De gebeurtenissen van “Witte Donderdag” staan beschreven in de vier evangeliën; Matteüs 26,17-75, Marcus 14,12-72, Lucas 22,7-65 en Johannes 13,1-18,27.

In de middag van de veertiende van de maand Nisan, de vastendag voor het Pascha, treffen de leerlingen op vraag van Jezus alle nodige voorbereidingen voor het Paschamaal.
Na zonsondergang breekt de vijftiende Nisan aan; de eerste dag van het Paschafeest. Het Paschamaal houdt Jezus met zijn leerlingen.
Tijdens deze maaltijd vertelt Jezus wat er met Hem zal gebeuren.
Johannes vertelt weinig over de instelling van de H. Eucharistie, zijn Lichaam en Bloed. Zijn aandacht gaat uit naar hoe Jezus de voeten van alle leerlingen wast en hun de opdracht geeft elkaar te helpen en dienstbaar te zijn.
Judas vertrekt hierop, en gaat – zo blijkt later – naar het Sanhedrin om hen te helpen Jezus gevangen te nemen. In de nasleep van de heilige Maaltijd onderwijst Jezus zijn leerlingen en leert hen het Onze Vader.
Vervolgens gaan ze naar de hof van Getsemane, gelegen op de Olijfberg, waar Jezus zijn leerlingen vraagt met Hem te waken en te bidden. In de hof worstelt Jezus met de zware taak die Hem te wachten staat, waarbij Hij druppels bloed zweet.
Judas had ondertussen het leger van het Sanhedrin opgehaald en brengt hen naar de hof van Getsemane. Hier verraadt hij Jezus met een kus, waarop Jezus wordt gearresteerd en meegenomen. Eerst wordt Hij voor de hogepriester Annas gesteld, dan naar het paleis van Kajafas waarbij een valse getuigenverklaring wordt afgelegd. Hij wordt bespuwd en geslagen. Petrus, die het paleis binnen geglipt is, wordt opgemerkt. Hij ontkomt door te zeggen dat hij Jezus niet kent.

Advertenties