Inleiding

Met praten en redeneren proberen we vaak situaties onder controle te krijgen of op te lossen. Maar wie veel praat heeft soms maar heel weinig tot niets te zeggen.

Wat doet Jezus wanneer de Schriftgeleerden en Farizeeën een overspelige vrouw bij Hem komen brengen om Hem in de val te lokken? In eerste instantie: eenvoudig zwijgen. En dan zegt Hij slechts dit: ”Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen!” Met andere woorden; vooraleer we een ander gaan veroordelen, moeten we eerst ons eigen geweten gaan onderzoeken. Misschien maken wij het dan wel stil in ons en leren wij ons eigen falen en ongelijk onder ogen zien…  om onze schuld te belijden voor God en elkaar…

 

Verdieping

overspelige-vrouw2Wanneer Jezus in het Evangelie getest wordt op zijn getrouwheid aan de wet van Mozes, de Joodse wet, dan zal Hij die wet nooit zomaar buiten bedrijf stellen. Hij zegt van zichzelf “dat Hij niet gekomen is om de wet af te schaffen, maar om hem te vervolmaken: om die wet een LEVEND HART te geven. Het gaat Hem dus nooit om de droge en dorre wet, die wet van steen, zonder rekening te houden met mensen. Jezus vraagt steeds of er recht gedaan wordt aan deze éne mens die tegelijk ook de wet dient na te leven. Iedereen, dus ook degenen die zich beroepen op de wet én die de wet hanteren, zal beoordeeld worden op de wet van de liefde.

Wanneer nu de Schriftgeleerden en de Farizeeën naar Jezus toekomen met een overspelige vrouw tussen hen in, dan gaat het die Schriftgeleerden en Farizeeën eigenlijk helemaal niet meer om die vrouw en wat er met haar moet gebeuren; neen, ze komen met slinkse bedoelingen naar Jezus; ze willen hem in een positie manoeuvreren dat Hij ófwel voor de wet kiest ófwel voor deze vrouw. De Farizeeën gebruiken deze vrouw, die kwaad gedaan heeft, voor hun slinkse bedoelingen. Dat doorziet Jezus nog vóórdat ze ‘n woord gesproken hebben.

Overspel was volgens de wet van Mozes een ernstige misdaad en de dader moest volgens diezelfde wet gestenigd worden. Maar daar gaat het Jezus in eerste instantie niet om. In eerste instantie keurt Hij de handelwijze van de Farizeeën en Schriftgeleerden af. Hén pakt Hij eerst aan om zich vervolgens geheel en al te kunnen richten op deze ene: een overspelige vrouw.

Let u eens op hoe Jezus te werk gaat. Je zou verwachten dat Jezus in discussie gaat met de Farizeeën; maar dat was nu juist hetgeen die Farizeeën graag zouden willen hebben: zij die immers te pas en te onpas gebruik maken van dat machtige, valse wapen van geredeneer, gediscussieer en gekonkel.

“Maar Gij Jezus, wat zegt Gij ervan”. En hoe reageert Jezus? Hij gaat wat zitten schrijven in het zand! En dat heeft nog meer zin dan antwoord geven op die vlijmscherpe en dodelijke vraag. Op géén enkele wijze gaat Jezus op die vraag in. Dat vinden de Farizeeën eigenlijk wel irritant…  en ze gaan dóór met vragen…  En dan treft Jezus midden in de roos. Hij speelt de vraag terug: “Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen”.

Het gaat dus nog niet over het goed of fout zijn van die vrouw, maar over het goed of fout zijn van die eigengereide, opgeblazen mannen, die nooit eens  zichzelf onder kritiek durven te stellen. “Laat degene onder u die zonder zonden is het eerst een steen op haar werpen”. Dat is het enige wat Jezus aan de Farizeeën en Schriftgeleerden te zeggen heeft. Hij maakt er niet veel woorden aan vuil, want als iemand véél praat, dan gaan woorden hun kracht verliezen. Wéér valt er een stilte. Jezus zwijgt en schrijft weer op de grond. Nou, daar kunnen de Farizeeën en Schriftgeleerden het mee doen. Maar ook wíj kunnen het daarmee doen, want wie van ons is er zonder zonden?

Ze weten niets meer te zeggen. Jezus heeft hen in het hart van hun misdadig plan geraakt. Hun bouwwerk van geredeneer stort in elkaar; ze hadden gehoopt Jezus daarmee te kunnen vangen. Ze druipen af: één voor één, de oudsten voorop.

En dan komt Jezus oog in oog te staan met deze ene vrouw. Er valt een weldadige, genezende stilte: een stilte gevuld met liefde, met gestrengheid en óók barmhartigheid. Nu pas kan Jezus zich tot deze vrouw richten. Hij neemt niet zelf het woord om te zeggen wat Hij van haar vindt… neen Hij geeft het woord aan haar: “Vrouw waar zijn ze gebleven. Heeft niemand u veroordeeld?” Wellicht verlegen en beschaamd, met de ogen naar de grond gericht antwoordt de vrouw: “Niemand Heer”…

En als er dan Iemand was geweest die deze vrouw had kunnen veroordelen, omdat Hij zelf zonder zonden was, dan was het wel Jezus zelf geweest, maar diezelfde Jezus is niet uit op de dood van de zondaar of zondares, maar dat hij zich bekeert en leeft: “Ook Ik veroordeel u niet, ga heen en ZONDIG van nu af niet meer!” Uit dit laatste horen we mildheid en een eis die Jezus stelt.

De Kerk wil in navolging van Jezus niet anders doen: enerzijds wil ze mildheid laten gelden en anderzijds stelt ze eisen aan het christen-zijn om het niet dermate te laten verwateren dat er niets meer overblijft.

Mildheid is inderdaad geboden omdat de Kerk de smeulende vlaspit niet mag doven. Zij moet inderdaad de oeverloze barmhartigheid van God – zoals ze in Christus is verschenen – duidelijk maken. Er moet plaats zijn in haar schoot voor zwakken én sterken, voor mensen met een diep geloof én voor anderen die nog zoeken. Zij moet de houding van Jezus weerspiegelen ten aanzien van de overspelige vrouw: deze laatste was fout geweest (Jezus zegt: “Zondig niet meer”). Maar tegelijk stoot Jezus deze vrouw niet af, en richt haar op uit haar zondigheid. Dit is ook de opdracht van de Kerk. Zij kan in haar schoot geen schotten of scheidsmuren oprichten, omdat zij zichzelf als de schare der geheiligde zondaars verstaat. Zij volgt immers Hem na, die niet gekomen is om de rechtvaardigen, maar om de zondaars te redden, en die de scheiding van het onkruid en de tarwe, alvorens de oogst is binnengehaald, heeft afgewezen…  Amen.

Pastoor J. Geudens


 

Advertenties