Preek 3de zondag van Pasen – C 2016

petrus2010120lr20verloocheningDe leerlingen zijn teruggekeerd naar de hun vertrouwde landstreek Galilea, zo wordt ons vandaag verteld. Naar de plek waar zij Jezus de eerste keer hebben ontmoet en waar Hij hen geroepen had. Vandaar uit waren zij Hem gevolgd en waren zij getuige geweest van zijn de wondertekenen. Zij waren geboeid geraakt door zijn spreken en preken. Van deze Jezus hadden zij hoge verwachtingen. Maar alles is anders gelopen.

Nu na de teleurstelling van Goede Vrijdag moet het leven weer zijn gewone beloop krijgen. Er moet immers brood op de plank komen. Zij nemen hun oude vak van visser weer op: ’s nachts dus. Vissers weten, dat dan hiervoor de meest geschikte tijd is, zo leert hen de ervaring. Maar de nacht staat in Joodse beleving ook voor gevaar, duisternis, voor Gods afwezigheid. Het verhaal vertelt bovendien, dat zij die nacht niets vingen. Hun menselijke berekeningen kwamen ook nu niet uit. Zoals zo vaak in het leven. Bij u en bij mij. Wie alles in zijn leven naar zijn hand wil zetten, zal waarschijnlijk tegen een teleurstelling aanlopen.

Wanneer de leerlingen bij het aanbreken van de dag van het meer terugkeren, staat Jezus als een toevallige strandwandelaar aan de oever. Hij staat er in het opkomende licht. De dageraad doet de Joden aan God denken. God immers is in staat om de duisternis te verdrijven, ook uit ons mensenleven. Maar de leerlingen herkenden die man op de oever niet. Ze herkennen Jezus niet als de Man die licht brengt en duisternis verdrijft. Het is een vreemdeling…; maar die onbekende vreemdeling zegt hun toch maar weer van wal te steken en het net rechts uit te werpen. Het wordt een reuze vangst. Dan opeens herkennen zij de vreemdeling: “Het is de Heer.” Onmiddellijk reageert Petrus stoer en onstuimig en sleept het net aan land: een vangst van 153 soorten vissen. Alle soorten vis bevinden zich in het net. Een overvol net, en het scheurt niet. In het net van Jezus mag geen scheuring voorkomen.

En weer worden de apostelen er op uitgezonden, net zoals toen ze Jezus voor het eerst zagen. Nu worden zij geroepen om het werk van Jezus voort te zetten.

Petrus moet tot visser van mensen worden. Wie bij Jezus hoort, zal zich altijd uitgezonden weten. Onze kerk is altijd wervend, altijd missionair, uitnodigend. Een gelovige kan niet gelovig zijn voor zichzelf alleen, want liefde wil je altijd naar iemand anders toe beleven.

Daarom nodigt Jezus de vrienden uit met Hem te eten. Zoals met zijn vrienden te Emmaüs breekt Hij het Brood en deelt het met hen. Zo herkennen zij Hem. Het is dit “Sacrament van de liefde” waarrond de kerk zal groeien. Met dit teken laat Hij verstaan, dat Híj het is, dezelfde die kort voor Pasen aan de oever van hetzelfde meer met 5 broden en 2 vissen de menigte had gevoed.

Jezus zendt zijn apostelen weer uit. Het evangelieverhaal vertelt ook, dat Jezus al tweemaal eerder als de verrezen Heer aan hen is verschenen. De vorige verschijningen hebben nog weinig indruk gemaakt. Zij blijven steken in angst en onzekerheid. Tijdens dit samenzijn aan de oever van het meer voelen de apostelen zich daarom ietwat beschaamd. Niemand durft het te zeggen: ‘Gij zijt de Heer.” Zij hebben nog zo weinig geloof. Zij houden het daarom bij zwijgen. En Jezus zou zich van zijn kant kunnen afvragen: “Moet ik met dit soort mensen de Kerk beginnen?”

Maar zo is Jezus niet. Hij spreekt Petrus aan. Driemaal in stijgende lijn vraagt Hij: “Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij meer lief dan dezen Mij liefhebben?” Petrus denkt nu aan zijn driedubbele verloochening en snikt het uit: “Gij weet alles, Heer, gij weet dat ik u liefheb.” Tegenover de Petrus die Hem verloochend heeft, is Jezus niet haatdragend. Op dit woord zegt Jezus: “Wees de herder van mijn volk.”

Het is een geweldig woord. Voor de Joden was alleen God herder van zijn volk. Jezus kon daarom van zichzelf zeggen: “Ik ben die goede Herder”. Aan deze Petrus met slechts een stuntelig geloof durft Jezus zijn herderschap over te dragen. Het is dus altijd een herderschap in de kracht van de Heer, de goede Herder, die zijn leven geeft.

Vandaag vraagt Jezus niet alleen aan Petrus maar aan ieder van ons: “Bemint ge Mij? Bemin je Me? Volg Mij dan”. Je liefde voor Hem kan soms wat stuntelig zijn. Je hoeft geen krachtpatser te zijn. Je mag een gelovig mens zijn zoals Petrus. De Heer vult het wel aan. Amen.

Vgl. bron: www.parochiestmartinus.nl/pdf


 

Advertenties