2e Korinthiërs 1,1-7.

Van Paulus, door Gods wil apostel van Christus Jezus, en Timoteus, onze broeder, aan de kerk Gods in Korinte en aan alle heiligen in geheel Achaia.
Genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus!
Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader vol ontferming en de God van alle vertroosting.
Hij troost ons in al onze tegenspoed, zodat wij in staat zijn anderen te troosten in al hun noden, dank zij de troost die wij van God ontvangen.
Want wij delen volop in het lijden van Christus; maar door Christus gewordt ons ook overvloedige vertroosting.
Worden wij verdrukt, het is voor uw troost en heil. Worden wij bemoedigd, het is om u moed en kracht te geven om standvastig hetzelfde lijden te verdragen als wij verdragen.
Onze hoop voor u staat vast: wij weten dat gij, delend in onze smarten, ook zult delen in onze vertroosting.

Psalmen 34

De Heer zal ik prijzen iedere dag,
zijn lof ligt mij steeds op de lippen.
Mijn geest is fier op de gunst van de Heer,
laat elk die het hoort zich verheugen.

Verheerlijkt de Heer te zamen met mij
en laat ons eendrachtig zijn Naam vereren.
Ik ging tot de Heer en Hij heeft mij verhoord,
Hij heeft mij gered uit al wat ik vreesde.

Verlaat u op Hem, dan wordt ge gelukkig,
want Hij stelt u niet teleur.
Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer
en redt hen uit hun ellende.

De engel van God legt een schans om hen heen,
om elk die God vreest te beschermen.
Let op en bemerkt hoe genadig de Heer is,
gelukkig is hij die zijn heil zoekt bij Hem.

Matteüs 5,1-12.

Toen Jezus deze menigte zag, ging Hij de berg op en, nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem.
Hij nam het woord en onder­richtte hen aldus:
‘Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen.
Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden.
Zalig de zachtmoedi­gen, want zij zullen het land bezitten.
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerech­tigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervin­den.
Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien.
Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen.
Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnent­wil:
Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel. Zo immers hebben ze de profeten vervolgd die voor u geleefd hebben.

Overweging 

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en kerkleraar
Sermon 53 ; PL 38, 366

“Zij zullen God zien”

      Wij willen God zien, we proberen Hem te zien, wij verlangen er vurig naar om Hem te zien. Wie heeft dat verlangen niet? Maar let op wat het Evangelie zegt: “Gelukkig de zuiveren van hart; zij zullen God zien”. Doe ook zo om Hem te zien. Om een vergelijking te maken met de materiële werkelijkheid, hoe wil je met zieke ogen de opgaande zon schouwen? Als je ogen gezond zijn, dan zal het licht voor je een plezier zijn; als ze ziek zijn, dan zal het een kwelling voor je zijn. Het zal je zeker niet toegestaan zijn om te zien met een onzuiver hart, want men kan slechts zien met een zuiver hart. Je zult er van verwijderd worden en je zult niet zien.

Hoe vaak verkondigde de Heer “gelukkige” mensen? Welke motieven van geluk benadrukte Hij, welke goede werken, welke gaven, welke verdiensten en welke beloning? Geen enkele zaligspreking beweert: “Zij zullen God zien”. Zie hoe de anderen het uitdrukken: “Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten. Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden. Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden”. Geen enkele andere beweert dus: “Ze zullen God zien”.

Het visioen van God is beloofd aan mensen met een zuiver hart. Dat is niet zonder reden, aangezien de ogen die toestaan om God te zien zich in het hart bevinden. Het zijn de ogen waarvan de apostel Paulus spreekt als hij zegt: “Moge Hij de ogen van uw hart verlichten” (Ef 1,18). In de huidige tijd worden deze ogen, vanwege hun zwakheid, dus verlicht door het geloof; later zullen ze vanwege hun geestkracht, verlicht worden door het visioen… “Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks zien we van aangezicht tot aangezicht” (1Kor 13,12).

Bron: Dagelijks Evangelie via e-mail

Advertenties