hij stilletjes tegen zichzelf. De baby huilde weer. En een nieuwe blik op die ijskoude teentjes maakte een einde aan zijn aarzeling. Vadertje Panov rekte zich uit, pakte de doos van de plank en liet het meisje de kleine schoenen zien.

Die kan ik niet aannemen, huilde ze. Ze zijn veel te mooi voor iemand als ik. Neem ze dan van mij aan voor het kind smeekte vadertje Panov. Voor kerst.
Ze ging weer op weg en wenste vadertje Panov dat al zijn kerstwensen mochten uitkomen.

De zon stond nu laag aan de hemel en er was nog steeds geen teken van Jezus. Er waren alleen nog bekende mensen op straat. Zijn buren die op weg gingen om hun familie te bezoeken.
Er liepen wel genoeg bedelaars op straat, op zoek naar een klein beetje kerstvreugde. Hij gaf hun de soep en brood die hij gemaakt had.

Tegen de tijd dat de laatste bedelaar vertrok, was het al donker. Hij keek nog eens goed en zag niemand meer op straat, iedereen was binnen.

Het moest een droom zijn geweest, zuchtte hij. Alleen maar een droom. Maar op dat moment wist vadertje Panov dat hij niet alleen was. Hij keek op en hij hoorde de stem van Jezus.
Toen ik honger had, zei Jezus, hebt u mij te eten gegeven. Toen ik naakt was hebt u mij iets te dragen gegeven. En toen ik het koud had hebt u mij verwarmd.
Maar wanneer dan? Vroeg vadertje Panov. Wanneer heb ik dat voor u gedaan?

Toen u de straatveger warmte hebt gegeven, uw mooiste schoenen aan een arm, koud kind hebt gegeven en de bedelaars te eten hebt gegeven. Toen hebt u dat gedaan, glimlachte Jezus.

Toen werd vadertje Panov dolgelukkig.
Fijne Kerst, vadertje Panov, zei hij ten slotte. Daarna verdween hij in de nacht. Net als een visioen. Net als een droom.

Advertenties