Eerste lezing: Leviticus 13,1-2.45-46. Tweede lezing: 1 Korintiërs 10,31-11,1. Evangelie: Marcus 1, 40-45:

In die tijd kwam er een melaatse bij Jezus
die op zijn knieën viel en Hem smeekte:
“Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.”
Door medelijden bewogen stak Jezus de hand uit,
raakte hem aan en sprak tot hem:
“Ik wil, word rein.”
Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.
Terwijl Hij hem wegstuurde vermaande Hij hem met klem:
“Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt,
maar ga u laten zien aan de priester
en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven
om ze het bewijs te leveren.”
Eenmaal vertrokken
begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen
en ruchtbaarheid aan de zaak te geven
met het gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen,
maar buiten op eenzame plaatsen verbleef.
Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.


In het evangelie van vandaag vindt een reiniging plaats en wel van een melaatse. Het evangelie ziet de mensheid als een melaatse, getroffen door een dodelijke ziekte waar niemand iets aan kan doen, alleen Jezus. “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.” Wij doen een beroep op God: ‘God, laat mij bij U bescherming vinden’. ‘Wees mij een veilige toevlucht.’


Een melaatse! Melaatsheid was in Jezus’ tijd wat vroeger bij ons tbc (tuberculose) was en wat tegenwoordig kanker is. Het erge van melaatsheid was dat het besmettelijk was, waardoor degenen die die ziekte hadden, in een isolement verkeerden, en bijvoorbeeld in gescheurde kleren rondliepen, zodat iedereen het aan hen kon zien. En als het niet te zien was, moesten ze het laten weten door hardop te roepen: ‘Onrein, onrein!’ Zo lang de ziekte duurde, was zo iemand onrein en moest hij apart wonen, en hoorde hij er niet bij. Dat was toen in die tijd nog veel erger dan nu. Onze maatschappij is geïndividualiseerd, de mensen leven als enkeling. Maar toen was de samenleving nog hecht, ze leefden niet volgens het ‘ik-patroon’, maar als ‘wij’, ‘wij-samen’. Het was dus heel erg voor een melaatse dat hij zich uit de gemeenschap moest terugtrekken, om een eenzaam leven te beginnen.

Wij hoeven niet beslist melaats te zijn om ons een melaatse te voelen, of om anderen als melaatsen te behandelen. Mensen zeggen wel eens: ‘Het lijkt wel of ik een melaatse voor hem ben.’ Of ik ga anderen uit de weg, zij zijn als melaats voor mij, ik sluit ze buiten. En dan is er nog een soort melaatsheid waarbij mensen zichzelf buitensluiten. Dat is gewoonlijk een gevolg van een zichzelf niet kunnen aannemen zoals ze zijn, of bepaalde eigenschappen niet kunnen aannemen. Als ze een paar mensen zien praten, denken ze al snel: ‘Die hebben het over mij’, of als ze iemand zien lachen als ze eraan komen: ‘Ze lachen me uit’, of als iemand zijn gezicht vertrekt, zoeken ze de reden meteen bij zichzelf.

Het komt ook nogal eens voor dat mensen die een zwaar verlies hebben geleden en in een rouwproces verkeren, zich een melaatse voelen omdat andere mensen hen mijden. Andere mensen vrezen ook bedroefd te worden, als ze in aanraking komen met zo’n bedroefd iemand. Dat is ook een manier om uitgesloten te worden. En zo kunnen we nog wel even doorgaan, bijvoorbeeld: mensen die het slachtoffer worden van een lastercampagne, van uitsluiting omdat ze tot een ander ras, tot andere cultuur behoren. Men ontloopt ze. Ze worden behandeld als melaatsen.

Zo’n melaatse komt nu bij Jezus. Eigenlijk mag een melaatse helemaal niet bij een gezond iemand komen, maar de man kán gewoon niet anders. Hij overtreedt alle regels die hem zijn opgelegd en hij komt bij Jezus. Hij, die melaatse, die van top tot teen ziek is, dodelijk ziek, uitzichtloos ziek, heeft één gave plek: namelijk zijn geloof in God. “Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.”, zegt hij. In dat ene woord drukt die man zijn onmacht uit: ‘God, laat mij bij U bescherming vinden, wees mij een veilige toevlucht.’ Gij kunt mij redden.

Hoe doet Jezus dat, hem genezen? Hij handelt in ieder geval “door medelijden bewogen”. Er wordt wel beweerd dat de macht van Jezus bestaat uit zijn barmhartigheid. Hij laat het leed van de melaatse diep in zijn eigen Hart binnenkomen, Hij voelt zijn verbittering, zijn eenzaamheid en vertwijfeling, Hij neemt er deel aan, Hij lijdt er zelf ook aan.

Alleen al weten van Gods medelijden, dat je in je hart mag voelen hoe je door God wordt aangevoeld, is voldoende om te genezen.

St. Franciscus van Assisi heeft eens beschreven hoe hij zich voelde toen hij een melaatse zag. Hij werd door Jezus uitgenodigd, om hem niet alleen aan te raken, maar zelfs te omhelzen. Wat hij toen in zich voelde, was alsof zijn maag in zijn lichaam omdraaide. Maar Jezus kent geen aanrakingsangst. Hij weet Zichzelf vast verankerd in zijn betrekking tot zijn Vader in de Hemel. Hij werd door medelijden bewogen, door de Vader, en door de heilige Geest. Dat is dan ook van waaruit Jezus het genezende woord spreekt: “Ik wil, word rein.”

Wat betekent dat alles nu voor ons? Jezus’ wil van ons ook die barmhartige houding naar onze medemens toe, naar de zieke en de gezonde. (“Ik wil liever barmhartigheid dan offers”- Mt 9,13; 12,7.)

Op die barmhartige houding en wil kunnen wij nog steeds een beroep doen. De Jezus van tweeduizend jaar geleden is nu onder ons met zijn wilsbeschikking, met zijn testament, zijn nieuwe testament. Dit is het Nieuwe Verbond, tot vergiffenis van de zonde, tot reiniging en tot genezing.

Vgl. www.petruscanisiusstichting.nl/prekenboek /6ezondag (pater Bots)


Advertenties