“Heer, geef ons meer geloof”. Die vraag van de apostelen aan Jezus is ons uit het hart gegrepen. We leven in een tijd waarin het voor velen moeilijk is te geloven. De ouderen onder ons herinneren zich nog wel de tijd waarin iedereen geloofde, waarin geloof misschien daarom ook zo vanzelfsprekend leek. Die vanzelfsprekendheid is weggevallen. Zo zelfs, dat je sommige mensen hoort zeggen: ik weet niet meer wat ik ervan denken moet; ze hebben ons vroeger van alles wijsgemaakt.

Waarom is geloven moeilijker geworden? Daar zijn, denk ik, diverse oorzaken voor. Ik noem er enkele:

– We worden geconfronteerd, veel meer dan vroeger, met alle mogelijke opvattingen en meningen; we komen veel meer dan vroeger in aanraking met allerlei godsdiensten en levensbeschouwingen. Dat leidt ertoe, dat sommige mensen zeggen: het christelijk geloof is één van de velen; al die geloven zullen allemaal wel goed zijn. Het maakt dan blijkbaar niet zoveel uit wat je gelooft. Het eigen christelijk geloof wordt betrekkelijker en zo van minder waarde.

– We worden geconfronteerd via de televisie met de ellende in de wereld, veel indringender dan vroeger. En dan ligt de vraag bij velen op de lippen: als er een God bestaat, hoe kan Hij dan dat alles toelaten? Bij velen wordt de twijfel groter, als ze het onnoemelijke leed in de wereld zien.

– Onze welvaart heeft ons materialistisch en gemakzuchtig gemaakt. Het geloof stelt ons eisen, die veel mensen niet meer wensen op te brengen en waarvan je ziet dat ze in onze samenleving steeds minder opgebracht worden. Het is verleidelijk daarin mee te gaan en dan moet je wel minder gelovig worden, omdat met je geweten in overeenstemming te kunnen brengen.

– Daarbij komt wellicht voor sommige katholieken, dat de veranderingen na het Concilie van 1962-1965 door hen begrepen zijn als veranderingen van het geloof zelf, waardoor men in de war gebracht werd en waardoor het leek alsof niets meer vaststond.

Door al deze ontwikkelingen in de maatschappij wordt ons geloof beproefd.

Het is echter de vraag of wat ik geloof waar is; niet of ik me er lekker of comfortabel bij voel. De geloofsvraag is een waarheidsvraag. Is wat ik geloof wel waar? Hoe kunnen we daar zeker van zijn?

Wij, christenen, wij vertrouwen ons met de apostelen toe een Persoon, Jezus Christus, die van zichzelf zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”: Ik vertel jullie de absolute waarheid over God, over jullie eigen bestaan, over jullie levensweg en toekomst. Ik wil jullie Herder in de waarheid zijn. De apostelen hebben zich aan Jezus toevertrouwd. En Petrus bekent zijn geloof: “Heer, tot wie zouden wij gaan, U hebt immers woorden van eeuwig leven.”

En toch zeggen de apostelen vandaag: geef ons meer geloof. Geloven in Jezus is vaak moeilijk. Hij vraagt vaak moeilijke dingen waar ‘ons ik’ tegen in opstand komt. We moeten soms lang wachten op de vervulling van zijn beloften. Het kruis waarvan Hij spreekt kan voor ons wel eens zo zwaar zijn dat we beginnen te twijfelen aan de zin ervan.

God zegt bij zo’n zelfde ervaring bij Habakuk: blijf trouw, blijf geloven; want voor wie gelooft komt de vervulling van de belofte. En Jezus heeft het over de kracht van het geloof, dat een moerbeiboom in de zee kan planten.

Christelijk geloof is een onvoorwaardelijke keuze voor Christus als de Herder van ons leven, voor zijn waarheid, die een ondeelbaar geheel is en waarin je moet doordringen om de kracht van het geloof te proeven. Ons geloof, ons gelovig leven is de toetssteen of we de beloften waardig zijn. We moeten niet proberen God te commanderen, Hem de wet voor te schrijven, zegt Jezus. We moeten onze plicht doen als gewone knechten en geduldig wachten op, en uitzien naar de beloning, die zeker komt. Amen.

Door Pastoor Mennen

Vgl bron: www.mennenpr.nl

Advertenties