26ste zondag door het jaar. B, 2015.

Soms ontmoeten we mensen, die met een bijzonder charisma – de gave van welsprekendheid van binnen uit – spreken over hun Heer Jezus Christus, over het geloof, over de Kerk en over de wereld. Dat charisma werkt aanstekelijk en we voelen dan hoe we zelf tekort schieten in durf en inzet voor het Evangelie, Gods Blijde Boodschap. Maar in dat besef zelf tekort te schieten willen we het liefst die anderen daarom kenmerken als ‘buitenissig’ – overdreven in hun geloofsuitingen en belevingen – en hebben we vaak niet de durf om eigen falen toe te geven.

Het duidelijkst wordt dit als het gaat over het onbevangen beleven en verkondigen van de Sacramenten – Gods liefdesgaven ons gegeven – en Gods Blijde Boodschap – Gods genadegaven ons gegeven – .

De lezingen van deze dag (; de eerste lezing uit de brief van Jakobus 5,1-6 en het heilig evangelie volgens Marcus 9,38-48) tonen ons wat het gevolg kan zijn. Mensen willen de nieuwe levenskansen van geloof en kerkelijk leven zodanig afremmen en indammen, totdat ze passen in wat de wereld zoal wil en verwacht.

Jakobus herinnert ons echter in zijn brief aan het grote gevaar dat ons leven zijn geestelijke waarde verliest, als we opgaan in de zucht naar aards bezit en genot, als we ons doel verlagen tot het verzamelen van alleen maar aardse schatten, “terwijl het de laatste dagen zijn”.

De uitdaging om als christengemeenschap in deze wereld op te komen voor Christus en voor iedere mens als kind van God, ook en vooral dus voor de kleinen en de onderdrukten, dat past niet in ons economisch denken, waarin we al te vlug materiële belangen voor ogen hebben en van daaruit oordelen over het hoe en het waarom met onze wereld.

“Wie niet tegen ons is, is voor ons”: deze zin die Jezus ons vandaag toeroept wil ons aansporen om voor alles te blijven kiezen voor de bijzondere waardigheid van iedere mens als kind van God. Maar door zo te kiezen stellen we ons wel kwetsbaar op, want je bent niet geteld als je opkomt voor die ander, vooral voor de minderbedeelde, de zieke, de mens in gevaar. De hele discussie in Europa over de christelijke wortels van onze maatschappij draait om dat ene centrale aspect: we willen niet meer voor Christus opkomen en daarmee snijden we levende wortels door en lopen we uiteindelijk het gevaar als ontwortelden alle houvast kwijt te raken, waardoor we verloren gaan in de stormen die ons nog te wachten staan…

Gaat het ons echter als gelovigen nog om dat hoge doel om eenmaal binnen te gaan in het Rijk Gods dan moet ons dat ook wat waard zijn. Bidden we dan om een geestelijk klimaat dat zorg en bescherming mogelijk maakt aan alle mensen, vooral aan de kleinen en aan hulpbehoevenden, waardoor het geloof en kerkelijk leven (weer) een thuis kan bieden aan de velen die weg kwijt zijn geraakt.

Nieuwe evangelisatie begint daar, waar we de moed hebben om af te hakken, uit te rukken, te snoeien en te zuiveren, zodat de levende wortels en takken de ruimte krijgen. God moge dat proces leiden en zegenen.

Vgl. bron: Bezinning op het Woord, Inleiding in de liturgie van iedere dag, Roermond, September 2003 (9), blz. 76-77.

Advertenties