H. Evangelie: Lucas 17, 11-19

Tien melaatsen worden er genezen. Slechts één daarvan keert dankbaar terug. Negen laten niets meer van zich horen. Het lijkt een aftelsommetje tot de beste of de gelovigste overblijft.

In feite is er hier iets verkeerd gegaan. Wanneer Jezus blinden doet zien en lammen lopen, zelfs wanneer Hij doden tot leven wekt, staan alleen de toeschouwers versteld en verwonderd. Zij blijven met de vraag zitten: “Wie is Hij toch, dat Hij zo’n wonderen doet?”

Alleen hier, alleen bij dit wonder is het andersom. Hier blijft Jezus versteld en verwonderd staan. Hier blijft Hij met vragen achter: ”Zijn niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen? Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen dan alleen deze vreemdeling?”

Gaat het hier dan niet om twéé ziekten? In plaats van één? Melaatsheid en ondankbaarheid? Het ene nog erger dan het andere?

Wij beschouwen melaatsheid als de ergste, want zij ontluistert en vernietigt het lichaam. Ze takelt de mensen af. Maar die ziekte is vandaag de dag te genezen. Er is geen wonder of ingreep meer voor nodig. Eenvoudige medicatie volstaat. Negen kansen op tien worden wij er nooit door besmet, want gelukkig komt die kwaal in onze streken zelden voor.

Tegen ondankbaarheid echter is geen enkel kruid gewassen. Ze ontluistert en vernietigt langzaam ons hart. Ondankbaarheid komt hier bij ons maar al te vaak voor. Meer dan negen kansen op de tien lijden wij er zelf óók aan. Misschien is zij al zo diep in onze ziel doorgedrongen dat wij het niet eens meer opmerken.

De meeste dingen in ons leven vinden we al zo vanzelfsprekend dat we nergens nog verwonderd of dankbaar om kunnen zijn, zoals; ‘we komen uit een goed gezin; we hebben kinderen om van te houden; er is een gedekte tafel en een huis om in te wonen; we voelen ons gezond; we hoeven geen genegenheid of geborgenheid te ontberen; we hebben goed werk’, enz…

Wij denken dat het zo hoort, dat het ons van nature zo toekomt. We waarderen het niet als een geschenk dat ons – langs God en de mensen om – onverdiend in de handen is gevallen. Wij allen lijden aan die ziekte!

Als we het Evangelie goed beluisteren of diep in ons hart durven te kijken, merken we de symptomen ervan op. Gedurende heel ons leven staan we er zelden bij stil, dat er ons zoveel gegeven wordt. We houden zelden halt op de plaats om eens “dank U wel” te zeggen tegen God.

Geen wondermiddel kan de ziekte van ‘ondankbaarheid’ genezen! Er is slechts één oplossing en één genezing. De vragen die Jezus zich in het H. Evangelie stelt, moeten wij ook onszelf durven te stellen, regelmatig en eerlijk, als een gewetensonderzoek. “Ben ook ik niet gereinigd door Gods genade? Moet ook ik me niet tot God keren om Hem de eer te brengen die Hem toekomt?”

Meer dan negen kansen op tien zullen wij dan ook de woorden in ons hart horen: “Sta op en ga heen, uw geloof heeft u gered”.

Vgl. bron: Bezinningen van Gods Woord van dag tot dag, door de Norbertijnen van de Abdij Postel, Turnhout, Brepols, 1989, blz. 699-701.

 

Advertenties