Vierentwintigste zondag door het jaar, B.

Jesaja 50,5-9a. Marcus 8,27-35.

Weet u nog van dat kinderversje toen je vroeger verstoppertje speelde? “Blijf zitten waar je zit en verroer je niet. Blijf zitten waar je zit…” Misschien zingt u het opnieuw na afloop van deze H. Mis, want het verhaal van deze avond (morgen) is weerbarstig.

Er was eens een koning in Israël. Hij had wat zijn hartje begeerde. Maar zijn vrouw, de koningin, vond haar tuin te klein. Nu liet ze haar oog vallen op de tuin van de buren en ze zeurde haar man aan z’n hoofd dat hij moest proberen die tuin te verkrijgen. De koning ging naar zijn buurman en hij zei: “Verkoop mij jouw tuin.” De buurman antwoordde: “Dat kan ik niet doen, het is familiegoed, overgegaan van vader op zoon. Ik kan hem niet verkopen.” En de koning kwam terug en vertelde het verhaal. Dan zegt de koningin: “Ik weet raad, je noemt dat majesteitsschennis, landverraad. Haal de rechters bijeen en roep hem voor het gerecht.” Zo gezegd, zo gedaan. De rechter zei ook – want de koning was streng en de koningin nog erger – “Dat is majesteitsschennis, dat is landverraad.” En de man werd ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Koning Achab en koningin Jezebel hoorden van het gebeurde en ze namen wat hun hart begeerde, namelijk de tuin van de buurman. Maar er bestond nog gerechtigheid in die dagen. Daar komt de profeet van God, Elia, aan en hij gaat naar koning Achab en zegt: “Schandalig wat je hebt gedaan, schandalig om zo het recht van je buurman te schenden.” Maar koning laten zich niets gezeggen, en Elia moest rennen voor zijn leven.

Als Jezus vraagt: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” luidt het antwoord: Zo iemand als Elia! Blijkbaar nam Jezus geen blad voor zijn mond als het ging om gerechtigheid.

Zo iemand als Johannes de Doper zeggen ze, want die kon er ook wat van. Ook hij was in aanvaring gekomen met de koning van zijn dagen, Herodes. Nu is er geen grond gestolen van de buren, nee, veel erger: deze koning heeft de vrouw van zijn broer uit zijn huis weggeroofd en is ermee getrouwd. Johannes de Doper zegt: “Schandalig dat je op deze manier de rechten van je broer met de voeten treedt, want er hoort trouw te zijn tussen man en vrouw.” Maar ook Herodes pruimt dat niet. Johannes wordt gevangen en u weet: hij moet het met de dood bekopen.

Als Jezus vraagt: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” Dan antwoordden ze: “Zo iemand als Johannes de Doper.” En als Hij ’t aan zijn leerlingen vraagt, dan zeggen ze: “U bent de Christus, de Zoon van levende God”.

Want U bent te vinden aan de kant van de kleinen, U doet Uw mond open als het gaat om gerechtigheid. Want gerechtigheid is materiële welvaart voor iedereen: ’n huis, ’n stukje grond, voedsel, kleding. Gerechtigheid is bovendien sociale welvaart: ’n paar relaties, man, vrouw, kinderen, vrienden. Daar komt U voor op. Jezus antwoordt: “Hou op, zwijg stil, want het zal Me niet in dank worden afgenomen. De Mensenzoon zal veel moeten lijden. En als iemand mijn volgeling wil zijn, dan zal hij omwille van zijn opkomen voor Gods wet zijn kruis te dragen hebben.

Want het verlangen, dat ieder mens een thuis heeft, het verlangen dat huwelijken heel blijven, het verlangen dat kinderen (ook zij die nog in de moederschoot verblijven) beschermd worden, dat verlangen betekent: ongerechtigheid benoemen. En dat betekent lijden. Want ze zullen je wegroddelen, wegschrijven, weghonen. Ze zullen zeggen; laat naar je kijken, je bent niet goed wijs. En misschien zullen ze je dan links laten liggen.

Elia, Johannes, u en ik? Ontmaskeren wij de wapens van het eigen belang, van de economie en de winst, staan wij aan de kant van de slachtoffers? Wij moeten hen, die in deze wereld geen naam hebben, opnieuw hun naam geven. Wij moeten hen zeggen wie ze zijn volgens Gods wetten van gerechtigheid en naastenliefde; in het licht van zijn barmhartige liefde.

Blijf zitten waar je zit…, of juist niet?

Misschien zou het iets zijn als we hen zouden steunen, de profeten van onze tijd, zij die opkomen voor de slachtoffers van strenge mensenwetten. Zij die de gerechtigheid van Gods veiligheid en daarmee heiligheid verdedigen. Zij die de moed hebben om op te komen voor allen, die in onze wereld naamloos zijn.

Vgl. Het hoge Woord eruit, preken voor het jaar B, Werkgroep voor Liturgie, Heeswijk, 1999, blz. 99-100.


Advertenties