“Zodra Jezus uit de synagoge kwam, ging Hij met Jakobus en Johannes naar het huis van Simon en Andreas.”

“Uit de synagoge”. Wij zouden zeggen: uit de kerk. Jezus was een trouwe kerkganger. Hij voegde zich in in de bestaande tradities van zijn volk om God te ontmoeten. Het eerste onderricht vindt plaats in de synagoge. Niet het marktplein waar Joden en heidenen (de ongelovigen) getuige zouden kunnen worden, maar de beslotenheid van de Joodse synagogen is het toneel geweest van het eerste onderwijs van Jezus. Buiten die wekelijkse gang naar de synagoge, trok Jezus er dikwijls op uit om in de eenzaamheid te bidden. Ook zijn er die momenten van spontaan gebed, waarin Jezus een kort contact heeft met zijn Vader in de hemel. Jezus heeft altijd gebeden. Expliciet en impliciet, alleen en samen. In de omgang met de mensen bleef Hij verbonden met de hemelse Vader. Uit zijn kracht deed Hij de tekenen, zijn woord sprak Hij in gehoorzaamheid aan Hem.

“De schoonmoeder van Simon lag met koorts te bed; zij spraken Hem aanstonds over haar. Hij ging naar haar toe, pakte ze bij de hand en deed haar opstaan; zij werd vrij van koorts en bediende hen.”

De koortsige schoonmoeder is een treffend beeld van de mens in onze samenleving. Hij lijdt aan een koortsachtige onrust. Alles gaat sneller en sneller. We moeten steeds meer zien en overzien en verwerken. We worden jachtig en gejaagd. We leven in een stroomversnelling. Zoals bij de koorts het bloed versneld door onze aderen jaagt en ons rusteloos maakt, zo jaagt het leven van nu door de communicatiekanalen van onze samenleving. Maar daardoor komen we niet meer aan onszelf toe. En ook de zwakkeren worden er de dupe van, mensen die zichzelf niet kunnen redden en op het dienstbetoon van anderen zijn aangewezen. Jezus is er ten behoeve van al die achterblijvers, die uitvallers, die marginalen, die afgeschrevenen, die het niet meer kunnen bijbenen. Daar heeft Jezus oog voor. Daar is het evangelie voor: als een correctie op de geest van al te grote voortvarendheid van onze samenleving. Om die kracht van Jezus te kunnen ervaren, is zijn aanraking nodig en, de bereidheid om je te willen láten aanraken: “Hij ging naar haar toe, pakte ze bij de hand.” Er zit levenwekkende kracht in de hand van Jezus…

“Zij werd vrij van koorts en bediende hen.”

Haar vrijgekomen kracht besteedde zij niet voor zichzelf, maar in dienstbaarheid aan “hen”. Dat is de kracht van het evangelie: mensen worden bevrijd van hun onrust, van het koortsachtig zoeken van zichzelf. Daar worden de armen beter van. Want aan hen wordt de vrij gekomen energie besteed. Jezus stelde zijn hele leven in het teken van de dienst: “de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” (10,45).

“Hij antwoordde hun: Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat Ik ook daar kan prediken.”

Daar dient het gebed voor: om weer op dreef te komen als we dreigen te verzanden, bijvoorbeeld in het drijfzand van het succes. Jezus heeft zich niet laten vangen in het succes. Aan zijn zelfverloochening hebben wij het te danken, dat zijn woord tot ons is gekomen. Want “de dorpen in de omtrek” van Kafarnaüm zijn het begin geworden van wat zou uitgroeien tot een wereldwijd apostolaat: “Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping” (16,15). In steeds wijdere kringen, tot in ons land toe, tot op de dag van vandaag. Dat wij nu het evangelie lezen en overwegen, is te danken aan het feit, dat er steeds mensen zijn geweest, die, zoals Jezus, zich onthecht hebben van een gemakkelijk succes en een comfortabel leven.

“Daartoe immers ben Ik uitgegaan.”

Uitgegaan? Waaruit? Uit Kafarnaüm: “Hij ging naar buiten”, buiten Kafarnaüm. Maar uiteindelijk is Jezus uitgegaan van de Vader. Het leven van Jezus heeft iets van een uittocht: weg uit de geborgenheid bij de Vader, een bestaan van een dienstknecht, door lijden en dood. Ook ons leven heeft iets van een uittocht: vanuit de geborgenheid van de moederschoot naar een eigen leven, los van de bescherming van vader en moeder, met een eigen bestaansgrond en een eigen haard. Steeds treedt er iets van een nieuwe ongeborgenheid op, een vervreemding van het vertrouwde. Terwijl wij ons op deze weg afvragen of wij dit wel mogen wagen en ons aan de toekomst mogen toevertrouwen, komt Jezus ons tegemoet. Ook Hij is uitgegaan, uit zijn geborgenheid in de schoot van de Vader, overgestoken naar ons bestaan van vlees en bloed, van dood en doodsangst. Op zijn uittocht ontmoet Hij ons, neemt ons bij de hand, zoals de schoonmoeder van Simon Petrus, om ons op te wekken uit onze terneergeslagenheid, uit de uitputtende koorts van onze hartstochten, om ons mee te nemen, terug naar zijn Vader. “Daartoe immers ben Ik uitgegaan.”


(Samenvattend: Wij maken kennis met Jezus door Hem te volgen in zijn eerste optreden in Kafarnaüm: thuisgekomen van de gebedsdienst in de synagoge, doen Petrus en diens metgezellen Andreas, Jakobus en Johannes een beroep op Jezus ten behoeve van Simons zieke schoonmoeder. Hij genas haar. Onmiddellijk zet zij haar vrijgeworden kracht in ten behoeve van anderen: “zij bediende hen”. ’s Avonds na zonsondergang, stroomde de hele stad voor Jezus’ deur samen om hun zieken te laten genezen. Maar Jezus heeft het gevoel, dat zijn eigenlijke zending er dreigt vast te lopen. Wonderen zijn tekenen van het Rijk Gods, niet het Rijk Gods zelf. Hij trekt zich daarom terug in de eenzaamheid, “waar Hij bleef bidden”. En als ze Hem willen komen halen om Hem zijn taak als wonderdoener te laten voortzetten, antwoordt Jezus: “Laten we ergens anders heen gaan.” In trouw aan de zending van zijn Vader van Wie Hij is uitgegaan.)


Vgl. Dr. J. Bots SJ, Komt allen tot mij, Meditatie bij de zondagsevangelies van het jaar B en register, Uitgeverij Tabor, Brugge, 1990, blz. 222-230.


Advertenties